9 mei 2022

Morgenster – 9

‘Richard?’
‘Ja?
‘Ben je wakker?’
Richard moest glimlachen om de logica van zijn broer. Ja, hij was wakker. Nog niet lang maar hij was wakker. Hij had slecht geslapen. Allerlei beelden hadden een groot gedeelte van de nacht door zijn hoofd gespookt en hoe goed hij zich ook telkens had voorgenomen om rustig te slapen, steeds waren ze er weer geweest. Het ademanker, zoals Jocelyn het had omschreven, had er uiteindelijk voor gezorgd dat hij wel goed in slaap was gevallen zonder dromen. ‘Ja. Ik ben wakker.’
‘Mag ik bij je komen zitten?’
‘Ja, dat is goed.’
Stan stapte uit zijn bed, liep om die van hem en Richard heen en ging voorzichtig zitten. ‘Is er pijn?’
Stan had die vraag de afgelopen dagen heel vaak gesteld en ondanks dat hij niet wist of het echt uit medeleven kwam of niet, omdat hij niet wist of Stan daartoe in staat was, vond hij het wel heel lief dat zijn broer informeerde. ‘Het valt mee. Het gaat steeds beter?’
‘Moet ik vandaag naar school?’
‘Nee.’
‘Maar het is toch maandag? Ik ben hier op vrijdag gekomen want dat was de dag dat jij thuis zou komen. En nu is het maandag.’
‘Ja, dat klopt. Maar je hoeft vandaag niet naar school.’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb met Edith en Max afgesproken dat jij en ik deze week en de volgende week niet naar school gaan. De volgende week zouden we beiden al vrij hebben omdat het dan Spring Break is hier.’
‘Wat is dat?’
‘Een vakantie meestal in de buurt van Pasen. De volgende week zou je thuis ook vrij gehad hebben. Ik had in jouw agenda al geschreven dat ik die hele week bij jou zou zijn.’
‘O. Niet in gekeken. Sorry.’
‘Het geeft niet, Stan. Bovendien zou je hier in Monterey naar school moeten en dan moeten we toch eerst gaan kijken naar welke school jij zou willen.’
‘Mag ik dat zelf kiezen?’
‘Ja. Het moet een school zijn waar jij je goed bij voelt.’
‘Maar hoe weet ik dat?’
‘We kunnen gewoon eens gaan kijken bij een aantal scholen. Dan merk je vast wel wat je een leuke school vindt of niet.’ Richard zag op het gezicht van Stan de twijfel. ‘Maar het kan ook zijn dan het nog heel lang duurt voor je weer naar school gaat.’
‘Maar ik moet wel naar school toch?’
‘Ja. Maar wat ik ook met Edith en Max afgesproken heb, is dat we eerst gaan onderzoeken wat jij precies kunt.’
‘Ik hoef toch niet naar een ziekenhuis of zo, hè, want dat vind ik eng! Dat wil ik niet hoor!’
‘Rustig, Stan, het gaat niet om een onderzoek in een ziekenhuis. Hier aan huis zullen mensen komen die jou gaan testen. Ik, Max of Edith, een van ons, zal daar altijd bij zijn. Het is gewoon de bedoeling dat we met de resultaten van al die testen gaan kijken wat voor jou goed is.’
‘Ik ben stom!’
Richard pakte de arm van zijn broer stevig beet, keek hem recht in de ogen en sprak heel vriendelijk: ‘Nee, dat ben je niet, Stan.’
‘Maar ze zeggen het allemaal.’
‘Maar dat hoef je niet te geloven. Dat moet je niet geloven. Ze zeiden toch ook dat je niet kon lezen op school?’ Een antwoord kwam er niet meteen. ‘Nou?’
‘Ze zeiden dat ik te stom was om te kunnen lezen. Maar jij hebt het mij geleerd.’
‘Ja. En als ik dat kan, dan kunnen anderen jou ook nog een heleboel leren.’
‘Echt?’
‘Ja. Alleen moeten de mensen die jou wat willen leren goede aandacht aan jou geven en de tijd hebben om jou wat te leren.’
‘Zijn die testen eng?’
‘Nee. Max heeft me er iets van laten zien. Ze lijken op spelletjes.’
‘Dan is het niet erg.’
Richard haalde opgelucht adem. Maar er was nog iets dat hij moest bespreken met Stan en dat was iets waar hij zelf ook wel een beetje tegenop zag. Het komende weekend was het Pasen en dan zouden diverse kinderen en kleinkinderen van de Drummonds thuiskomen. Niet allemaal,
zo had hij begrepen, want twee van de vijf kinderen woonden met hun gezinnen in het buitenland maar toch zouden er veel mensen over de vloer zijn en dat zag hij eigenlijk niet zo zitten. En dat moest hij Stan ook nog vertellen. Hij bracht het heel voorzichtig. Legde uit dat Pasen een feest was dat ze thuis nooit echt hadden gevierd maar dat de familie Drummond dan meestal bij elkaar komt net als op Kerst en Thanks Giving.
‘Die ken ik ook niet,’ reageerde Stan.
Hij had helemaal gelijk. ‘Dat weet ik. Op school hebben we het daar wel overgehad maar wij hebben heel veel dingen, die de meeste mensen gewoon vinden, gemist.’
‘Maar dan is het dus drukker hier. Bedoel je dat?’
‘Ja. Maar we zouden voor die paar dagen dat ze hier de familie over de vloer hebben naar mijn flat kunnen gaan. Daar is het rustig.’
‘Nancy en Nathan hebben me gisteren jouw flat laten zien. Het is daar mooi. Echt! En ik heb je school ook gezien en we zijn naar de bioscoop geweest. Maar waarom?’
‘Waarom we naar mijn flat zouden gaan? Bedoel je dat?’ Richard zag zijn broer knikken. ‘Nou ja, misschien vind jij dat prettiger.’
‘Edith zegt steeds, en Max en Nancy en Nathan ook, dat wij erbij horen. Waarom zouden we dan weggaan?’
Ja. Daar had zijn kleine broertje een goed punt. Waarom. ‘Dus … jij zou wel willen blijven hier?’
‘Ja! Waarom niet?’
‘Nou ja … ik dacht dat het misschien leuker zou zijn met z’n tweeën.’
‘Wil je dat graag dan?’
‘Dat is een moeilijke vraag voor mij, Stan. Weet je wat, ik denk er nog even over na.’ Maar dat hoefde niet. Hij zag hoe Stan ineens een resolute blik in zijn ogen kreeg.
‘Nee! Ik wil hier gewoon blijven! Ik wil heel graag bij al die mensen horen. Ik wil een echte familie, Richard! Iedereen heeft een familie en ik heb alleen maar jou en … nou ja … je weet wel.’
Richard zag de tranen in de ogen van Stan blinken. Verdomme! Waarom had hij het nou zo stom gebracht. Maar … hij had het goed bedoeld. Of was het toch zijn eigen angst geweest? Was hij bang dat al die mensen hem aan een kruisverhoor zouden onderwerpen? Dat iedereen zou willen weten waar Stan en hij vandaan kwamen? Dat ze hen als indringers zouden zien? ‘Het is goed, Stan. We blijven gewoon hier. Je hebt helemaal gelijk. We horen erbij. Dit is onze familie!’ Maar nadat hij dit gezegd had voelde Richard meteen de twijfel. Was het waar wat hij gezegd had? Was dit hun familie? Zouden hij en Stan hier voor altijd in Monterey blijven? Wat als ze er ooit … STOP! De gedachten gingen weer eens met hem op de loop. Nee … hij wist dat het anders was. Hij liet die gedachten toe. Het was zijn eigen schuld.
‘Wat is er, Richard?’
‘Niets. Alles is goed met me.’
‘Je mag niet liegen!’
‘Af en toe denk ik te veel, Stan. Dan wil ik allerlei problemen nu al oplossen en dat kan niet. Niet nu. Ik moet het een tijdje rustig aan doen.’
‘Ja. En dat mag hier. Dat zeggen ze allemaal ook steeds. Maar waarom doe je dat dan niet?’
‘Ik doe mijn best, Stan.’
‘Dan is het goed. Zal ik vast gaan douchen?’
‘Doe dat maar. Dan kan ik straks na jou.’
‘Maar dan moet iemand je wel helpen.’
‘Dan kan ik nu zelf wel weer.’
‘Nee! Dat mag niet! Tegen mij hebben ze ook gezegd dat jij dat nog niet alleen mag.’
‘Zeg, sinds wanneer ben jij mijn oppasser geworden?’
‘Als het nodig is, kan ik heus wel op jou passen hoor!’
‘Ja, broer, ik merk het. Wil jij me straks helpen dan?’
‘Ja.’
‘Maar ga nu eerst zelf maar douchen. Ik blijf rustig liggen tot je klaar bent.’
Stan liep weg en Richard keek hem na. Stan was groot. Veel groter dan hij. Hij was een onderdeurtje. Altijd geweest ook. Niet geschikt voor Canadian Football waar hij hem per se naar toe had gestuurd omdat hij nou eenmaal het team van zijn high school coachte en dat met heel veel succes. Ze hadden er veel woordenwisselingen over gehad. Gelukkig zat hij op een andere high school maar hij kende wel de leraren lichamelijke oefening op zijn school en daarom had hij gewoon geen keuze gehad. Veel liever had hij gewoon voetbal gedaan. Dat was een sport die hem meer lag, maar hij had dat een sport voor mietjes genoemd. Het moest en zou Canadian Football worden. Alle jongens in de klas hadden hem voor gek verklaard toen hij zich had aangemeld daarvoor. Toen hij verteld had, een van de weinige keren dat hij zijn mond over thuis had open gedaan, dat hij het moest van thuis hadden ze iets van begrip getoond. Waarschijnlijk kenden ze dat allemaal wel dat je iets van je … nou ja … van hen moest. Na de eerste selectie had hij er al uit gelegen en het stempel “niet geschikt” gekregen. Thuis opnieuw trammelant. Hij had hem gebrek aan inzet verweten terwijl het daar echt niet aan gelegen had. Hij was gewoon te klein, te mager, te tenger. Iedereen die die sport deed was flink uit de kluiten gewassen en dat was iets dat je wel van Stan maar niet van hem kon zeggen. ‘De lul,’ vloekte hij hardop. De coach op zijn school had hem heel duidelijk gemaakt dat het niets anders was dan een fysiek probleem. Inzet was er voldoende maar hij had gewoon niet het juiste formaat. En toch was hij door hem niet geloofd. Had hij het, zoals altijd, beter geweten. ‘Verdomme!’
‘Je mag niet vloeken, Richard,’ klonk het ineens.
‘Sorry, Stan.’
Met een badjas aan kwam Stan uit de doucheruimte. ‘Waarom kijk je zo boos?’
Richard zei niets.
‘Oh. Thuis.’
‘Ja.’
Stan kwam opnieuw bij hem op de rand van het bed zitten. ‘Richard,’ zei hij en pakte de hand van zijn broer beet, ‘jij en ik. Altijd samen. Goed toch?’
‘Ja. Dat is altijd goed geweest, Stan.’
‘En nu, nu hebben we een familie met allemaal leuke en aardige mensen. Iedereen die ik heb leren kennen hier is leuk, is aardig.’
‘Je hebt gelijk, Stan. Ik moet niet meer aan thuis denken. Dat daar is nooit een echt thuis voor ons geweest. We woonden daar maar meer was het ook niet.’
‘We zijn nu gelukkig. Jij en ik. Allebei.’
‘Goed gesproken, Stan!’ Hij trok zijn broer naar zich toe en drukte een kus op zijn natte haren.
* * *
Het was nacht. Zaterdag 24 april was al een dik uur oud. Richard had de slaap niet kunnen vatten. Steeds als hij indommelde schrok hij ineens weer wakker. Er was een knagend gevoel dat hij iets over het hoofd had gezien, dat hij ergens een teken gemist had, dat er iets was dat om uitleg vroeg. Maar … wat het nou precies was, dat wist hij niet maar het hield hem wel uit zijn slaap en zo had hij gezien hoe de wekker van vrijdag overgegaan was op zaterdag. Stan sliep rustig in het andere bed. Af en toe … heel af en toe was hij jaloers op zijn broer. Stan kon dingen horen en ze dan ook meteen weer vergeten. Bij hem bleef er altijd iets hangen. Altijd. Altijd was er wel iets om over na te denken. En vaak leidde dat denken er toe dat hij zichzelf bezig bleef houden met allerlei gerelateerde gedachten en zo werd het een onontwarbare kluwen.
Zo was er die enorme twijfel geweest over het Paasweekend. Hij had er tegenop gezien dat het huis vol zou zijn met allerlei familieleden van de Drummonds die hij niet kende. Allemaal mensen die wel eens nieuwsgierig zouden kunnen zijn naar Stan en hem maar geen enkele gast had vreemd opgekeken dat Stan en hij er waren. Edith en Max hadden hen ongetwijfeld vooraf ingelicht over de nieuwe bewoners van huize Drummond maar dat was het niet alleen. Ze waren gewoon opgenomen in de groep van mensen alsof ze er altijd al bij hadden gehoord. Het was druk geweest dat weekend maar ook heel erg leuk. De kleinkinderen waren er bijna allemaal geweest en met drie van hen en Nancy en Nathan had hij Stan vaak op stap gestuurd. Zelf voelde hij zich toen nog niet goed genoeg om mee te gaan. Bij elk uitstapje had Stan eerst onder het motto “Als jij niet gaat, ga ik ook niet!” geweigerd om mee te gaan. Gelukkig was het hem echter steeds gelukt om Stan over te halen. Hij had genoten van dat wat Stan hem nadien allemaal had weten te vertellen maar vooral het enthousiasme van zijn broer had hem goed gedaan.
De week na Pasen hadden Stan en hij genoten van de Spring Break. En net als de week ervoor hadden ze helemaal niets hoeven doen. Het was heerlijk! Uitslapen was hem niet gelukt omdat Stan elke ochtend vroeg wakker was geweest en dan met hem had willen praten. Geen probleem. Natuurlijk gingen heel veel van hun vroege ochtendgesprekken over dat wat ze hadden meegemaakt de afgelopen jaren maar ook had Stan het gesprek steeds afgesloten met de woorden, die hij eerder ook al had uitgesproken, dat ze nu gelukkig waren. En ja, dat was Richards bedoeling ook. Stan gedijde hier goed. Hij zong, neuriede en floot als hij alleen was en was zich daarvan vaak niet eens bewust. Een goed teken. Bewust hadden ze besloten om de testen die Stan zou gaan doen voorlopig uit te stellen. Eerst moest hij helemaal op zijn gemak zijn, moest hij een groot gedeelte van zijn verleden verwerkt kunnen hebben. Pas dan was het tijd voor de volgende stap van een intakegesprek en de daaropvolgende testfase.
Terug op school was het leuk. Het enige dat hij vervelend had gevonden was hij dat gehaald en gebracht moest worden. Zijn rechterarm weigerde nog steeds dienst en daarom kon hij zelf niet rijden: niet op de fiets en zeker niet in zijn auto. Dokter Jarvis, die hij regelmatig zag, maakte zich er niet al te druk over. “Alles zal goed komen,” zo zei ze hem telkens weer. Van het begin af aan had hij fysiotherapie gehad. Volgens de fysiotherapeut was er vooruitgang maar hij merkte dat zelf nog niet. Hij wilde dat het sneller ging. Dat hij eindelijk weer eens gewoon alles zelf kon doen. Dokter Jarvis had gezegd dat als zijn arm zes weken na de val nog niet helemaal goed was ze een MRI-scan zou laten maken en dat was gelukkig al binnen twee weken. Een dure grap, zo had hij gemerkt toen hij de kosten van zo’n onderzoek had opgezocht. Nog meer kosten voor de Drummonds. Nog meer schulden waarvan zij niet zouden willen dat hij zich er druk over zou maken. Op de eerste dag dat hij zich weer op school had laten zien had hij zijn medeleerlingen ingelicht. Nancy had al wat voorwerk gedaan en hij had een toelichting daarop gegeven. Ze waren allemaal onder de indruk geweest en stuk voor stuk hadden ze gezegd dat Richard altijd op hen kon rekenen. Dat had hem heel goed gedaan. En bij woorden was het niet gebleven. Meteen was er een rooster opgesteld wie er aantekeningen voor hem zou maken want hij was puur rechts. Schrijven met links was een vreselijke opgave, zo had hij door ondervinding ontdekt. Zijn laptop bedienen met alleen zijn linkerhand ging maar zodra het op tekstverwerken aankwam was ook dat vreselijk onhandig. Nu hij vanwege het opzeggen van bijna al zijn baantjes meer tijd had, bleef hij na schooltijd wat vaker hangen om met zijn medeleerlingen te praten. Hij had nu tijd om wat socialer te zijn en dat lag hem wel. Het enige baantje dat hij nog had was die bij Fred Quintana. Tijdelijk, ook vanwege zijn rechterarm, werkte hij in de winkel. Het was belangrijk voor hem. Hoewel hij nog steeds niet een echte keuze had gemaakt over zijn toekomst leek het hem het beste om zoveel mogelijk ijzers in het vuur te houden. Bovendien lag het werk hem heel erg goed.
Het was nooit helemaal stil in hun slaapkamer. De geluiden van de zee waren goed te horen. In de regel hadden ze iets rustgevends maar nu niet. Nu zorgde het zich steeds herhalende geluid ervoor dat hij wakker bleef. Alsof hij wilde controleren dat alle golven wel het strand bereikten. Hij glimlachte over die rare gedachtekronkel van hem. Hij en controleren. Ja, zijn hele leven had hij dat gedaan eigenlijk. Steeds in de gaten houden of alles wel volgens plan verliep en als er ergens een kink in de kabel kwam het plan aanpassen. Aanpassen of, indien nodig, vervangen door een nieuw plan. En deed het dat nu minder? Nee. Nog steeds had hij plannen in zijn hoofd. Nieuwe plannen. Er moesten dingen gedaan worden. Hij moest vooruit blijven bewegen al was het alleen maar in zijn hoofd. En zo … met al die gedachten … viel hij uiteindelijk toch in slaap.
‘AHHHHHHHHHHHHHHHHH’ met een langgerekte schreeuw werd Richard wakker en schoot hij rechtop. Stom, stom, stom! Weerklonk het meteen in zijn hoofd en de pijn, als gevolg van die plotselinge beweging, schoot door zijn bovenlijf. Hij sloeg zijn linkerarm er omheen en keek vervolgens naar links. Hij zag hoe Stan met open ogen naar hem lag te kijken.
‘Heb je gedroomd?’
‘Ja. Ga maar weer slapen, Stan.’
‘Was het één van die enge dromen, waar je me over verteld hebt?’
‘Ja. Maar ga slapen, bro.’
‘Weet je het zeker?’
Richard zuchtte. Wist hij het zeker? Waar was hij nou nog zeker van. Helemaal niets!
‘Gaat het goed met je Rich? Ben je gelukkig?’
‘Ik werd met een schreeuw wakker uit die nachtmerrie en daardoor ging ik snel rechtop zitten. Dat gaf me pijn in mijn ribben. En dat is niet fijn. Maar ik ga zo weer slapen. En ja, ik ben gelukkig. Dat hebben we toch afgesproken?’
‘Ja. Maar … ‘
Stan was stilgevallen. ‘Wat is er, Stan?’
‘Ik kan alleen maar gelukkig zijn als jij het ook bent. Is dat raar?’
‘Nee. We zijn broers. We horen bij elkaar. Wat voor de een van ons geldt, geldt ook voor de ander. Zo is het toch? Zo voelt het voor mij ook.’
‘Ja.’
‘Ga je weer slapen?’
‘Alleen als alles goed is met jou.’
‘Dat is het, Stan.’ Het was een leugen. Een pertinente leugen maar hij had het goed genoeg weten te brengen want Stan draaide zich om op zijn andere zij. Al heel snel hoorde Richard zijn rustige ademhaling en wist hij dat zijn broer weer sliep.
Zelf slapen lukte hem niet meer. Eerst pakte hij het boek dat op zijn nachtkastje lag. Zijn hele leven zowat had hij gelezen. De bibliotheek in Metchosin en later die op zijn scholen had hij regelmatig bezocht. Ze waren een bron van informatie en afleiding voor hem geweest. En nu had hij regelmatig een boek uit de boekenkast van de Drummonds gehaald. ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoi had hij hier gelezen onder andere. Een vreselijk dik boek met een verhaal dat hij als divers zou omschrijven. Enerzijds bespiegelingen over de erg diverse hoofdpersonen en anders het vaak wrede verslag van de oorlogshandelingen. Een uitspraak van Pierre was hem bijgebleven: “We kunnen alleen weten dat we niets weten. En dat is de hoogste graad van menselijke wijsheid.” En die quote had hem geprikkeld en hield hem ook nu vaak nog bezig. Bij het licht van een zaklantaarn, hij wilde het schemerlampje niet aandoen omdat hij bang was dat Stan dan wakker zou worden, las hij iets uit “De Erfenis van Aphrodite”. Goed concentreren kon hij zich niet. Er bleef iets spoken in zijn hoofd, in zijn gedachten. Met wijd open ogen keek hij, nadat hij het boek weggelegd had en weer op zijn rug was gaan liggen, naar het plafond. En zonder dat hij er bewust aan dacht, wist hij ineens waar hij eerder aan was blijven hangen. Ineens was het er. Maar … was hij er zeker van? Nee. Dat niet. En … hij wilde die zekerheid absoluut hebben en als het kon nu meteen! Hij keek op de wekker en zag het veertien minuten over drie was. Veel te vroeg. Het kon absoluut niet. Niet nu. Maar wat hij wel kon doen was er met Max over praten. Die ging meestal zo tussen drie en vier uur uit bed, zo wist hij inmiddels, en het zou niet de eerste keer zijn dat hij Max zo vroeg zou lastig vallen met dat wat hij kwijt moest. Voorzichtig stapte hij uit bed, pakte zijn kleren – die hij ’s avonds altijd klaarlegde – van de stoel en liep naar de deur. Er was geen geluid te horen toen hij de kruk naar beneden duwde, de deur opende en deze weer sloot. Rustig liep hij naar de keuken. Daar was Max meestal te vinden. ‘Goedemorgen, Max,’ zei hij toen hij naar binnenging.
‘Goedemorgen, Richard. Je had een nachtmerrie,’ klonk het niet als een vraag maar als een vaststelling.
Richard knikte.
‘Ik ben nog even bij jullie slaapkamer geweest maar toen ik jullie samen hoorde praten ben ik weer teruggegaan naar de keuken.
‘Ik heb je dus niet wakker gemaakt?’
‘Nee. En zelfs als je dat had gedaan, dan was dat niet erg. Dat weet je toch?’
‘Ja. Maar … ‘
‘Ga zitten, je ziet eruit als een vaatdoek. Kan ik iets voor je inschenken?’
‘Als je hebt koffie graag.’
‘Dat kan ik ook wel gebruiken. En ik maak ook wat te eten voor ons. Dus even geduld.’ Max liep naar het aanrecht en ging aan de slag. Toen alles klaar was, zette hij het op de keukentafel neer en ging bij Richard zitten. ‘Was het dezelfde nare droom?’
‘Ja. Hij was er weer eens.’
Max wist dat Richard met ‘hij’ op zijn vader doelde: de geestverschijning in zijn dromen tegen wie hij het telkens weer af moest leggen. Max haalde een hand door de warrige, zwarte haren van Richard. Een teder gebaar. ‘Maar … en je moet me maar zeggen als ik het verkeerd heb … ik heb zo het idee dat je ze minder vaak hebt.’
‘Dat klopt. Het lijkt … alsof het wat aan het bezinken is.’
‘Een goed teken. Vind je niet?’
Opnieuw knikte Richard. ‘Maar … ‘ Richard viel stil.
‘Je wilt zo graag dat het allemaal wat sneller gaat. Is dat het?’
‘Ja. Ik weet niet of ik wel de tijd heb om … ‘
‘Waarom zou je je haasten? Neem de tijd … alle tijd … die je nodig hebt om te genezen, jongen. Je bent er nog niet. Je arm werkt nog steeds niet en … ‘
‘Ja, dat is ook zoiets vervelends! Hij hangt erbij! Ik kan er nog niets mee!’ En om zijn woorden kracht bij te zetten, pakte hij met zijn linkerhand zijn rechterarm op en legde die op tafel neer.
Max keek hem bezorgd aan. Vanwaar al die onrust, dat ongeduld?
Richard nam een slok van zijn koffie. Het smaakte uitstekend. Hij voelde de warmte van binnen. ‘Het was de engste van de twee maar ik heb amper geslapen. Kon niet in slaap komen omdat er iets was wat … ik weet het niet. Er was iets. Iets dat ik moest begrijpen, moest weten en toch … toch kon ik het niet vatten en toen ik schreeuwend wakker werd, was het er ineens wel. Er is iets met … met haar. Toen Jocelyn hier de allereerste keer was bleef ik er in ons gesprek ook al aan hangen, als het ware. Er was me iets onduidelijk en toen kon ik het ook al niet vatten. Het heeft te maken met de boterhammen in mijn lunchtrommel.’ Hij keek op naar Max en vroeg: ‘Ben ik duidelijk?’
‘Er was iets met de boterhammen in jouw lunchtrommel,’ herhaalde Max de woorden van zijn disgenoot. ‘Ja, dat is te begrijpen. Maar weet je ook wat er was?’
‘Nee. Dat is juist het gekke. Dat weet ik nog niet. Ik weet waar ik aan bleef hangen toen … maar niet precies waarom. Is het gek als ik je zeg dat ik eigenlijk nu meteen naar Jocelyn wil?’
Een voorzichtige glimlach brak door op het gezicht van Max. ‘Stan zou zeggen dat je het moet doen.’
‘Maar Stan neemt dingen vaak letterlijk. Toen hij net kon lezen las hij werkelijk alles om zich heen. Waar ook maar iets te lezen was, hij las het hardop. Een goede oefening. Toen we een keer langs een bord met ‘DEAD END’ (doodlopende weg) liepen, las hij dat ook en meteen bleef hij stokstijf staan. Ik wilde doorlopen maar hij pakte m’n arm beet en trok me terug. “Niet doen!” schreeuwde hij, “Stoppen, anders gaan we dood!”
Max moest lachen. ‘Ja, je moet niet altijd alles letterlijk nemen. Maar in dit geval? Waarom zou je het niet doen?’
‘Maar zoiets doe je toch niet! Het is midden in de nacht!’
Grote ogen zette Max op alsof hij zijn verbazing wilde uitdrukken. ‘Ze heeft je vast en zeker gezegd, daar ben ik zeker van, dat je haar altijd zou mogen bellen. Toch?’
Richard knikte. Precies de woorden die Jocelyn had gebruikt. Hij had haar na die eerste sessie elke week bezocht. Of, beter gezegd, zich naar haar huis laten rijden en nadien weer laten ophalen. Ze was zijn therapeut geworden en hij was daar heel blij mee. Hij kon van zich afpraten en had dat nodig. Ze woonde samen met haar vriendin, Joëlle meestal afgekort tot Jo, in een mooi huis aan het strand. En Joëlle was ook heel leuk. Ze gaf tekenles op een Elementary School en een High School en daarnaast schilderde ze zelf ook. Op diverse plekken in hun huis hing werk van haar en Richard vond het prachtig. Zelf kon hij helemaal niet tekenen. Krabbelen, ja, dat kon hij maar het stelde nooit iets voor. Een talent dat zich bij hem niet had ontwikkeld. Joëlle werkte niet fulltime en was er steeds geweest als hij bij Jocelyn een afspraak had. Je kon bij hen gewoon naar binnen lopen en wachten in het zitje in de hal tot Jocelyn je kwam halen maar tot nu toe had haar partner steeds de deur voor hem opengedaan en hem meegenomen naar de woonkamer. “Gezelliger!” zo had ze gezegd en dat was ook zo geweest. Jo was heel erg aardig. En … dat had er op een middag toe geleid dat Richard ook zijn hart bij haar had uitgestort. Het had hem allemaal te hoog gezeten die middag. Hij had zich hopeloos gevoeld en diep ellendig en … nou ja … de woorden waren er ineens geweest en nadien had hij zich vreselijk bezwaard gevoeld omdat … nou ja … zij was niet zijn therapeut tenslotte. Toen hij dat onder woorden had gebracht had ze er niets van willen weten. “Het kwam zoals het kwam, Richard. En dan is het goed. Laat de dingen komen zoals ze komen. Een heel goede oefening in loslaten, vind ik altijd.” Lieve woorden en zo op hun plaats.
‘Nou?’ vroeg Max. ‘Doen we het op z’n Stans of houden we ons in?’
Richard wist het niet. Twijfelen. Daar was hij goed in. Soms wist hij het gewoon allemaal niet meer. Wist hij absoluut nie…
‘Maak een keuze, Richard, of anders pak ik een dobbelsteen: even is bellen, oneven is niet bellen.’
‘Je kunt de keuzes in je leven toch niet overlaten aan een dobbelsteen?’
‘Waarom niet?’
‘Nou ja … ‘
‘Niet alle keuzes. Sommige moet je nemen door je eerst goed te laten informeren, er diep over na te denken en dan een rationele keuze te maken. Andere neem je op je gevoel. Toen ik Edith vroeg of ze met me wilde trouwen was dat heel spontaan, puur vanuit mijn gevoel. Ik had er niet over nagedacht. Liefde is bovendien niet iets dat je kunt beredeneren. Het voelde gewoon goed om te doen. De dobbelsteen kwam er niet bij te pas. Maar bij andere vraagstukken waar ik er door te denken en her en der informatie in te winnen niet uitkwam wat goed of niet goed was, heb ik wel eens een beslissing genomen door de dobbelsteen te laten rollen of een munt op te gooien.’
Richard keek Max met grote ogen aan. ‘Echt?’
‘Ja. Soms weet je gewoon niet wat goed of niet goed is.’
Heel duidelijk merkte Richard op dat het woord “fout” voor de tweede keer door Max niet gebezigd werd. “Niet goed” leek hij al niet prettig te vinden maar om het verschil aan te duiden was het noodzakelijk.
‘Wat zegt je gevoel?’
‘Dat ik moet bellen maar het is midden in de nacht!’
‘Bel! Doe het gewoon!’
Hij wist het niet. Hij wist even helemaal niets en dat voelde verrekte rot. Allerlei dingen leken hem ineens te bespringen. Ook dat ene. Dat ene dat … Hij stond op, liep naar de buffetkast, pakte de telefoon en zocht het nummer van Jocelyn in het adresboek. Voor dat hij verbinding maakte was er opnieuw een aarzeling maar toch drukte hij de knop in.
‘Me… met Jo,’ klonk het slaperig en krakerig.
‘Sorry. Sorry dat ik … nou ja … dat ik je wakker heb gemaakt,’ verontschuldigde Richard zich.
‘Met Richard? Ik herken het nummer van de Drummonds en Max heeft een heel andere stem. Ja, dus. Geeft niets, Richard, ik moest toch wakker worden want de telefoon ging.’
‘Huh?’
‘Een grapje, Richard, maar ik snap dat je hem niet begrijpt want het is nog erg vroeg, zie ik nu. Wat kan ik voor je doen?’
Richard legde uit dat hij graag langs wilde komen om iets met Jocelyn te bespreken. Dat het belangrijk voor hem was.
‘En zij heeft vast en zeker gezegd dat je altijd mocht bellen als er iets was.’
‘Ja.’
‘Eigen schuld. Moet ze eindelijk maar eens leren om het anders te formuleren. Heel goed dat je het letterlijk hebt genomen, Richard. Kom deze kant maar op. Max kan je vast wel brengen maar ga wel eerst iets eten allebei. Zonder ontbijt van huis is niet goed.’
Zo kende Richard Jo inmiddels: bijna altijd een wijsheidje meegeven.
* * *
Gewoontegetrouw praatte Max tijdens het chaufferen niet. Eigenlijk had hij het best kunnen doen. Het was enorm rustig op de weg en dat was logisch: het was erg vroeg. Maar toch had hij zijn mond gehouden. Af te toe had hij een blik opzij geworpen op zijn passagier. Eerst was Richard heel gespannen geweest en waren er grote, diepe denkrimpels op zijn voorhoofd te zien geweest. Daarna was hij in slaap gevallen. De vermoeidheid had hem overmand. Als het even kon keek hij naar de jongen rechts van hem. Dit was beter. Richard leunde iets naar rechts en hij was meer ontspannen nu en dat had hij nodig. Afleiding en ontspanning waren goed voor hem. Dat zorgde ervoor dat hij niet steeds in zijn hoofd zat.
‘Oh … was ik weer eens in slaap gevallen?’ verzuchtte Richard toen hij merkte dat de auto stilstond.
‘Ja. Een goede zaak, jongen, want je was veel te vroeg wakker voor jou doen.’
De deur van het huis ging open en Joëlle verscheen in de deuropening.
‘En kijk eens,’ zei Max, ‘er wordt al op ons gewacht.’
‘Ja. Geen wonder. Ik heb haar uit bed gebeld.’
De toon was duidelijk. Richard voelde zich schuldig. ‘Niet doen, Richard. Ga je nou niet schuldig voelen over jouw keuze. Het is een goede keuze, daar ben ik van overtuigd.’
‘Ik nog niet,’ klonk het mopperig.
‘Laat het op zijn beloop. Je had het nodig om met Jocelyn over iets te praten en dat ga je nu doen.’
‘Maar wat als er nou niets bijzonders uit komt. Wat dan?’
Max kon zich dat niet voorstellen en liet dat ook duidelijk weten door eraan toe te voegen: ‘Kom op, er wordt op ons gewacht.’
‘Wil je erbij blijven dit keer? En als ik je nodig heb, wil je dan ook gewoon meepraten?’
‘Ik blijf erbij als jij dat wilt maar dat laatste laat ik over aan Jocelyn. Zij kan het beste beoordelen of dat handig en verstandig is. Mee eens?’
Richard knikte. Dat Max er opnieuw bij zou zijn voelde al als een hele steun. Verdomme! Waarom was hij ook altijd zo aan het twijfelen! Waarom moest hij altijd alles keer op keer overdenken!
‘Goedemorgen, heren!’ verwelkomde Joëlle haar vroege gasten. ‘Het is een prachtige dag om vroeg op te staan, nietwaar?’
‘Helemaal mee eens, Jo. Heb je Jocelyn wakker kunnen krijgen?’
‘Zeker wel. Ze wacht al op jou in haar werkkamer, Richard. Max drink jij een kopje koffie met mij?’
Max gaf haar aan dat Richard had gevraagd of hij bij hem wilde blijven tijdens het gesprek. ‘Geen probleem. Jullie bepalen wat goed is. Dan drinken we naderhand samen iets.’
En dat werd afgesproken.
* * *
Jocelyn had de telefoon wel horen overgaan maar had het opnemen overgelaten aan haar vriendin. De telefoon stond aan haar kant van het bed en dus … Even later had Jo haar wakker gemaakt. Eerst was ze hogelijk verbaasd geweest vanwege het vroege tijdstip maar daarna ook meteen klaarwakker. Ze was meteen onder de douche gestapt, had haar ochtendyoga gedaan en had in haar werkkamer al wierook aangestoken en een muziekje opgezet. Ze was er helemaal klaar voor. ‘Goedemorgen, Richard, Goedemorgen, Max,’ begroette ze haar bezoekers. ‘Vroeg hoor, maar geen enkel probleem.’
‘Echt niet?’ vroeg Richard op een toon waaruit duidelijk bleek dat hij het zich niet kon voorstellen.
‘Nee. Ik weet wat ik gezegd heb. Meestal maken cliënten er geen gebruik van mij maar jij wel en daar ben ik blij om.’
‘Oh.’
‘Je hebt iets van me nodig, Richard, en misschien klinkt dat gek, maar het geeft mij een goed gevoel. Een gevoel vooral dat je vertrouwen in mij stelt. En dat is in de relatie die wij hebben opgebouwd de afgelopen tijd heel erg belangrijk. Snap je?’
‘Ja.’ En dat was niet zomaar een antwoord maar hij begreep heel goed wat zij bedoelde.
‘Max blijft erbij vanmorgen?’
‘Ja,’ antwoordde Richard voor Drummond, ‘en als het kan, zou ik ook graag willen dat als het nodig is hij deelneemt aan het gesprek dat wij gaan hebben. Ik weet niet of dat kan maa… ‘
‘Alles kan, Richard, jij bepaalt.’
‘Dank je. Ik weet niet of het nodig is maar het kan zijn dat hij iets kan aanvullen of zo en misschien heb ik gewoon even nodig dat ik hem in de ogen kan kijken.’ Het klonk vaag in zijn eigen oren maar het was wel hoe hij het voelde. Max was belangrijk voor hem. Net als Edith dat ook was. Hij wist dat hij altijd op hen kon terugvallen. Hij slikte. Hij had het moeilijk.
Jocelyn merkte dat Richard met zijn gevoel worstelde. Het was haar duidelijk dat hem iets hoog zat. Hij tobde ergens over. ‘Ga maar zitten. Dan gaan we beginnen.’ Toen Richard was gaan zitten, of beter gezegd liggen, begon ze met haar vaste opening om hem tot rust te laten komen. Ze had diverse variaties op dat begin. Ze besteedde aandacht aan de ademhaling. Gaf aan dat de adem een rustpunt kon zijn omdat het altijd aanwezig was. Soms snel, dan weer langzaam maar wel altijd present. En toen ze zag dat Richard met zijn ogen gesloten heel rustig in de stoel lag, begon ze met het stellen van vragen. Doodgewone vragen waarop Richard als automatisch antwoordde. Na een tijdje stopte ze en vroeg ze hem waarom hij vanmorgen was gekomen. Wat de aanleiding was.
‘Het gaat om de broodtrommel,’ zei Richard.
‘Er is iets met een broodtrommel,’ concludeerde Jocelyn. Haar geheugen was heel erg goed. Ze kon razendsnel eerdere gesprekken terughalen. Ze werkte alles uit en zette dat in haar computer maar dat diende vaak alleen als naslagwerk. Dat wat Richard had gezegd over zijn broodtrommel kwam naar boven. Ook wist ze ineens weer dat het toen geleken had of hij in gedachten heel ver weg was geweest, alsof … alsof hij ergens aan was blijven hangen in zijn geheugen.
‘Ja. De vorige keer dat we dit deden vertelde ik dat ik van tafel was gestuurd maar het niet erg vond omdat ik nog wel iets in mijn broodtrommel had, of zoiets. In elk geval … daar kwam het op neer.’
‘De woorden die je toen gebruikt hebt, zijn niet het belangrijkste, Richard. Veel meer is het van belang wat voor gevoel er bij jou was op dat moment. Het gaat om je broodtrommel. Er zat nog brood in. Was dat een opluchting voor jou?’
‘Ja. Het was … ‘ Opnieuw was Richard weg.
Jocelyn merkte het meteen op. Ze keek naar de oogleden van de jongen en zag ze hevig trillen. ‘Richard,’ drong ze aan, ‘probeer er bij te blijven. Vertel me wat de aanleiding was om te denken aan die broodtrommel. Het was een winterse dag, je was thuisgekomen uit school. Vertel me daar eerst eens iets over.’ Ze hoopte met dit uitstapje hem terug te krijgen naar een beschouwende positie en niet naar iets waar hij middenin zat.
Richard zuchtte diep. Het leek of hij wakker werd maar het gekke was dat hij de vraag van Jocelyn wel had gehoord. ‘Op school hadden we al in de sneeuw gespeeld: sneeuwballen gegooid, een sneeuwpop gebouwd, baantje gegleden. Allemaal leuke dingen en dat wilde ik thuis ook. Met de schoolbus ging ik naar huis. Ik stapte uit bij de vaste plaats en moest toen nog anderhalve kilometer lopen ongeveer. Geen probleem. De weg was aardig schoon. Thuisgekomen zette ik … ‘ En weer was hij weg.
‘Waar blijf je aan hangen, Richard? Wat haalt je uit je verhaal van die dag?’
‘Die broodtrommel! Hij kan ’s avonds nooit in mijn rugzak gezeten hebben want … ik heb hem toen ik thuiskwam meteen in de vaatwasser gedaan.’
Max begreep ineens volledig waarom dat vreemd moest overkomen. Een broodtrommel die in de vaatwasser gezet was, kon ’s avonds niet ineens met brood erin in een rugtas zitten. En toch … en toch was dat wat Richard had gezegd.
‘Ik kan me heel goed voorstellen dat dit vreemd op je overkomt, Richard, maar laat het los voor dit moment. Ik wil met je naar een andere dag. Opnieuw een dag die voor jou niet makkelijk zal zijn geweest. Op jouw verzoek sluiten Max en ik steeds alles kort. We overleggen. Jij hebt aangegeven dat je dat graag wilt zodat wij en Edith jou goed kunnen begeleiden.’
Richard knikte. Dat was zijn wens geweest. Het voordeel voor hem was ook dat hij niet steeds alles weer opnieuw hoefde te vertellen. Het was gemakkelijker en minder pijnlijk soms.
‘Ga even terug naar je adem. Richt je alleen op je ademhaling. Voel wat er gebeurt in je lijf. Voel de adem.’
Richard liet los. Bij Jocelyn was hij dat gewend inmiddels. Ook in de gewone sessies – zoals hij ze noemde – gebruikte ze dit vaak om even een moment van rust in te lassen als ze voelde dat hij dat nodig had. Als de emoties hem even te veel werden bijvoorbeeld.
‘Probeer, als je weer rustig genoeg bent, eens terug te gaan naar een andere dag. Een dag waarop jij in elk geval van tafel werd gestuurd of niet aan tafel mocht verschijnen van hem. Een vervelende dag die wellicht vol zat met ruzie en gedoe. Het zal niet gemakkelijk zijn. Je zult het opnieuw beleven en dat vergt veel van je. Probeer, als het kan, aan al die gevoelens voorbij te gaan. Houd je stevig vast aan je ademanker en blijf in het moment. Richt je daarna volledig op je broodtrommel.’
Richard vond het vreemd. Dat van die broodtrommel hadden ze gehad toch? Waarom nou opnieuw zich richten op die broodtrommel?
‘Kijk eens wat er met die broodtrommel is gebeurd die dag. Misschien vind je het een rare vraag maar probeer het eens. Geef me het voordeel van de twijfel, Richard. Vertrouw op me.’
Dat laatste zorgde ervoor dat hij toch deed wat ze zei; hij vertrouwde haar volledig. Hij zocht in zijn geheugen en kwam uit bij een andere dag. Een dag die als zoveel andere bol stond van gedoe. Toen hij en Stan thuiskwamen uit school had hij laveloos op de bank gelegen. Ze maakten te veel lawaai bij het binnenkomen volgens hem. Het kwam vaker voor dat hij overdag thuis was. Dat compenseerde dan zijn uren met het Canadian Footballteam van zijn school dat hij begeleidde. De competitie werd vaak in de avonduren afgewikkeld en soms waren er toernooien in de weekenden. Ze kwamen met te veel lawaai binnen. Stan was stuurs geweest om de een of andere reden en had zowat een klap gekregen maar hij was er tussen gesprongen en ving de klap op. Ging tegen de grond. Stan begon te huilen en rende op zijn aanwijzing naar boven maar moest terugkomen van hem. Hij bande de rest van de herinnering uit. Het deed hem te veel pijn. De broodtrommel. Hij moest zich richten op die broodtrommel dat had Jocelyn van hem gevraagd.
‘Houd je gedachten aan die dag niet voor jezelf, Richard. Deel het met mij en Max. Laat ons weten wat er zich op die dag afspeelde.’
Hij begreep het. Het delen zou het draaglijker maken, zo wist hij inmiddels. Jocelyn spoorde hem altijd aan om te praten. Want daardoor kon hij het kwijt, was haar mening. En dat was ook zo. Het verlichtte hem als het ware. Het maakte het allemaal iets minder zwaar. Alsof hij een zware rugzak af mocht doen en hij het verschil meteen voelde. Hij vertelde haar en Max wat hij zo-even had gezien. ‘Maar ik zal me richten op de broodtrommel,’ zo besloot hij zijn samenvatting. ‘Na … na het gedoe zetten we die beiden in de vaatwasmachine. Zij … zij kwam tegen de tijd dat we moesten eten thuis en maakte snel iets klaar. Hij deed nooit iets aan het eten. Als zij er niet was met het eten dan werd er pizza besteld. We hebben vreselijk veel pizza gegeten.’ Hij moest lachen. ‘Gek eigenlijk, nog steeds vind ik pizza lekker.’

Morgenster – 8 – Morgenster – 10