Elmo wacht in de schaduw van de bomen met hun uitgestrekte takken en bladeren. Het woud eindigt pas bij het eerste huis. Oma’s huis staat iets verder, de achtertuin grenst direct aan het woud. Zijn fiets staat nog een paar bomen verder, eenzaam en verlaten. Hij staat achter een grote struik, een junipers, en observeert de omgeving, langs de huizen, over de paden. Stemmen vullen het plein, de meesten klinken jong en druk. Een groep kinderen is ergens aan het spelen. Tot nu toe heeft niemand hem opgemerkt.
Eerste zonnestralen kruipen over het dak van het gemeenschapshuis en verwarmen zijn schouders. Een goed gevoel, hij doet een stap naar voren voor meer zon. Niemand let op hem. Nog een blik op zijn geïmproviseerde broek. De stof is goed aan elkaar geknoopt, maar het maakt nauwelijks verschil. Wie goed kijkt, ziet alles en daar kan hij niets aan doen. Andersom weet iedereen wel wat de jongens en meiden van rond de twintig vannacht in het woud hebben gedaan. Desondanks voelt hij zich compleet naakt en vraagt zich af of dat een gevolg is van in de stad opgroeien of uit hemzelf komt.
Het geluid van een dichtslaande deur laat hem schrikken. Automatisch gaat hij door zijn knieën, houdt even zijn adem in en probeert te bepalen waar het precies vandaan komt. Dan wordt het stiller. Een paar kinderen rennen weg van het plein, verdwijnen tussen de huizen aan de andere kant.
Verderop komt een jong koppel tevoorschijn uit de struiken, praktisch naakt lopen ze innig verstrengeld het plein op. Twee passen, een zoen, de handen om de ander, elkaar ronddraaien, weer twee passen en ze beginnen van voren af aan. De jongen stond gisteren in de groep rond Dario. Elmo houdt zijn hand voor zijn mond om geen geluid te maken. De twee leiden de aandacht mooi af, dit is zijn kans.
Elmo zet zich af en sprint langs de rand van het plein naar Oma’s huis. De tuin ligt hoger dan het pad en met een grotere sprong landt hij op het tuinpad. Het uitstekende dak geeft zoveel schaduw, dat hij daarin verdwijnt. Hij blijft staan en kijkt over het plein, waar het koppel nauwelijks vooruitkomt. Binnen hoort hij zachte geluiden, gelukkig is Oma thuis. Langs de muur sluipt hij verder naar de voordeur en precies wanneer hij wil kloppen, gaat de deur open.
Zoals altijd loopt Alda op blote voeten. Vandaag draagt ze een omslagdoek, die naar gedroogde lavandula en salvia ruikt. Als eerste valt haar oogopslag op. Elmo is onzeker of ze hem hoorde aankomen, al verwacht had of zijn aanwezigheid eerder heeft gevoeld, lang voordat Dario en hij in het woud ‘tot later’ zeiden. Ze briest even en doet een stap opzij, zodat hij naar binnen kan. Hij reageert niet direct, waarop ze hem aanmoedigt, „Kom binnen, voordat je kou vat. Ik heb iets voor je.“
Alda doet de deur dicht, zodra hij binnen is en raakt zijn arm op haar eigen manier aan. Net als zijn andere oma kan ze met een eenvoudige beweging tegelijk commanderen, aanmoedigen en uitnodigen. Alda mag dit doen, bij zijn andere oma stoort het hem en wil hij direct weer weggaan.
Terwijl ze over de krakende vloer loopt en hij haar volgt, mompelt ze, „Zo kom je alleen vandaag mijn huis in, op andere dagen blijf je buiten.“
Duidelijk meer voor zichzelf dan voor Elmo bedoeld. Al zou hij onder de modder voor de deur staan, zou ze nog opendoen. Het idee roept een glimlach bij hem op. Het ruikt vertrouwd. Artemisia, junipers en iets zoets concurreren met elkaar om de eerste plek in zijn reukcellen. Direct voor de kachel staat op hoge poten de grote tobbe klaar, helemaal van hout, dat met olie is behandeld. Hij is gevuld met warm water, waaruit dampen opstijgen. Elmo blijft abrupt staan en in het water herkent hij blad van rosmarinus, thymus en verbena. Hij is verrast, „Heb je werkelijk een bad voor mij klaargezet?“
„Natuurlijk,“ pakt Alda een grote pollepel uit het water en zet hem tegen de tobbe neer, voelt tegelijk met een vinger hoe warm het water is, „Je was nog in het woud, toen ik je rook. Jij bent eraan toe, je lichaam heeft het nodig en je geest helemaal.“
„Hm … ik had gehoopt op een douche? Ken je dat, met privacy, tegels op de vloer en stromend warm water?“, protesteert Elmo met zachte stem en zijn duimen in het koord om zijn middel. Alda kijkt over haar schouder hem aan, alsof hij voorstelt het huis met brandstof te zegenen en zet hem direct op zijn plek, „Wat voor onzin heeft die jongen je verteld?“
„Sorry, dat is het stadskind in mij,“ verontschuldigt Elmo zich direct, maar ze wuift het weg en draait zich helemaal naar hem om, waarbij haar lange, witte haar even voor haar ogen valt. Met haar linker hand gaan de haren weer over haar schouder en met de rechter hand vol kruiden klopt ze op zijn onderste ribben, „Elmo, luister even naar mij. Dit is een ritueel bad, een complete reiniging, meer dan het vuil afspoelen. Dit is voor je hoofd, je buik, je huid, je wolf. Alles aan jou stinkt. Daarom gaan die lappen uit en jij gaat in de tobbe. Als het je helpt, draai ik mij om.“
Elmo haalt diep adem en schikt zich in zijn lot. Zodra hij opkijkt, hebben ze oogcontact en vanzelf lachen ze allebei ingehouden. Haar toon heeft hij gemist, het onvoorwaardelijke houden van gecombineerd met doorzettingsvermogen. Misschien heeft ze voor het laatst zo tegen hem gesproken, toen hij zijn eerste melktanden verloor en hij daar te lang over klaagde. Terwijl hij de knoop van het koord losmaakt, vraagt hij luchtig na, „Je draait je echt om?“
„Ik doe alsof ik blind ben.“
„Prima.“
Duidelijk familie. Grootouder en kleinkind hebben dezelfde humor. Onder Alda’s waakzame ogen krijgt hij het koord los, laat alles vallen en stapt voorzichtig in de tobbe. Het warme water voelt goed voor zijn vermoeide spieren, geeft hem het idee op adem te komen. Alda kijkt hem tevreden aan en pakt een stoffen tas uit een rek. De gedroogde bladeren daaruit laat ze in het water dwarrelen. De geuren veranderen. Elmo neemt alles intenser waar of dieper in zich op. Dan draait ze zich om en gaat de kamer uit, terwijl ze zacht in zichzelf zingt. Het geeft Elmo tijd om van het bad te genieten, terwijl zijn gedachten naar Dario gaan. Voor Elmo was het een extreem vermoeiende en eindeloze mooie nacht met hem. In zijn ooghoek verschijnt ineens een hand, die een kop kruidenthee vasthoudt, die een zoete geur verspreidt. De kop wordt op de kachel naast de tobbe neergezet. Zelf gaat Alda in haar fauteuil naast de kachel zitten, doet een dunne deken over haar benen en zwijgt. Alleen het geluid van brandend hout in de kachel vult de ruimte.
Elmo drinkt in alle rust de thee en glijdt weer terug het water in. Zijn spieren zijn ontspannen, maar ergens voelt hij nog een knoop in zijn zenuwen. Kijkend naar Alda haalt hij diep adem en probeert te praten. De eerste poging mislukt, hij moet zijn keel schrapen, „Heb je ooit eerder gehoord, dat twee mannen elkaar vinden in het Ritueel?“
Alda reageert met vertraging. Ze denkt na, terwijl ze stil zit met de vingers van beide handen in elkaar gevlochten en haar ogen gericht op het vuur in de kachel. De vlammen reflecteren in de zonnevanger, die het meest dichtbij is. Dan begint ze zacht te vertellen, vanuit haar geheugen, zonder hem aan te kijken, „Er zijn talloze verhalen. Sagen, anekdotes of zaken, die in de zomer ’s avonds rond het vuur worden verteld of in de winter ’s nachts van generatie op generatie worden doorgegeven. Ik kan mij er een van bijzonder goed herinneren, omdat die anders was. Geen sprookje, maar waargebeurd. Een verhaal, dat iemand van ver weg had meegenomen.“
Haar stem heeft een licht melancholische toon, die soms tevoorschijn komt, wanneer ze over vroeger spreekt. Zacht, maar met een diepgang, die soms rillingen oproept bij wie luistert. Nu kijkt ze hem aan en haar ogen laten haar kalme overwegingen zien. Over elk woord denkt ze na, „Ongeveer dertig jaar geleden vonden twee mannen in het Karvianjoki Roedel elkaar. Ik kende ze zelf niet, maar het nieuws bereikte ons vrij snel. Niemand had het verwacht, zij zelf nog het minste. Hoewel ze wilden blijven, zijn ze gegaan, omdat in de hoofden van de anderen geen plek was voor hen als paar. Zodoende hebben ze ergens een eigen plek gecreëerd.“
Elmo zwijgt. Hij voelt zich ineens onrustig. Alda zal het opmerken, op de een of andere manier en daarmee komt zijn rust gedeeltelijk terug.
„Ik weet niet hoe het ze verder is vergaan of waar ze tegenwoordig leven. Ze zijn hun weg gegaan en de wereld is daarna niet vergaan,“ pakt Alda de draad weer op om fluisterend af te sluiten, „Dat zal deze keer niet gebeuren.“
Ze valt weer stil met haar ogen gericht op het vuur. Elmo weet, dat ze voorbij de vlammen hem in de gaten houdt. Hij kent haar niet anders. Ze is iemand, die in de stilte mensen hoort praten en in het donker alles ziet. Nu hij zich langzaam aan beter voelt, probeert hij de voorbije uren terug te halen. Zijn stem is nog aangeslagen van de warmte, de dampen en zijn emotionele achtbaan, „Vannacht waren twee dingen vreemd. Dario en ik waren helemaal wolf …“
Alda’s ogen schieten open. Ze is totaal verrast door zijn mededeling. Elmo begrijpt, dat hij iets meer moet vertellen, „We hebben elkaar als wolven gevonden en na de eerste keer … hoe zeg ik het netjes … snuffelen, begroeten, spelen, accepteren … zijn we teruggegaan naar onze normale verschijning. Bij anderen heb ik de hele tijd een tussenvorm opgemerkt, alsof hun wolf aan de lijn liep.“
Hij kijkt haar vragend aan en zij knikt als teken, dat ze hem begrijpt. Haar open hand is de aanmoediging verder te vertellen.
„Dat zag ik terug bij het stel, dat op onze terugweg uit het bos kwam, onder de schrammen, met bijt- en krabsporen. Ze zagen ons en zij begon te fluisteren, hij hield het bij beleefd knikken en zij bleef maar omkijken, terwijl ze verder liepen. Het was … Er klopte iets niet aan hun reactie. Dat was het tweede vreemde.“
Alda trekt de deken over haar benen verder op en laat haar handen op de warme wol rusten, „Op zich is een reactie goed. Het betekent, dat zij zich voor anderen interesseren en je zien. Zolang mensen met je willen praten, kun je gedachten uitwisselen.“
„Of dat ze het apart vinden, dat ze niet weten hoe met ons om te gaan. Ik merkte dat. Ze hadden ons niet verwacht en hun beeld van de wereld heeft nu een grote barst,“ vertelt Elmo vlakker dan hij eigenlijk wil. Alda briest zo luid, dat het bijna een lach is, „De wereld heeft barsten, breuken en scheuren nodig. Anders ontstaat stilstand. Je denkt toch niet, dat over elk koppel wordt gejuicht? Elk jaar opnieuw wordt na het Ritueel gekeken, gefluisterd, gemompeld, geroddeld over elk stel. Bij jullie zal het iets meer zijn, omdat jullie zijn, waar zij in hun stoutste dromen niet aan durven te denken.“
„Wat als ze zeggen, dat het verkeerd is en niet kan? Als ze ons alleen laten?“, kijkt Elmo haar aan. Alda aarzelt geen moment, „Dan kunnen ze hier beter mijn tuin uit sluipen, voordat ik mijn theepot naar hun hoofd gooi. Je denkt toch niet, dat ik je heb geleerd je te schamen voor je liefde?“
Ongewild glimlacht Elmo bij het beeld, dat ze oproept. Waarschijnlijk blijft de theepot heel, terwijl de getroffene omvalt. Alda fluistert, „Jullie zullen mensen verwarren of ze worden onzeker, misschien bang, maar er zijn ook mensen, die jullie op afstand respecteren of bewonderen. De oprechte mensen, die het met jullie goed menen, leer je snel genoeg herkennen.“
Elmo zakt tot zijn nek in het water … en na een blik van Alda even helemaal. De warmte trekt nu door zijn hele lijf en hij probeert zo lang mogelijk helemaal in het water te verdwijnen. Als hij weer opduikt, opent Alda haar ogen. Ze voelt aan, dat hij nog een restant onrust in zich heeft en Elmo denkt aan een stil meer, dat een strakblauwe hemel spiegelt, als hij haar aankijkt. Voorzichtig stelt hij zijn volgende vraag, die onder water in hem opborrelde, „Wat zeggen de oude verhalen? De sagen, waar je het eerder over had? Geven die een reden, waarom twee mannen zich vinden en waarom de wolf in hen dat wil?“
Alda heeft deze vraag al verwacht. Ze trekt een wenkbrauw op, vouwt de deken terug, schuift rustig naar voren in haar fauteuil en leunt met haar ellebogen op haar knieën. Haar stem is scherp, zoals vaker, wanneer ze onderwerpen aansnijdt, die niet voor alle oren bestemd zijn. Dan luistert Elmo niet meer naar zijn Oma, maar naar de genezeres.
„De oude verhalen hebben het over spiegelen, over dezelfde kleur van twee zielen. Het gaat verder dan elkaar aanvullen of een evenwicht creëren. Ze versterken elkaar. Ze dragen elkaar. Het zou gaan om twee vlammen, die elkaar niet opeten, maar samen groter worden,“ komt ze iets meer overeind en kijkt Elmo recht aan, zodat elk woord direct in zijn geheugen aankomt, „Sommige versies houden het erop, dat de wolven elkaar al kenden, lang voordat de mannen elkaar vonden. Andere versies vertellen, dat dit gebeurt, wanneer de wereld een aardbeving nodig heeft in plaats van evenwicht om verder te groeien.“
Elmo legt zijn handen op de rand van de tobbe. Langzaam aan wordt het water koeler, de warmte is zijn lichaam binnengetrokken. Rustig legt Alda haar hand op die van hem. Een hand met warme, stevige vingers, terwijl haar stem krachtig wordt en tegenspraak zinloos is.
„Jij bent een bijzondere man. Je ziet het woud met meer dan je ogen, met al je zintuigen. Jij ziet mensen en herkent direct, wat ze zelf over het hoofd zien. Je ziet wat mensen verbindt en splijt, nog voordat ze zelf beseffen. Er zijn maar weinig mensen, die dat kunnen en jij doet het met een vanzelfsprekendheid, alsof je nooit iets anders hebt gedaan.“
Elmo slikt stevig. Deze mening, dit compliment komt totaal onverwacht. Alda wordt emotioneel met licht trillende stem, „Ik denk, dat jij de volgende genezer van dit Roedel wordt en als ik eerlijk ben, misschien wordt jouw rol zelfs groter dan die ik nu heb. Jouw macht en invloed zal groot zijn, omdat jij met open ogen vindt, waar anderen op de tast naar zoeken. Zolang je op een goede manier met die rol omgaat, zal dat het Roedel ten goede komen. Juist vanwege alles eromheen heb jij iemand nodig, die op jou let en er voor jou is. Genezers geven veel, vaak zo veel, dat ze zichzelf vergeten. Jij hebt iemand nodig bij wie je zelf mag wegkruipen en ontspannen.“
Ze houdt haar hoofd licht scheef en glimlacht vanuit haar hart, „Zonder dat jij het weet, heb je mij al veel gegeven. De moed om door te gaan, de kracht om vol te houden. Als kleine jongen stelde je al de goede vragen, die mij hebben geholpen dingen anders te zien. Zo’n iemand heb jij zelf nodig en ik geloof, dat jouw wolf die al heeft gevonden. Dario is zowel krachtig als kalm. Hij zal je opvangen als jij harder rent, dan je aankunt. Ik denk, dat jij en Dario nu al een sterke band hebben en die zal alleen maar krachtiger worden.“
Haar vingers knijpen licht in zijn hand, „Ik denk, dat hier ook de verklaring ligt, waarom jullie vannacht verder zijn gegaan dan alle anderen. Jij en Dario hebben jullie wolf vrijgelaten en daarom elkaar als wolf gevonden.“
Haar ogen dwalen over hem en ze knikt nog een keer, vooral voor zichzelf, „Genoeg hierover. Ik ga zo je hoofd wassen en daarna ga jij doen, wat nodig is.“
Wat direct wordt uitgevoerd en als laatste wordt zijn haar met een luizenkam rustig in model gebracht. Elmo weet nu zeker, dat op zijn hoofd alleen haren zitten en verder niets. Daarna mag hij uit de tobbe en zich afdrogen, terwijl ze toekijkt, „Heb je ooit geleerd in welke volgorde je moet afdrogen?“
Elmo weet het nu. Als laatste van voor naar achteren tussen de benen en daarna moet de handdoek de wasmand in. Zijn eigen kleren zijn al een plek verder en draaien rondjes in water achter glas. Elmo gelooft direct, dat die na de fietstocht van gisteren al stonken. Morgen mag hij ze ophalen en dat is een verkapt bevel om Dario mee te nemen. Met een groeiende glimlach accepteert hij elke volgende opdracht. Via die omweg laat Alda zo merken hoe blij ze met hem is, vooral ook dat hij zonder zichtbare sporen en met iemand naast zich uit de voorbije nacht is gekomen.
Nu staan ze voor een kist, die Elmo nooit eerder is opgevallen. Vol met reserve kleding voor mannen en jongens in de maten groot, groter, grootst. Alda blijkt te vaak gehavende leden van het Roedel over de vloer te krijgen, waarvan ze de kleding moet openknippen om de wonden te verzorgen, als die kleding al niet aan alle kanten is gescheurd. Met een iets te grote broek en iets te wijd shirt is hij weer toonbaar. Want oma en kleinzoon zijn het roerend eens met elkaar. Op deze zomerdag, met een strakblauwe lucht betekent zonder kleren op de fiets stappen aankomen met dieprode billen.
Voordat hij mag gaan, moet hij eerst nog aan tafel gaan zitten. Voor zijn neus worden een kom soep, vers brood met gesmolten kaas en een in stukken gesneden appel neergezet. Hij heeft ook honger, eet alles op en praat nauwelijks. Haar ogen zeggen alles – Alda is hartelijk, op de hoogte, beschermend. Bij het afscheid legt ze een hand op zijn rug, „Je bent hier altijd welkom. Altijd.“
Eenmaal buiten zoekt Elmo zijn fiets. De tweewieler staat eenzaam en verlaten één boom verder dan vanmorgen. Opstappen en fietsen maar …
Elmo kreunt, wanneer hij een betere plek op het zadel zoekt, met een hand aan het stuur verder fietst en met de ander over zijn bovenbenen wrijft, tegelijk mompelt, „Wie gaat in hemelsnaam fietsen na zo’n nacht?“
Op hetzelfde moment hobbelt hij over een grote boomwortel, die dwars over het bospad uitsteekt en verliest bijna zijn evenwicht. Elke spier in zijn lichaam protesteert en hij ontdekt nu, dat hij spieren heeft op plaatsen, waarvan hij dacht, dat daar vet zat. De broek schuurt aan zijn benen en zijn shirt plakt aan zijn armen en rug. Op deze tijd van de dag staat de zon hoog aan de hemel. De stralen vallen door het bladerdak van de bomen en geven de bodem het uiterlijk van een tijger of giraf. De lucht is droog, het stof wervelt op waar hij fietst. Het licht is helder, te helder voor mensen die nog in de roes van de nacht ervoor zitten. Elke centimeter van zijn lichaam voelt moe of ruw. Zijn dijen en bovenarmen branden, zijn billen vinden het zadel een marteling.
Misschien was de bus een betere keuze geweest.
Vlak voordat het woud overgaat in weide, wordt het pad smaller … en het zonlicht feller. Nog een klein stukje, dan begint de weg. Gladder, rechter, steviger dan het stuk achter hem. Tegelijk ziet hij er tegenop, want waar asfalt begint, komt zijn doel dichterbij.
De groene, relatief koele wereld met vogelgeluiden, schaduw en buiten de paden vochtige aarde maakt plaats voor smeltend asfalt, trillend hete lucht en het verkeer van een stad in de vroege middag. Al snel gevolgd door de eerste huizen. In dit deel van de stad kleinere huizen voor families, dicht op elkaar gebouwd. De voortuin keurig onderhouden, alleen kinderfietsjes verstoren het opgeruimde beeld. Iemand is gras aan het maaien en over een korte afstand hoort Elmo verschillende soorten muziek uit de huizen. De geuren vertellen over de warmte. Broei in de afvalcontainers en er wordt volop gegrild. De combinatie van deze twee is pure aanmoediging harder te fietsen, waarbij hij voor een afslaande bus, spontaan overstekende giechelende meisjes en een loslopende hond mag uitwijken. Elmo fietst in hetzelfde tempo verder, over die vervelende drempel voor een fietsenwinkel, waar de modellen van vorig jaar in de etalage hangen. Nog een keer afslaan en dan is hij er.
Ineens staat hij onder hoogspanning. Een politiewagen blokkeert een oprit en wel die van het huis van zijn ouders. Geen zwaailicht, tegelijk niet over het hoofd te zien. Een buurvrouw kijkt geïnteresseerd toe vanuit haar huis aan de overkant. Hij remt abrupt, want de spanning bereikt zijn maag en leunt met zijn onderarmen op het stuur. De spanning tijdens de jacht met Dario was leuker en gezonder. Dit hier is tijdens plotseling opkomend zwaar onweer op warme zomerdagen, waarbij je je afvraagt wanneer de bliksem naast je inslaat. Elmo haalt adem, stapt af en zet zijn fiets tegen het hek.
De voordeur staat op een kier, daarachter bewegingen en stemmen, die ineens stilvallen. Iemand heeft hem gezien. Op naar de voordeur, die van binnen uit opengaat. Daar staat zijn moeder met rode ogen, vlekken op de wangen en het kapsel uit model. Ze ziet hem en blijft hem aankijken om met gebroken stem te fluisteren, „Elmo, we dachten … we hebben alles geprobeerd en overal gezocht, we …“
„Mama,“ lukt het Elmo om tenminste iets te zeggen, want ze slaat haar armen zo stevig om hem heen, dat hij bijna zijn evenwicht verliest. Met een hand op haar rug kan hij verder naar binnen kijken en ziet zijn vader, die in de gang staat met zijn brede schouders, die nog breder lijken, omdat hij zijn armen over elkaar heeft. De man blijft staan met een zuinige blik en zwijgt. Achter hem een agent, die tegen een collega zegt, „Vermissing opgelost.“
Waarop de twee naar buiten willen. Het duurt even, want iedereen moet een stap opzij doen. Hun vertrek bevrijdt Elmo uit de armen van zijn moeder, die hem met aandacht in zich opneemt. Alles aan hem is heel en schoon. Hij ademt. Kortom, het kan niet beter. In haar stem vibreert bezorgdheid, „Waar was je?“
„Oma, niet jouw moeder, maar die van je man,“ laat Elmo zijn ogen dwalen van zijn moeder naar zijn vader. Desondanks ziet hij de spanning oplopen, „Ik mocht aan het Ritueel meedoen.“
„Wat?“, schiet zijn vader vanuit pols en heup tegelijk, „Wat zei je?“
Elmo gaat rechtop staan en schudt zijn schouders los, „Ik heb aan het Ritueel meegedaan. Met succes. In principe hebben jullie een schoonzoon erbij gekregen.“
Zijn vader heeft slechts weinig tijd nodig om te reageren, „Je hebt nu een man uit dat … dat vervloekte Roedel? Uitgerekend dit Roedel? Na alles, wat ik je heb geleerd? Na alles, wat ik daar heb meegemaakt? Ik heb je je hele leven ingeprent, dat je daar alleen arrogantie en verraad ontmoet en jij kiest iemand uit die bende? Ben je nog welp?“
Zijn vader is tegelijk dichterbij gekomen en zijn gezicht wordt steeds roder, de aderen zichtbaar, de vuisten gebald. De man schreeuwt bijna. Elmo zet de tegenaanval in, „Wat welp? Ik ben twintig, sinds twee jaar meerderjarig, al negeer je dat al te graag. Het gaat om mijn eigen leven en daarin maak ik mijn eigen keuzes.“
Zijn vader valt hem in de rede, totaal emotioneel, „Nee! Je bent ondankbaar! Je bent blind! Ik heb je uit hun invloed gehouden, zodat je goed terecht komt, er niet aan onderdoor gaat en wat doe jij? Je gedraagt je als een straatkind, dat nooit geleerd heeft wat trots is en kruipt ernaar terug!“
Elmo beseft, dat hij een zoon van zijn vader is, wanneer hij net zo scherp wordt, „Trots? Je praat over trots, alsof je dat niet leert, maar erin slaat. Je hebt mij niet van Roedel gered, maar daardoor juist beschadigd. Ik heb mijn hele leven lang geloofd, dat bij mij ergens iets niet klopt, omdat ik altijd iets miste. Je hebt zonder na te denken een kant van mij onderdrukt, die er wel is en af en toe naar buiten komt. Jouw haat tegen het Roedel komt door jezelf. Je hebt nooit geaccepteerd, dat jij geen genezer zou worden. Daarom heb je mij gedwongen alleen als mens te leven, maar dat ben ik niet! Ik heb ook die wolf in mij, al zou je die het liefste in een betonnen kluis opsluiten! Ik mocht van jou niet op atletiek, puur om te verbergen, dat ik goed kan rennen, beter dan anderen. Ik was bijna vergeten, dat die wolf in mij er is, heb nooit ergens bij gehoord. Misschien begin je nu te begrijpen wat je mij hebt aangedaan met je koppigheid. Ik heb mij jaar na jaar verstopt en geprobeerd die andere helft van mij te negeren en te vergeten, dat die bestaat. Maar die wolf is er altijd geweest en jij wilde dat nooit weten.“
Zijn vader wil reageren, maar Elmo schudt zijn hoofd. In de stilte is alleen het zware ademen van zijn ouders te horen. Daar heeft hij zichzelf beter onder controle. Zijn vader kijkt hem aan, alsof Elmo net de grond onder zijn voeten heeft weggehaald. Zijn moeder heeft vochtige ogen en trillende handen. Hij kijkt ze afwisselend aan, „In de komende dagen kom ik langs om mijn spullen op te halen. Hier ben ik niet meer thuis, wel op het terrein van het Roedel. Ik had gehoopt, dat jullie blij zouden zijn, dat ik mijn geluk heb gevonden.“
Elmo draait zich om en in de deuropening valt hem nog iets in, „Oh ja, hij heet Dario.“
Waarna hij doorloopt, zijn fiets pakt en met de zekerheid, dat dit een goede beslissing is, met hernieuwde energie aan de fietstocht naar zijn werk in het café en later naar zijn nieuwe thuis begint.