De nacht kondigt zich aan door de lucht in violet, goud en zacht blauw te verkleuren. Deze avond of nacht brengt veranderingen op gang. Iedereen voelt het, een enkeling spreekt het hardop uit. De open plek, op andere dagen een rustig, slapend plein tussen oude bomen, is vandaag gevuld met leven. De vuurkorven zijn wat eerder dan normaal aangestoken en laten de plek onwerkelijk warm overkomen. Exotische geuren stijgen op en de rook drijft in lange pluimen boven het gras. Schaduwen dansen over gezichten en over de houten palen, die de cirkel in het midden markeren.
Dario is al eerder teruggekeerd van zijn ronde ‘de wolf uitlaten’ en kent de reden achter de geuren. Alda heeft in elke vuurkorf kruiden gestrooid. Dan heeft het een diepere betekenis, die hij niet kent. Voor Dario zijn kruiden gewoon nuttige planten, die het eten beter laten smaken of wonden sneller laten genezen.
De ouderen zitten of leunen achterover, de gesprekken worden op zachte toon gevoerd. De kinderen rennen in kleine groepen rond. Ze spelen hier, totdat hun ouders ze opvangen, wanneer ze moe zijn, tussen de gelukkige jongens en meiden, die door Alda gezegend zijn en van een symbool voorzien. Ze staan in twee rijen langs beide kanten, gescheiden door een grens van stilte.
Dario staat bij zijn vrienden. Jaquan naast hem, licht voorovergebogen, zijn ogen onrustig. Rulan meer naar voren, zwaait en praat met zijn armen, geeft Tarje een duw, die prompt lacht. Corvin iets opzij met de ogen op het vuur dichtbij gericht in plaats van op de andere rij. Gilgian dringt zich er tussen en kan nauwelijks zijn benen stilhouden en na een paar seconden ook zijn mond niet, „Stel je voor … De genezeres komt vandaag in haar gewaad met eronder alleen wind en hoop.“
„Alsjeblieft niet, dan kan ik direct hier in het stof bijten,“ kreunt Rulan geacteerd. De twee lachen. Tarje valt bijna tegen Corvin aan, die hem afweert en zijn hoofd schudt bij de ongepaste opmerking over hun genezeres.
Dario lacht kort mee, geoefend, zijn gezicht laat zien wat het op andere momenten ook toont. Van binnen voelt hij zich stil. Desondanks begrijpt hij de opmerking. Ze zijn allemaal opgewonden, aangejaagd door de verwachtingen en onder de vooruitzichten. Sinds de zegen en het rennen is zijn eigen wolf direct bij hem. Niet huilend, grommend, agressief of wild, maar alert, rusteloos, gehaast en klaar om erop uit te trekken. Het is moeilijk om hem op afstand te houden en de drang te onderdrukken om op elk gebaar, elk geluid, elke geur en vooral elke beweging te reageren. Kalm, tegelijk vastbesloten houdt hij zijn hand op zijn dijbeen, zodat hij iets voelt, dat er niet met hem vandoor gaat. Zijn instincten, zijn diepste wensen zijn tijdens de ceremonie naar de oppervlakte gereisd en willen zich niet meer verstoppen.
Zijn ogen dwalen over alle aanwezigen. Luana staat helemaal buitenaf, aan de rand, tussen twee andere moeders. Ze heeft zich feestelijk gekleed met een meerkleurige sjaal, haar kapsel compleet in model gebracht, haar handen in elkaar en straalt van trots. Wanneer ze hem ziet, steekt ze haar hand op, zwaait enthousiast en Dario ziet haar ogen fonkelen. Ook zijn moeder heeft een eigen wolf in zich, maar veel beter onder controle dan hij zelf. Mechanisch glimlacht hij even naar Luana en … naar Hiltwin, die opeens naast zijn moeder opduikt, als altijd rustig – alleen een hoofdknik, geen uitbundige bewegingen – en vandaag in donkere kleuren onderweg. Dario beantwoordt de groet. De betekenis is dieper. Vandaag is een test, maakt Hiltwin duidelijk.
Dario’s ogen zoeken verder en vinden Panja aan de andere kant van de cirkel, in het midden van drie jonge vrouwen, allemaal op blote voeten, met los haar en in lichte stoffen gekleed. Ze lacht om iets, dat een vriendin in haar oor fluistert en draait zich ineens naar hem met warme ogen, terwijl haar vingers gebaren, van een zoen via verbinding naar bezit. Dario maakt een instemmend gebaar en knipoogt. Dit is haar spel en hij doet mee. Van binnen voelt hij geen enkele reactie. De beroemde vlinders zwerven elders rond. Het brandende verlangen is in de vuurkorf in rook opgegaan. De diepe echo van leegte in hem laten zijn ogen naar zijn eigen groep kijken, naar de jagers.
De meeste anderen kent hij, maar er zijn ook nieuwe gezichten. Jonge mannen uit andere Roedels, die op zich te klein zijn om met succes een eigen Ritueel te organiseren of die rondreizen en nu van de gelegenheid gebruik maken. De eerste van de reizigers is drie weken geleden aangekomen. Dario heeft met de meesten al kennisgemaakt, ‘s avonds rond het vuur gezeten, een bier gedronken en naar hun verhalen geluisterd. Hij vond het heerlijk zich te verliezen in hun woorden en in zijn hoofd mee op reis te gaan, over dingen te horen, die hij nog niet kent en misschien nooit uit eigen ervaring leert kennen. Een hoofdknik naar één van hen levert een bemoedigende glimlach retour op, begeleidt door een opgestoken duim.
Zijn ogen gaan verder rond en ontdekken aan de rand Elmo, die net een halve stap te ver weg van anderen staat om deel van een groep te zijn. Met rechte schouders, met totale ontspanning op het gezicht en zijn ogen gericht op de grond voor hem. Hoewel Elmo dezelfde kleding draagt als de andere jagers – alleen een linnen broek met een koord – komt hij anders over. Geen spoor van onzekerheid, eerder in rust en vrede met zichzelf. De juiste persoon op het juiste moment op de juiste plaats?
Zo lijkt het te zijn, besluit Dario en zoekt de verschillen met zichzelf. Zijn broek kleeft aan hem door de warmte en de rook, zijn borstkas toont de onderliggende spanning. Aan zijn koord bungelt het flesje olie van Alda. Niet iedereen heeft dat gekregen of sommigen zijn het vergeten bij zich te houden. Verder is iedereen gelijk. Stof van de open plek onder de voeten en afgezien van de driekwart broek is elke jonge man naakt, kwetsbaar, klaar, open, onbeschermd. Het is afwachten tot de roep, die de lucht laat vibreren. Het nog werkende deel van zijn geest vraagt zich af, of de wolf in hem hier naar verlangt, want die meldt zich weer met iets meer nadruk.
Rulan geeft hem een lichte duw tegen zijn schouder en fluistert, „Het begint zo.“
Het helpt hem om terug te keren naar zijn directe omgeving, terug te gaan naar wat er van hem wordt verwacht.
Bernardo stapt naar voren. Al twaalf jaar zijn Alpha. Altijd met kaarsrechte rug, breed gebouwd en met een innerlijke rust, die kracht uitstraalt en in principe aangeboren is. Ook hij ziet er verzorgder uit dan op andere dagen. Zijn heldere ogen spreken, zijn hard wanneer het nodig is, meestal warm voor wie hij de Alpha is. De paar stappen naar het midden zijn voldoende om iedereen stil te krijgen. Alda volgt hem, haar passen zijn iets korter. Ook zij loopt met een rechte rug, in een ander gewaad dan eerder vandaag en ook zij hoeft niets te zeggen om aanwezig te zijn en iedereen onder te dompelen in haar warmte.
Bernardo kijkt rond en concludeert met een tevreden lach op zijn gezicht, dat iedereen er is. Met zijn welluidende stem opent hij de avond, „We begroeten jullie op deze dag, op deze dag, om een oude roep te volgen, ouder dan onze namen, onze huizen, ons verleden.“
Bernardo draait zich nu meer naar de jonge mannen en vrouwen.
„Vandaag treden onze jonge wolven in het licht. Ze dragen het vuur in zich, waardoor we blijven bestaan. Ze dragen de roep, zelfs als ze nog niet beseffen. Ze dragen de verantwoordelijkheid, voor zich zelf, voor elkaar, voor ons en voor elk roedel, dat zij met hun stappen naar de toekomst brengen.“
Een lichte bries bereikt de open plek, waardoor het vuur onrustig brandt en de rook zich breder verspreidt.
„Sommigen komen van ver. Jullie hebben de roep gehoord en zijn gekomen. Dat spreekt voor jullie. Vandaag beslissen naam noch plaats noch afkomst. Alleen jullie eigen wolf kiest.“
Bernardo neemt de tijd om naar elke jonge man en vrouw te kijken, met een kalmte, die effectiever is dan elk woord of gebaar.
„Als je elkaar herkent, laat het toe en zo niet, ga dan verder. Niet elke roep vindt vandaag gehoor. Vertrouw op je wolf om je te leiden. Alda, is iedereen zover?“
Alda’s ogen glijden onderzoekend over de jonge wolven. Ze voelt aan wie er klaar voor is, heeft haar handen gevouwen en knikt kort naar Bernardo, die een stap terug doet en zijn hand opent. Voor Alda het signaal om te beginnen. Als eerste een stap naar voren. Haar beweging is niet veel meer dan wat geritsel, maar heeft het effect van een onverwachte blikseminslag na groot onweer.
Dan wandelt ze naar de rand van de open plek, de toegangspoort van het woud, en knikt naar de jonge vrouwen, die beginnen aan hun gedeeltelijke transformatie. Vooral de ogen veranderen, het licht geeft een andere reflectie en de bewegingen worden minder mens, meer dier. Deze eerste stap laat de wolf in hen wakker worden, laat ze scherper ruiken en met meer kracht reageren.
Alda let op iedereen en wanneer ze tevreden is, wenkt ze met haar handen. De meiden halen adem. Een commando is overbodig, net zoals een huil om de groep aan te sporen. Alleen de wind verandert van richting. De groep komt in beweging. Wit linnen danst om de lichamen, blote voeten veroorzaken een kleine stofwolk, de jonge vrouwen rennen … over de open plek naar de eerste bomen en verdwijnen in het woud. Als geesten zo snel en vrijwel zonder geluid.
Zodra de eersten uit zicht zijn, gaat er een schokgolf door de groep jongens. De spanning bouwt zich verder op. Benen, armen en de bovenlichamen doorstaan een trilling. Roerloos stilstaan wordt een onmogelijke opgave. De kaken worden op elkaar geklemd, de handen gebald, hier een zucht, daar een grom en ogen staren vurig in de duisternis, waar de groep in is verdwenen. De wolven in hen ontwaken. Wie het voelt, merkt het andere hartritme. Het trillen anticipeert op de komende … jacht.
Jaquan staat meer in elkaar gedoken, klaar om toe te slaan. Rulan schuift met zijn voet over de grond, bereidt zich voor op een stevige afzet. Gilgian heeft zijn neus in de lucht, ruikt elk kruid van Alda afzonderlijk. Corvin beweegt niet, maar zijn borstkas gaat heftig op en neer. Dario haalt langzaam en diep adem. Zijn wolf zit dicht onder zijn huid en hij wil nog maar één ding. Rennen!
Alleen wie goed kijkt, ziet nog een laatste glimp van de jonge vrouwen. Het witte linnen verschijnt hier en daar tussen de bomen, voordat het woud ze helemaal opslokt. Dan komt ook bij de jongens de wolf meer naar voren. Met meer aandacht het woud in kijken, de rest van het roedel niet meer zien, alleen nog ruiken, grommen, zelfs een verdwaalde huil is te horen. Vooral de gespannen spieren en het automatisch reageren op elke beweging, vallen op.
Als eerste kan Rulan het niet meer controleren. Zijn schouders gaan op en neer als bij elk ander roofdier, dat op zijn plek wordt gehouden. Bij Jaquan spant het koord om zijn middel, waar alle spieren onder hoogspanning samenkomen. Zelfs Corvin verliest van zichzelf en moet toegeven. Zijn ogen flitsen, zien meer en reageren sneller dan als mens. Dario merkt zelf, dat zijn lichaam van binnenuit warmer wordt. De verandering wil hem, iets minder snel dan eerder vandaag. Dario wil het zelf ook, meer dan hij durft toe te geven. Zijn oren bewegen autonoom, horen elke brekende tak in de omtrek. De mengeling van geuren – de rook, de kruiden, het zweet – en feromonen drijven hem bijna tot waanzin.
Half mens, half dier en slechts een paar hartslagen verwijderd van loslaten. Alda en Bernardo houden de groep samen in bedwang, met opgestoken handen. Een laatste blik naar iedereen, voordat Bernardo zijn mond opent en een oeroud geluid van achter uit zijn keel laat horen. De roep van de Alpha. De start van het Ritueel. Het geluid rolt als een golf uit over het veld.
Alles komt in beweging. Een explosie van testosteron, kracht en instinct. Dario is de eerste, die wegrent, gevolgd door Rulan of Tarje. Op dit moment nog op twee benen, de anderen halen hem moeiteloos in op vier poten. Verderop klinkt de eerste huil. Jaquan is al in het woud. Ze rennen hun neus achterna, letterlijk. Hoewel ze niet te zien zijn, ruiken ze de meiden. Iedere jonge vrouw heeft een geurspoor achtergelaten. De wolf in elke jonge man neemt het over. Ze worden geleid, aangetrokken door het wilde, als magneten op zoek naar de andere pool.
In het woud merkt Dario de geuren op. Ze hangen als gloeiende draden in de lucht of als druppels op de bladeren. Maar ze doen hem niets. Dario rent verder en dan gebeurt het … net als eerder vandaag wordt hij helemaal wolf, terwijl de anderen in hun grotendeels menselijke gedaante het woud onveilig maken. Hij blijft rennen met een gescheurde broek om zijn middel, maar geen enkele geur is aantrekkelijk genoeg om er achteraan te gaan. Dan stopt hij, gaat op de bladeren zitten, terwijl de grond trilt onder de passen van de anderen, al zijn ze verder weg en heeft hij een plek voor zich alleen gevonden. Wat nu? Bestemming onbekend?
Hij snuffelt, laat de lucht diep zijn neus binnenkomen en zoekt, met zijn neus, vooral met zijn kop en meer nog, met zijn instinct. Zijn hartslag wordt onregelmatig in een te hoog tempo. Rust is nodig en met zijn tong uit zijn bek gaat hij hijgend liggen. Zijn oren vertellen, dat de anderen precies weten wat ze doen. Iets in hem scheurt open, begeleidt door een flits voor zijn ogen. Dan trekt een beweging zijn aandacht. Niet voor hem, maar van opzij. Een schaduw vliegt door het kreupelhout. Schijnbaar op de vlucht in plaats van te jagen … en volledig wolf. De witte lappen stof rond de romp, het silhouet en de beweging maken duidelijk, dat dit één van hen is. Zijn gevoel geeft de naam. Elmo.
Het tempo van de ander volgt een innerlijke dwang en eenmaal voorbij hem, ziet Dario de energie van ander. Het is totaal anders dan gedacht en verwacht. Een mogelijke innige band op basis van tederheid en intimiteit wordt binnen een seconde ingeruild voor wildernis, een felle storm, vochtige huid, trillende spieren, zout en zweet. Nu heeft hij de geur in zijn neus. Het werkt als een vriendschappelijke stoot tegen zijn ribben. Hij gromt, spant zijn spieren en rent achter Elmo aan, zonder na te denken, gedreven door verlangen. Zijn achterpoten garanderen een passende tred, die snel, stil en stevig is. Zijn voorpoten helpen na kleine obstakels veilig te landen. Zijn ogen zien details scherper dan ooit. Lichtinval op de bodem, bewegende schaduwen, de kleine takken op de bodem. Alles is in beweging en hij volgt het spoor.
Hij komt langs de eerste wolven, die elkaar al gevonden hebben en nu door het struikgewas dansen, daarbij een tapijt van steunen en kreunen uitrollen. Het kan hem niet raken, want zijn doel gaat er veel te snel vandoor. Zijn ademhaling wordt gelijkmatig. Hij heeft geen haast, is in zijn element. Zijn oren zijn gespitst en ontdekken zacht gekraak, twee ademhalingen verderop. Zijn hart klopt weer in een normaler tempo, voorbij de paniek en gerustgesteld door zijn observatie. Daar is het spoor weer. Geen duidelijke geur meer, maar trillingen in de lucht verraden de energie van Elmo. Dario voelt het, tot in het puntje van zijn staart. De ander is redelijk dichtbij, rent zonder een duidelijke richting, lijkt het woud niet te kennen. Dario weet, waar hij heen gaat en volgt hem zonder na te denken, zonder strategie.
Elmo flitst tussen de bomen door als een schaduw, die probeert aan het licht te ontkomen. Soepel, snel en onvoorspelbaar onder takken door, door een veld met varens, een heuvel op, langs een kleine open plek met mos. Dario heeft slechts één keuze. Volgen. Zijn instinct volgen. Elmo volgen. De grond onder zijn poten is zacht, de lucht doordrenkt met leven. Mos dempt geluiden en lage takken glijden over zijn vacht. Aangespoord door de wil om dichtbij de ander te zijn, de ander te voelen, aan te raken. Af en toe moet hij opnieuw bepalen waar hij heen gaat, want Elmo strooit met sporen, zoals Alda met vogelvoer. Daar is hij … straks bereikt hij hem.
Elmo is slim, wijkt regelmatig uit, verdwijnt achter omgevallen bomen om even later vanaf een andere kant tussen struiken door weer op te duiken. Dario past zich aan en draaft soms sneller, soms langzamer, steeds dieper het woud in, steeds verder weg van het Roedel. Boven alles is hij verrast over hoe scherp hij ziet.
Echt in vorm is Elmo niet. De elegante bewegingen missen kracht en zijn schouders vangen de klap na elke sprong steeds slechter op. Waarop Dario begrijpt, dat hij nu moet reageren met een grote sprong. Elmo draait zich om, precies op tijd om hem te zien aankomen… en opzij te rollen. Dario mist doel en geen moment later ligt hij zelf op de grond, voelt iets zijn nek vasthouden, ontdekt in zijn ooghoeken links en rechts twee voorpoten op de grond en wordt door iets zwaars op zijn rug tegen de grond gedrukt. Hij probeert zich onder de ander uit te draaien, wat ermee eindigt, dat ze grommend tegenover elkaar zitten, hijgend met de tong uit hun bek en een opgetrokken voorpoot, daarmee laten zien niet echt te willen vechten.
Dario piept en duwt met zijn neus tegen de andere kop. De piep terug vertelt Dario dat het goed is. De voorpoten gaan terug naar de grond. Een moment vol hitte, trillingen en in de ogen van de ander verlangen in plaats van angst opmerken. Elmo steekt zijn kop naar voren en likt Dario over de kop, waarop hij tevreden gromt en Elmo zijn kop naar beneden houdt, zodat Dario hem daar, tussen de oren, kan likken. Het is lekker en de beloning is een korte grom.
Dario gaat liggen, op zijn zij en Elmo doet hetzelfde, ligt tegenover hem. Het oogcontact blijft. Met zijn voorpoot geeft hij aan meer contact te willen. Elmo rolt over de grond, gaat naast hem op zijn achterpoten zitten en aarzelend gaat hij met zijn kop langs Dario’s lichaam. Snuffelen, likken en Dario geniet ervan. Het is nieuw, tegelijk vertrouwd, onbekend en heerlijk.
Bij het volgende directe oogcontact start iets anders. Ze voelen het aankomen. Het verlangen naar de ander trekt door hun hele lichaam, van de kussens onder de voorpoten of de neusharen tot in het puntje van hun staarten. Hun wolven hebben gekozen zonder te aarzelen. De lichaamstaal zegt ‘ja’ tegen de ander. Dario springt op, staat recht tegenover Elmo, die direct zijn kop langs zijn schouder legt, daarmee Dario de ruimte geeft hetzelfde te doen. Van binnen worden ze warmer, voelen de ander meer dan zichzelf en dat door hun hele lichaam. De warmte gaat over in extase, begeleidt door piepen, grommen, licht huilen, terwijl hun poten ongecontroleerd in de grond graven. Het is meer dan instinct, eerder een teken en belofte voor meer. Hun adem getuigt van het effect. Het oude ritueel laat ze in een gelijk tempo ademhalen.