De anderen zijn er al, wanneer Dario zich aansluit en de schaduw inruilt voor de zon.
Corvin leunt tegen een houten paal met zijn armen over elkaar en een grasspriet in een mondhoek. Zijn donkere krullen in de war, zijn kleding een versleten broek en een shirt, geen schoenen. Stil en toch aanwezig. Alles zoals altijd. Zijn ogen dwalen over de open plek en hij glimlacht als hij Dario opmerkt.
„Daar komt de prins,“ begroet Tarje hem met open armen. Zijn blonde haar is altijd perfect, verder is Tarje nooit te serieus of wil te lang bij een onderwerp stilstaan. Zijn welkom is net zo vertrouwd als zijn rol van clown.
„Met het morgenrood op zijn wangen,“ voegt Gilgian toe, die zich omdraait en met een denkbeeldige zakdoek verkoeling aangeeft. Hij lijkt te snel te zijn gegroeid met lange armen, grote handen. Zijn bruine ogen lachen vaak en blijven soms te lang naar hetzelfde kijken, ook wanneer hij denkt, dat niemand het ziet. Het luide gelach werkt bevrijdend en de brengt de rest terug in de groep.
„Jullie zijn zo dom,“ mompelt Jaquan, die door zijn lange haar de wereld bekijkt. Vandaag met een vlecht erin. Hij is net terug van twee jaar afwezigheid op veel zonniger plaatsen en komt veel volwassener over dan voor zijn vertrek. Onder het hoekige, smalle gezicht een shirt, een rok en vooral veel gebruinde huid. Zijn droge humor kan iedereen verrassen, „Je weet, dat Alda de ramen open heeft staan?“
„Ze mag het allemaal horen,“ vindt Rulan, die staand van het ene op het andere been wisselt, alsof hij onder stroom staat. Hij is de volgende met warrig haar, nu in een blonde versie en lacht breed. Hij beweegt zich dansend met lichte passen. Vandaag is bijna niet te stoppen, „Misschien is ze zo sneller en komen wij eerder toe aan het fijne deel.“
Dario lacht mee met de groep, laat zich door Tarje aan zijn schouders vastpakken, incasseert van Gilgian een paar brutale opmerkingen en geeft Jaquan een boks in zijn zij. De lichaamstaal, de reacties en de gebruikelijke dosis snuiven, knikken, overtroeven als ze onder elkaar zijn. Alles normaal in deze groep.
„Hebben jullie gisteren gezien hoe de zus van Zafrina keek?“, stoot Tarje Gilgian aan, die het direct oppakt en met een falsetstem zingt, „Oh Dario, vang mij, gooi mij op de grond en niet op mijn goede kant.“
„Niet mijn type,“ denkt Dario niet eens na en direct heeft hij meerdere uitdagende ogen op zich gericht. Jaquan grijnst, „Je pakt haar niet van mij af? Goed om te weten.“
„Je kan haar niet eens vangen,“ werpt Rulan tegen en trekt zijn neus op als een jonge wolf, die voor het eerst de wind voelt opsteken, „Ik zweer het jullie, mijn wolf … trilt al sinds zonsopgang. Ik wil rennen, grijpen, nemen, voelen.“
Jaquan mompelt, „Rulan moet zichzelf motiveren, anders gebeurt er niets in de broek.“
„En daarmee welkom in het stuwmeer van testosteron. Vandaag in de aanbieding: angst, zweet en spontane erecties!“, klapt Gilgian een keer met zijn handen. Iedereen lacht, zelfs Dario.
De warmte van gisteravond is onder ieders huid gekropen, tussen de gedachten over een manier van leven, die stil ten einde loopt. Zoals elk jaar op de avond voor het Ritueel zaten ze bij elkaar, rond de vuurplaats achter het gemeenschapshuis. De meiden op dekens, de jongens op de grond. Dit jaar namen ze zelf deel en waren de meiden uitdagender, de jongens overmoediger dan in andere jaren. Vandaag komen ze bij zonsondergang bij elkaar om dit eeuwenoude, deels genetisch bepaalde, ritueel uit te voeren, zodat te zijner tijd het voortbestaan van het Roedel verzekerd is.
Panja wilde geen deken, Dario’s schoot was beter. Na de wijn had ze blozende wangen, leunde half tegen hem aan, probeerde af en toe een andere verleidelijke houding, alles om zich dit later te kunnen herinneren. Terwijl ze met anderen praatte, verdween haar hand onder zijn shirt, streelde over zijn buik, was ze vertrouwd dichtbij hem. Dario heeft haar vastgehouden, stevig genoeg om het goed over te laten komen, los genoeg om zelf niet te stikken. De onderwerpen wervelden – wie wat weet, wat er komt, wie met wie, wie tegen wie, wie sterk of mooi genoeg is en natuurlijk wie bij wie zou passen. Tarje maakte er een lijst van en combineerde met takjes op boomschors hardop allerlei namen, terwijl Gilgian de dramatische achtergrondmuziek verzorgde, „Het perfecte paar inclusief analyse van de sterrenbeelden! Natuurlijk met Dario en Panja bovenaan. Zon en vuur, heet als tien zomers bij elkaar!“
Het leverde Gilgian gelach en applaus op, terwijl de flessen rondgingen. Tussen de gloed uit de vuurkorven, het geknetter van brandend hout, keek Dario om zich heen, naar elk gezicht, elke houding, en wist opeens, dat dit een afscheid was, onuitgesproken, verstopt onder al het andere.
Misschien omdat niemand wist, hoe het er morgen uitziet, wat er onmiskenbaar en definitief zal veranderen in en tussen iedereen. De stemming was als een strak gespannen snaar. Te luid lachen, te grove grappen, te fel reageren, te opzichtig jezelf etaleren en daarmee vals. Want iedereen was bang voor de stilte, die als koude nevel zich een plek dreigde te veroveren in de groep. Stilte betekent nadenken en dat wilde niemand gisteravond. Alleen Jaquan trok zich er niets van aan. Hij wilde geen alcohol, ook niets van de zelfgemaakte bramenwijn van Tarje, waar iedereen voor viel en sommigen later letterlijk van omvielen. Jaquan maakte wel indruk, „Ik wil helder blijven. Als het morgen zo belangrijk is, dan wil ik weten wie ik ben en waar ik sta.“
Vanmorgen heeft de spanning ook Jaquan bereikt, die te vaak naar de grond staart en regelmatig door zijn opgebonden haren glijdt met een hand. Bij Tarje’s volgende grap over Zafrina’s heupen, lacht hij mee. Kort, luid en leeg.
Dario voelt, dat Corvin naast hem komt staan. Een vertrouwde schaduw in zijn ooghoek. Corvins schouders zijn breder, zijn ogen registreren alles en hij praat niet zo veel, zijn aanwezigheid werkt als een regelmatige hartslag. Corvin is constant oprecht. Dario kijkt eens goed opzij en merkt bij Corvin spanning op rond zijn mond. Verder valt niets op, alleen lacht hij korter dan anders. Zijn armen houdt hij over elkaar in een poging niet te veel van zichzelf prijs te geven. Corvin kijkt terug, open, onbevangen en knikt. Waarmee hij alles zegt.
Het roept bij Dario een herinnering op, hoe ze elkaar hebben ontmoet als jongetjes van acht. Luana en Hiltwin waren met Dario teruggekeerd naar hun wortels, zoals zijn moeder het uitdrukte, na jaren overal en nergens rondzwerven. Tot dan kende hij alleen zijn ouders, hun stemmen en hun onuitgesproken hoop. Voor de andere jongens was Dario een nieuw gezicht, dat van buiten kwam en niet wist welke boom welke functie had, waar je het beste in het meer kon springen en welke gebruiken het Roedel had door het jaar heen. Corvin was ook toen al wat stiller, stelde geen vragen, maar observeerde en ging op de tweede dag naast hem zitten, terwijl de rest een moddergevecht hield, en zei, „Als je wilt, laat ik je zien, waar de vogels het mooiste zingen.“
Dit markeerde het begin van Corvin en Dario als koppel. Ze trokken samen op, omdat beiden niet goed pasten in de chaos van de anderen. Corvin met zijn diepgang, Dario met zijn drang om het goede te doen. Als ze ‘s nachts niet konden slapen, maakten ze de ander wakker om samen op daken te klimmen of in het woud rond te dwalen, sterren te tellen.
Nu staan ze naast elkaar, eigenlijk net zo als twaalf jaar geleden, wel groter en krachtiger, allebei voorzien van een eigen wolf, die langzaam tot leven komt en beide met het idee, dat vandaag veranderingen brengt. Dario wil iets zeggen, wat hij normaal moeilijk kan uitdrukken, maar wordt onderbroken door de chaos om hen heen.
„Hey, heb je gezien hoe die blonde keek? Ze scheurt je in stukken als je zo langzaam bent.“
Er wordt hard en grof gelachen. Gilgian maakt een obsceen gebaar en krijgt een duw van Tarje, „Als ik haar grijp, gaan we direct trouwen.“
„Als ze niet sneller rent dan jij, dan is ze blind of de weg kwijt of ze heeft haar been gebroken,“ pareert Gilgian weer. Rulan breekt er tussen, „Dario, zeg eens wat! Jij krijgt weer de mooiste! Wedden?“
De schreeuw om aandacht haalt Dario terug de groep in. Langzaam draait hij zich half naar de anderen, zet zijn gewicht op één been en toont een deels spontane grijns, „Als jullie zo doorgaan, eindigen jullie in Alda’s kruidenkelder in plaats van bij een meisje.“
„Kruidenkelder is beter dan een kuisheidsgordel,“ wrijft Rulan met veel theater over zijn kruis. Het gelach lijkt meer op een roep om zich te verzamelen, inclusief een klop op de schouders. Gilgian brult het hardst en wrijft over zijn buik, alsof Dario net de beste grap van de dag heeft gemaakt. Tarje laat zich in het gras zakken en geeft zijn imitatie van een heilig slachtoffer van de genezeres. Natuurlijk speelt Dario mee. Het is gemakkelijk om deze kant van zichzelf te laten zien. De jongen, die weet wat hij doet, die iedereen vertrouwt, de ongekroonde koning en de meest zekere kandidaat voor het Ritueel. Daaronder, verborgen onder zijn borstbeen, diep achter zijn ribben, zit een scheur. Met moeite te ontdekken, maar zeker aanwezig. De jongens gaan door. Tarje haakt aan, „Stel je voor, dat je een meisje krijgt, dat jou niet wil. Wat doe je dan? Stuur je haar bloemen?“
„Ik stuur haar een tekening van mijn beste troef in cadeaupapier,“ reageert Gilgian brutaal. Tarje buigt zich dubbel van de lach, „Dat zal haar op andere gedachten brengen. Een wonder, dat je normaal loopt, met zo’n groot ego tussen je benen.“
Dario lacht even mee, omdat het van hem wordt verwacht, niet omdat dit zo’n humorvol hoogtepunt is. Een van de anderen duwt tegen Tarje’s ribben, stevig en vriendschappelijk, „Waarschijnlijk ben je de eerste in eeuwen, die wordt afgewezen door een meisje. Maar met jouw gezicht weet je het nooit helemaal zeker!“
Het volgende luide gejuich heeft een ondertoon van het huilen als wolf. Dario doet vrijwel automatisch mee.
„Hé, Dario, als je straks daar binnen bent, vertel de oude vrouw, dat ze jullie allebei moet zegenen. Dan herkent Panja jouw wolf niet meer, omdat je heilig bent en blijft meer voor mij over.“
Dit is zo absurd, dat Dario het uitproest, ondanks zijn onderliggende gevoelens.
„Ik waarschuw alleen maar, voor het geval je weer de mooiste van mij afpakt.“
„Iemand zoals jij? Wie jou wil, bespaart mij veel moeite,“ pareert Dario nonchalant.
Iedereen valt stil, alle ogen gaan naar Alda’s huis. De plek waar iedereen wel eens is geweest, na een val uit een boom of een te scherpe rand van een rots, voor verzorging en troost. Bij dat huis is zojuist de deur geluidloos opengegaan. Voor één iemand is het wachten voorbij. Vervolgens klinkt een kalme, heldere stem, die gedragen wordt door iets, dat ouder is dan elke ongeschreven regel in het Roedel, „Dario.“
Alleen zijn naam en dat is genoeg. Voor een moment lijkt de grond onder hun voeten te trillen, terwijl de rest de adem inhoudt.
Dario stapt naar voren, op de automatische piloot zet hij de ene voet voor de andere en kijkt nog een keer om, voordat hij verder loopt. Precies op dit moment maakt hij onbedoeld oogcontact met een andere jongen. Ondanks de vage, bijna wazige herinneringen herkent hij hem direct. Elmo, Alda’s kleinzoon, die buiten het Roedel woont en zelden bij zijn Oma wordt gesignaleerd. Dario weet niet eens of Elmo hem eerder is opgevallen, tot nu toe was hij een stip in zijn ooghoek, een schaduw tussen anderen. De helderblauwe ogen tonen een doordringende, heldere, wakkere blik, die doordringt tot op zijn kwetsbare plekken. Echt verklaren kan Dario het niet, Elmo bereikt hem waar hij anderen geen toegang verleent. Het is anders dan flirten, elkaars rivalen zijn ze zeker niet, maar wat gebeurt hier? Alles om hem heen lijkt stil te staan, terwijl hij zich voortbeweegt.
Dario houdt het niet uit, kan de intense ogen maar kort aan en draait zich verder om. De anderen geven Dario een hartelijke omarming, schouderklop of een bemoedigende glimlach mee. Corvin fluistert snel, „Ga en haal je teken, toekomstige Alpha.“
Dario loopt naar de beschermende veiligheid van het huis, waar Alda een stap opzij doet om hem binnen te laten, de deur te sluiten en waar zijn ogen moeten wennen aan het weinige licht. De kamer is gevuld met het zwakke licht van kleine kristallen, die als gloeiende kolen in de schaduw hangen. Rook vult de lucht, zonder hem de lucht te nemen, zwaar van onbekende geuren, daaronder iets scherps en iets zoets. Hemel en aarde komen in één ruimte samen. Dario moet wel stilstaan om alles op zich te laten inwerken.
Op zich kent hij deze kamer, zoals iedereen in het Roedel. Alda’s huis is de combinatie van hout en magie, een plek, waar een wolf net zo thuis is als in het woud. De bewoonster verschijnt voor zijn ogen en gebaart hem te volgen. Het golvende haar beweegt in hetzelfde ritme als de rest van haar kleding. Waar ze ook is, haar aanwezigheid maakt dingen makkelijker. Tegelijk kan ze iemand een zware last meegeven.
„Dario, je bent groot geworden,“ klinkt haar stem alsof ze hem eerder heeft gevoeld dan gezien. Hij doet een stap in haar richting en glimlacht oprecht, maar zwak, „Zoveel is er niet meer bijgekomen de laatste jaren.“
Net zoals iedereen, die voor eerst mee mag doen aan het Ritueel, is hij nu twintig en op die leeftijd is een groeispurt zo goed als uitgesloten. Hij heeft met zestien zijn lengte bereikt en is daarna alleen in de breedte gegroeid, een gevolg van alle trainingen. Alda glimlacht op zo’n manier, dat hij zich ontmaskerd voelt in plaats van te horen, hoe hij zich zou moeten voelen.
Zijn grootmoeder is ze niet, al zal hij zeker niet de enige zijn, bij wie ze dat gevoel oproept. Vroeger smeerde ze zalf op zijn knie, als hij daarop gevallen was. Toen zijn moeder voor het eerst met natte ogen voor haar huis stond, omdat ze onzeker over haar plek in het Roedel was, heeft Alda hem getroost door haar armen om hem heen te slaan. Ze heeft samen met hem gezwegen, wanneer hij last had van te veel drukte in zijn hoofd, die hij niet in woorden kon uitdrukken. Waar Alda is, mist hij anderen niet meer. Dario mag haar en dat komt recht uit zijn hart.
Vandaag reageren zijn schouders op haar oude, heldere ogen, die alles zien, ook wat hij zelf niet ziet. Geen vraag of hij er klaar voor is, in plaats daarvan observeert ze hem en trekt haar eigen conclusie, want ze knikt rustig en wijst naar een kruk in het midden van de kamer, „De lucht is vandaag onrustig. Het wordt een speciale dag.“
Hij knikt, hoeft niets te zeggen, volgt zijn gevoel en zit al, voordat hij beseft, dat hij is gaan zitten om daarna ongevraagd zijn shirt uit te trekken. De cirkel op de vloer om hem heen toont Alda’s verzameling aan willekeurige voorwerpen, die samen voor de genezeres een speciale betekenis hebben. Alda gaat achter hem staan, haar vingers strijken over zijn voorhoofd en hebben een verkoelend effect. Het is een zalf.
Dan loopt ze om hem heen en raakt zijn borstkas aan. Haar vingers tekenen een symbool met olie. Hij voelt, dat iets in hem reageert. Alda merkt zijn reactie en fluistert, „Ademen, Dario, accepteer het.“
Hij zuigt zijn longen vol en daarmee bereiken de geuren zijn neus. Alda spreekt, oude woorden uit een oude taal. Het is meer neuriën dan spreken, wat de lucht laat trillen, de rook laat dansen en het licht in druppels opbreekt. Ondertussen begint iets in hem steeds sterker te gloeien en van zijn vingertoppen tot diep in zijn buikholte te trillen. Zijn wolf kijkt op en volgt gefascineerd wat hier gebeurt.
Ineens is hij met al zijn zintuigen in het hier en nu aangekomen, terwijl de warmte van binnen zich door zijn hele lichaam uitbreidt. Alda komt terug in zijn gezichtsveld, gaat voor hem op haar knieën zitten. Haar ogen zijn iets donkerder, haar stem iets rauwer dan eerder. Haar ogen houden hem op de kruk en Dario voelt zich ineens kwetsbaar, al beantwoordt hij het oogcontact. Zijn normale houding en glimlach zijn te weinig voor Alda, die een hand op zijn schouder legt. De oude vingers hebben meer kracht dan de spieren in zijn schouders.
„Niet elke jager zoekt iets om te vangen.“
Een mystieke zin, zacht met scherpe randjes. Dario voelt enkele spieren uit reflex samentrekken. Alda’s stem blijft rustig en vriendelijk, terwijl haar duim over zijn bovenarm streelt, „Vertrouw op jezelf, op je instinct en vergeet niet te ademen, jongen.“
Ze drukt nog een flesje olie in zijn hand, laat hem los en hij trekt zijn shirt aan, hoort alleen het geritsel van haar gewaad als ze een paar stappen achteruit loopt. Dario blijft zitten, misschien langer dan nodig, om de woorden te verwerken. Ze breken iets in hem open, laten zijn innerlijke druk verdwijnen en dat proces doet pijn. De woorden raken hem op een plek, die hij tot nu toe zorgvuldig heeft afgesloten. Ongewild houdt hij even zijn adem in, misschien net te lang, want iets beweegt hem. Met een ruk staat hij op, de kruk rolt over de vloer en voelt, dat zijn lichaam te veel energie heeft, die naar buiten wil. De achterdeur is dichterbij. De deur, die hij als kind gebruikte, wanneer de ouderen over verantwoordelijkheid spraken. Op dit moment een vage rechthoek voor zijn ogen, desondanks vindt hij de deur en gooit hem open. De rook binnen ruilt hij in voor de warmte van de zomer.
Dario rent weg, het woud in, waar de grond zijn vriend is, waar bladeren zijn voeten kietelen, waar takken naar zijn armen reiken, waar de geur van mos en bloeiende planten zijn longen vult. Het is niet meer lopen, ook geen rennen, het wordt springen met zoveel kracht, dat het voor mensen niet meer te controleren is. Dario laat zijn wolf het overnemen.
Alle spieren in zijn lichaam worden geactiveerd, spannen en ontspannen zich, terwijl ze zich voorbereiden op de schok. Grommend haalt hij adem en loopt verder op … vier poten, terwijl zijn vacht dikker wordt en zijn hartslag versnelt. Hij is niet meer Dario, hij is zijn wolf en draaft verder het woud in, op zoek naar meer rust en meer schaduw tussen de bomen. Zijn instinct weet waar hij heen gaat. Midden in het woud, waar nog nauwelijks zonlicht de bodem bereikt, is hij op zijn doel aangekomen en voelt zich … vrij.