Het woud vliegt langs Elmo heen. De grond is zacht, vol met bladeren en klein groen, veert onder zijn poten. Zo rennen doet geen pijn. Zijn passen zijn snel en regelmatig, volgen een eigen ritme. Moeiteloos springt hij over lage takken, struikelen zal niet gebeuren, daarvoor ziet hij te goed. De tegenwind blaast de lucht met kracht zijn longen binnen en verwent zijn neus met de geuren van mos, blad en bosbewoners.
Is hij zelf op jacht of wordt hij opgejaagd?
Het voelt goed om te rennen. Elke stap echoot na door zijn hele lichaam, moedigt hem aan door te gaan, niet op te geven, nooit te stoppen. Opeens trekt iets zijn aandacht en hij remt af. Dat wil hij verder onderzoeken. Zijn klauwen laten sporen in de grond achter.
Een diep keelgeluid is het volgende. Het klinkt meer als een zalige grom dan een menselijke stem, komt van ver. Zijn spieren spannen zich aan, terwijl een warme deken zich over hem uitrolt. De kleine luchtstroom over zijn nek voelt vertrouwd. Een ander lichaam maakt contact. Opnieuw het geluid. Komt het nu van hemzelf of van de ander? Als het van hem zelf is, dan vanuit zijn onderbuik. De warmte komt zijn hele lichaam binnen, voelt vurig en tegelijk rauw, versterkt zich met elke kreun, houdt hem vast, geeft hem kracht, prikkelt zijn verlangen naar meer. De spieren in zijn dijbenen branden, zijn hartslag verdubbelt. De aanraking is intens. Niet meer denken, alleen nog voelen. Zijn tanden doen pijn, alsof ze willen bijten. Zijn handen jeuken, alsof ze willen grijpen. Zijn geest heeft honger, is vol verlangen en zin.
Het licht tussen de bomen trekt glinsterende strepen.
Zijn spieren zijn nu maximaal gespannen, op het pijnlijke af en verkrampen. Het laatste moment is het meest intens, duurt eindeloos. Is het een blikseminslag of een orkaan, die over hem weg rolt?
Zijn lichaam weet allang waar het heen wil, terwijl zijn geest er hijgend achteraan sjokt, in een poging om bij te blijven. Wat het ook is, het zal hem compleet zal maken.
„Elmo!“
Een scherpe stem, vreemd en toch … echt?
Hij schrikt wakker, trekt zijn hoofd op van het kussen en haalt te snel, te diep adem. Zijn lichaam is warm, nat van zweet en onder de deken ontdekt hij een stevige erectie. Aangezien hij alleen in bed is, is die van hemzelf. Hij is wakker.
Tegen het licht langs de gordijnen in, knipperen zijn ogen, terwijl hij zich probeert te herinneren wie hij is en waarom hij zich voelt, alsof hij net iets heeft verloren, dat nooit van hem was.
Zijn lichaam wil de warmte van eerder vasthouden, nog steeds. Het kloppende gevoel in zijn buik dringt zich op, ongeduldig, begeleidt door een ongemakkelijk gevoel tegen het dekbed. De nevel in zijn geest, veroorzaakt door alle opwinding, laat maar één gedachte door. Alweer!
Deze droom bezoekt hem niet voor het eerst, maar komt de laatste weken vaker langs in onregelmatige afstanden in verschillende variaties. Elke keer met die speciale warmte en een jacht. De ene keer is hij de jager, een andere keer de prooi. De dromen zijn onverklaarbaar aantrekkelijk. Het goede gevoel overheerst.
Iets in hem wil lopen, draven, rennen, jagen. Zodra hij zijn ogen sluit, ontwaken de beelden en houden hem in zijn greep. Geen enkel idee wat ermee te doen. Zou hij nog klein zijn, zou hij zijn oma waarschijnlijk van zijn nachtelijke denkbeeldige avonturen hebben verteld. In haar wijsheid zou ze vol begrip knikken en overal een antwoord op hebben of een verklaring voor geven. Maar hoe zou hij zo’n gesprek op gang brengen?
‘Weet je, ik word de laatste tijd zwetend wakker en ben doorlopend opgewonden. Weet jij waar dat vandaan komt?’
Het soort gesprek, dat hij liever nooit met zijn oma Alda wil voeren.
„Elmo!“
Mama’s stem wordt gedempt door de akoestiek in huis, klinkt dringender dan nodig.
„Je komt nog te laat op je werk.“
Met een zachte kreun van ergernis wrijft hij over zijn ogen. De echte wereld vormt een vervelend contrast met de beelden van de nacht, die nog enthousiast rondspoken in zijn hoofd.
Met een stevige vloek schuift hij het dekbed opzij, gaat op de rand zitten en bekijkt zichzelf. De erectie is nog steeds op het pijnlijke af aanwezig. Een kleine paniekaanval meldt zich.
‘Laat alsjeblieft, alsjeblieft nu niemand binnenkomen.’
Zonder te bewegen luistert hij naar de geluiden in huis. Geen voetstappen op de trap, hij heeft nog even om zich te concentreren op zijn ademhaling en zijn gedachten in een andere richting te sturen. Vooral weg van de emotionele chaos, die de dromen elke keer achterlaten.
Waaraan hij deze dromen vol passie en hartstocht heeft verdiend, weet hij simpelweg niet. Tot nu toe ontbrak het hem aan interesse. Twee zoenende klasgenoten? Het deed hem niets. Bij het woord ‘seks’ ging zijn fantasie direct op vakantie in plaats van hem te helpen erover na te denken. Tijdens wiskunde merkte hij wel de glurende blikken op, maar zag er alleen een vraag in om zijn aantekeningen te kopiëren. Zelf had hij geen behoefte om het lichaam van anderen uitgebreid, van dichtbij te bestuderen. Wiskunde was voor hem veel eenvoudiger, dichter bij hem, toegankelijk door de duidelijke getallen, rekenregels, formules en aanvullende instructies. Met een gewone omgang was hij al tevreden en van hem hoefde het nooit verder te gaan, niet op het diepere niveau, dat sommigen met elkaar deelden. Maar goed, dit alles is al bijna een jaar voltooid verleden tijd. Hij heeft braaf zijn diploma gehaald en is daarna doorgegaan met ademhalen, zonder een seconde spijt over of verlangen naar die tijd van zijn leven. Het meest uitgebreide contact is tegenwoordig een groet in het voorbijgaan, als hij toevallig mensen van vroeger in de stad tegenkomt.
Op zijn werk, in een café, is het niet veranderd. Hij is beleefd en vriendelijk. Soms is er een blik, soms een glimlach. Hij ziet het en weet niet wat ermee te doen. Teruglachen? Ergens anders heen kijken? Meestal doet hij het eerste en gaat naar de gast. Vooral uit gewoonte, zodat niemand hem kan beschuldigen van slechte omgang. Zijn favoriete gespreksonderwerpen zijn de koffie en het gebak van de dag.
Hierover nadenken laat hem zijn hoofd schudden. De dromen verwarren hem op een manier, zoals hij niet eerder heeft meegemaakt. Zijn donkere haren vallen in zijn ogen. Geërgerd haalt hij een hand door zijn haar. Gelukkig is zijn erectie verdwenen. Afleiding geslaagd! Nu echt opstaan, de slaap uit zijn gezicht wrijven en de resten van de droom naar het spinnenweb te sturen, vlak onder het plafond van zijn kamer. Een beetje tempo is nu nodig, voordat hij voor een derde keer wordt geroepen.
Voor nu is een joggingbroek goed en een blik in de spiegel leert hem, dat zijn haren nog in slaapstand staan. Met een hand brengt hij er meer model in en gapend verlaat hij zijn kamer. Stilte begroet hem op de overloop, maar de geur van warm deeg hangt in de lucht. Het ruikt licht zoet en een klein beetje aangebrand. Alles zoals altijd. Uit de keuken beneden klingt het geluid van servies, dat op elkaar wordt gestapeld.
Half slapend sjokt hij de trap af. De droom zit nog in zijn systeem – zijn voeten voelen zwaar aan, alsof ze drie marathons achter zich hebben en vandaag lijkt te helder, te glad, te realistisch.
In de keuken vindt hij een gedekte tafel met op een bord drie opgewarmde pannenkoeken, vermoedelijk direct uit de supermarkt. Als garnering ligt er een forse klodder marmelade naast. Mama staat bij het fornuis met een kop koffie, die ze iets te stevig vasthoudt. Papa zit op de stoel bij het raam met een geopende krant en de leesbril laag op de neus, zodat hij beschermd is tegen de wereld, voor het geval die te dichtbij komt.
Elmo gaat aan tafel zitten en pakt een eerste pannenkoek. De stilte verraadt, dat iedereen iets wil vertellen, maar niemand de moed heeft om als eerste te spreken. In alle rust smeert hij wat marmelade uit over de deegwaar. Mama schraapt haar keel, „Je komt te laat op je werk, jongen.“
Hoewel ze vriendelijk klinkt, kan ze haar bezorgdheid niet verbergen, zoals altijd, wanneer ze wil, dat alles goed afloopt. Elmo kauwt, slikt het geheel door en reageert kalm, „Ik heb vrij vanwege de zegening en … het Ritueel.“
De stilte kan niet luider zijn.
De krant ritselt en zakt langzaam omlaag. Papa kijkt over het papier heen met een rustige blik in de ogen achter de bril, tegelijk met zijn normale ernst, „Ik dacht, dat wij hadden afgesproken, dat je dat niet zou doen en je zou concentreren op het vinden van een plek op de universiteit.“
Elmo haalt zijn schouders op en houdt zijn ogen op zijn ontbijt gericht. De doordringende blik van Papa, waarachter altijd meer gedachten rondgaan zonder ooit in woorden uitgedrukt te worden, is op dit moment te veel.
„Ik twijfel nog.“
Mama zet haar kop het aanrecht en kijkt hem aan met een zachte, tegelijk radeloze blik, „Je hebt nog zoveel mogelijkheden. Je hebt een goed diploma, je kunt alle kanten op. Gisteren kwam ik mijn oude mentor tegen en heb hem over jou verteld. Hij zou enthousiast reageren, als jij hem je papieren stuurt en ik denk, dat je het daar naar je zin zou hebben.“
Elmo staart naar het bord en houdt de tanden van de vork in de versuikerde vruchtenbrei. Hoe te reageren? Vertellen dat alle opties hem niets doen? Dat hij zich leeg voelt, wanneer anderen over hun toekomstplannen praten? Oma Alda heeft hem verteld over het Ritueel en aan dat gesprek heeft hij een speciaal gevoel overgehouden, het eerste en enige in lange tijd. Kan hij dat kwijt bij zijn ouders? Zwijgen is op dit moment beter en veiliger.
Als kleine jongen heeft hij zich nooit afgevraagd of het Roedel bij hem past. Het was gewoon daar, sprak voor zich. De zonnevanger voor Alda’s raam, die zacht geluid maakte, als de wind erlangs waaide. De kruidige geur van rook, aarde en warmte in Oma’s kleren. Het gelach van kinderen, die op blote voeten door de tuin liepen. Of het zwijgen van de ouderen, niet afwijzend, eerder een soort meditatie. Vroeger had dit allemaal een betekenis en gaf Elmo zin in het leven. Maar met elk nieuw jaar werd dit gevoel minder grijpbaar. De bezorgde blikken van zijn moeder kwamen er voor in de plaats. Ze heeft nooit goed begrepen, dat er iets in hem is, dat zorgt voor een onderhuidse rusteloosheid.
De afkeurende ogen van zijn vader kregen meer gewicht dan de optimistische woorden van zijn grootmoeder. Bij thuiskomst was het niet meer belangrijk, hoe snel zijn wolf in de boom was geklommen, welke stemmen in de wind hadden gezongen. Zijn ouders wilden weten of hij naar een verjaardagsfeest van een klasgenoot ging, de zomervakantie op een jongeren kamp wilde doorbrengen en natuurlijk of hij al had geleerd voor de volgende toets, want elke dag bij je oma op bezoek gaan is niet echt het goede voor een opgroeiende jonge man.
Stap voor stap is hij steeds verder in die andere wereld getrokken. De wereld van duidelijke structuren, heldere antwoorden, huiswerk, cijfers, sollicitaties, waarbij de oude rituelen meer en meer een sage werden – iets vreemds, dat op steeds grotere afstand kwam. Alle anderen maakten plannen. Een studie, een jaar naar het buitenland, werken, beroepsopleiding. Elmo heeft instemmend geknikt en goede cijfers gehaald, simpelweg omdat het hem lukte, maar op de een of andere manier deed het hem niets meer.
Zijn diploma was Cum Laude en aangezien hij niet wist wat hij met zichzelf of zijn leven zou doen, kwam het werk in het café hem goed uit. In principe bestaat hij, doorstaat elke dag met een glimlach en doet, wat van hem wordt verwacht.
Kort daarna stond Alda’s verjaardag op de kalender. Hoewel hij sinds jaren zelden op het terrein van het Roedel kwam, nodigde zij hem uit met een ouderwets kaartje, op de achterkant een tekening van hem, toen hij ongeveer drie jaar oud was. Een zon, een huis, oma met een stok in haar hand. Vroeger dacht Elmo, dat die stok een toverstaf was. Zodoende is hij op de fiets gestapt en naar oma gegaan, al was het een stevige afstand.
Bij aankomst viel hij bijna om door alle geuren. Meer dan de versgebakken cake of de kruidige accenten voelde hij de geur van aarde, van wind, van het Roedel tot in elke vezel. Deze aantrekkingskracht kwam uit het niets.
De tuin was vol, meer dan vol. Naast alle potten met kruiden, de kleine, glimmende schijven en linten, die in de windstilte heen en weer bewogen, heel veel mensen en iedereen vierde de verjaardag van Oma, die ergens in het midden van deze vrolijke chaos stond. Een stevige vrouw op leeftijd in een wapperende jurk op blote voeten en met losse haren.
De uitgebreide omhelzing werd gevolgd door lezende ogen en een blik, die dingen zag, die hij zelf niet begreep. De vreugde en liefde in de ogen raakten hem, al voelde hij zich niet de beste kleinzoon ter wereld, gegeven zijn onregelmatige bezoeken aan haar. Ergens die middag kwam de terloopse mededeling, terwijl ze kruidenkoekjes rond liet gaan en hem een mok in zijn handen drukte.
„Dit jaar mag je meedoen, mijn schat. De zonnewende. Ik hoop, dat je er klaar voor bent.“
Eigenlijk wilde hij op dat moment lachen of haar tegenspreken, in elk geval iets zeggen. In plaats daarvan heeft hij alleen geknikt, omdat op onverklaarbare wijze hij plotseling een drang voelde opkomen. Een aangename vibratie in zijn buik. Zijn innerlijke wolf, die al jarenlang heeft gezwegen, meldde zich met gespitste oren. Geen gehuil of gejank, maar gewoon … wakker en met een kleine grom aanwezig. Dit gevoel was het vreemdste aan de hele situatie. Alda’s aankondiging voelde als een warme uitnodiging, de gedachte op zich als thuiskomen.
Het spreekt voor zich, dat zijn ouders allesbehalve enthousiast waren … en zijn. Elmo kijkt net op van zijn restje pannenkoek, als zijn ouders alleen oog voor elkaar hebben. Hij kent die blik, die sporen in zijn ziel heeft getrokken. Het duurt niet eens lang, voordat Mama en Papa het eens zijn. Veel meer dan een bewegende wenkbrauw van Papa en een lichte hoofdknik van Mama is het niet. Ruim voldoende om tot actie over te gaan. Elmo verwacht, dat het oude liedje elk moment tevoorschijn komt … en hij krijgt gelijk.
„Elmo, wat heeft het Roedel je ooit gebracht?“, opent Papa de aanval met een rust in zijn stem, die tegelijk vastberaden klinkt en geen enkele tegenspraak duldt. Langzaam haalt Elmo zijn vork door de marmelade.
„Je bent een slimme jongen. Je hebt de kans je zelf te ontwikkelen, zodat je een vrije man wordt.“
Mama zwijgt, terwijl haar ogen spreken.
„Je moet je zelf bevrijden, zodat jij je niet verliest in die wereld van bijgeloof en andere nonsens.“
In allerlei variaties heeft hij dit vaker gehoord. De toon is altijd dezelfde – geen schreeuw, geen woede, maar een teleurgestelde waarschuwing. Alsof ze hem proberen tegen te houden in een greppel te springen, waar alleen bij extreme regen een klein beetje water in staat. In werkelijkheid gaat niet om hem, maar om Papa. De man heeft een eigen verhaal met het Roedel, dat nooit hardop is uitgesproken, maar verteld wordt door afwezigheid en zwijgen. Hoe graag zou hij het niet willen vragen of eerder schreeuwen.
‘Voor jou was het misschien niets, maar is daarmee ook voor mij niets?’
Helaas, het lukt hem niet, omdat je in deze familie zoiets niet vraagt. Alleen Oma heeft hem ooit in vertrouwen genomen en met verdriet in haar stem over de verloren zoon verteld, die met een hart vol woede en aangeslagen trots nooit meer een voet op het terrein wil zetten, daarvoor in de plaats tussen ‘gewone’ mensen leeft, een aantrekkelijke vrouw heeft ontmoet en extreem consequent probeert zijn hele verleden uit te wissen, gemaskeerd door die eeuwige blik, die de wereld op afstand houdt. Zodoende blijft Elmo stil en prikt in zijn pannenkoek, die nergens naar smaakt en naar zijn idee nog een minuut langer gebakken had mogen worden.
Mama pakt haar mok en drinkt hem leeg, „Ik moet zo weg naar het lab, ik ben al laat.“
In het voorbijgaan streelt ze zacht met haar hand over zijn schouder. Een gebaar om voorzichtig, bijna verontschuldigend, te laten weten, dat ze van hem houdt, „Pas goed op je zelf? En doe geen domme dingen.“
Elmo knikt. Zonder haar aan te kijken. Tegelijk vouwt Papa de krant helemaal op en komt van zijn stoel. Nog steeds met een blik in zijn ogen, die non-verbaal een mengeling van strengheid, bezorgdheid en teleurstelling uitdrukt, „We hebben al jaren geleden besloten, dat je niet aan het Ritueel meedoet en daarbij blijft het. Op een dag zal je er ons dankbaar voor zijn.“
Met deze grimmige woorden verlaat ook hij de keuken en Elmo blijft alleen achter met een laatste, koude pannenkoek en rondvliegende gedachten.