2 mei 2022

Morgenster – 2

Richard bleef staan kijken. Hij zag hoe de golven op de kust aangerold kwamen. Hij zag surfers maar kon ze van deze afstand niet goed onderscheiden. Zelf had hij ook altijd graag willen surfen maar het was er nooit van gekomen. Hij nam zich voor dat hij het eens echt zou gaan doen. ‘De computer!’ herinnerde hij zichzelf hardop. Hij liep naar het bureau en voelde zich wel wat bezwaard want enige hulp was inderdaad nodig. Het bureau was gewoon een puinhoop omdat overal boeken – open en dichtgeslagen – , A4-tjes en andere spullen lagen. En zo had hij niet echt een werkplek. ‘Is het goed dat we eerst iets werkruimte voor mij creëren?’
‘Ach natuurlijk! In die rotzooi van mij kan niemand werken.’
‘Nou ja … zo bedoelde ik het nie… ‘
‘Ja, wel degelijk wel! Je hebt helemaal gelijk. Mijn vrouw wil al tijden mijn domein,’ en daarbij maakte hij een weids gebaar met beide armen om de hele kamer aan te duiden, ‘aanpakken. Maar dat wil ik niet hebben. Ze zou alleen maar spullen van mij kwijt maken.’
‘En wil je zeggen dat je nu iets kunt vinden?’ Een blos schoot over zijn wangen die al enigszins gekleurd waren vanwege het mooie weer dat het een groot gedeelte van het jaar in Monterey was.
‘Hahahaha! Je bent me er eentje, Richard!’
‘Sorry, meneer.’
‘Nee, joh. Geen sorry zeggen. Je hebt helemaal gelijk. Soms moet ik echt vreselijk lang zoeken omdat ik het ergens in deze resten van Pompeii heb neergelegd maar niet meer weet waar. Misschien is het een goede overweging om mevrouw Lopez eens uit te nodigen zodat zij er orde in kan aanbrengen.’
Richard wist niet precies of hij hier op moest reageren maar hij wist zeker dat als je mevrouw Lopez hier los zou laten, ze als een wervelwind zou rondgaan en dat Drummond dan de eerste tijd ook helemaal niets zou kunnen vinden omdat alles georganiseerd was en hij dat niet gewend was.
‘Kom, ik help je!’ zei Drummond en hij begon een werkruimte voor Richard te maken door opengeslagen boeken dicht te slaan maar niet nadat hij er een stukje papier tussen had gelegd zodat hij terug zou kunnen vinden waar hij gebleven was.
Terwijl hij de dean bekeek zag hij dat in die ongeorganiseerde puinhoop toch wel enige vorm van ordening zat want Drummond leek precies te weten wat hij deed. Richard assisteerde met de nodige pijn die hij manmoedig verbeet en legde boeken op aanwijzing van de oude, witharige man op de boekenplanken die hem aangewezen werden en toen er ongeveer één vierkante meter van het bureau leeg was, gaf hij aan dat hij voldoende ruimte had om te werken.
‘Echt? Want eigenlijk voelt het best goed om het hout van mijn antieke bureau weer eens te zien.’
Richard schoot in de lach maar moest dat ook meteen bezuren. Zijn ribbenkast kon zoiets niet aan op dit moment.
‘Eigen schuld, jongen! Mij een beetje uitlachen!’
‘Nee, mene… Max, zo bedoel ik het niet.’
‘Tuurlijk niet. Dat weet ik ook wel. Moet ik mezelf ook maar niet tot onderwerp van spot laten gebruiken. Maar lukt het nu echt wel. Heb je ruimte genoeg?’
Volgens Richard had hij ruimte genoeg en uit zijn rugzak haalde hij zijn oprolbare gereedschapstas die hij meteen uitrolde en waaruit hij een stuk gereedschap haalde om het oudje van Drummond mee te openen. Heel snel had hij de kast los en eraf. Stoffig, zoals hij vaak had aangetroffen bij mensen voor wie hij het onderhoudswerk aan hun computer deed, was deze van binnen niet echt. ‘Dat hebt u, sorry, dat heb je goed onderhouden, Max.’ Het tutoyeren voelde nog steeds wat vreemd voor hem en dat zou ook nog wel even duren. Hij was het thuis niet gewend. Daar hadden ze andere regels gehad. Hij had altij…
‘Laten onderhouden, jongen. Zelf maak ik zo’n ding echt niet open. Ik behandel het altijd als de doos van Pandorra en zou het niet in mijn hoofd halen om het zelf open te maken. Fred Quintana kwam altijd langs maar die heeft het te druk op dit moment.’
‘Ik weet het,’ reageerde Richard blij als hij was dat hij kon praten. Dat zou ervoor zorgen dat er even geen herinneringen aan thuis waren. ‘Freds zaak loopt prima maar hij zou meer mensen in dienst moeten nemen.’
‘Maar zoiets is vaak lastig.’ Max liet een hele verhandeling volgen over het in dienst nemen van personeel en alle ins en outs die daar bij kwamen kijken. Hij zag dat Richard luisterde maar toch gewoon doorwerkte.
‘Ja, daar zegt u zo wat. Nooit aan gedacht eigenlijk.’
‘Het ondernemerschap heeft duidelijke voordelen. Vrijheid en eigen baas zijn, zijn daar twee van maar er kleven ook nadelen aan. Wat wil jij later gaan doen als je je diploma hebt?’
‘Weet ik nog niet.’ Het antwoord was niet geheel naar waarheid maar Richard vond het een voldoende antwoord.
Aan de verstrakking rond Richards lippen merkte Max heel duidelijk op dat het waarheidsgehalte van het antwoord van de jongen niet echt hoog was. Vanwege zijn jarenlange omgang met mensen wist hij bijna altijd met zekerheid te zeggen wanneer er hem een leugen werd verteld of, eufemistisch gesproken hem de waarheid werd onthouden. Zoiets was altijd af te lezen op het gezicht, zo had hij ontdekt. Omdat Richard er niet op doorging, liet hij het rusten. Hij kon zich echter niet voorstellen dat de jongen, die zo gedreven bezig was geld te verdienen met al die baantjes van hem, niet een plan had.
Op de een of andere manier voelde Richard zich ineens wat ongemakkelijk en hij wist ook meteen waarom. Hij had Max, zonder blikken en blozen, voorgelogen en dat voelde ineens niet goed. Jarenlang had hij geoefend in het vertellen van halve waarheden en complete onwaarheden en altijd was hem dat heel erg goed afgegaan maar vandaag ineens niet. Waarom? Speelde het misschien mee dat hij zich nu niet lekker voelde. De pijn in zijn ribbenkast die even weg was geweest, was weer terug en erger dan voorheen. Misschien was dat de oorzaak. Het was hem vaker gebeurd dat hij op momenten dat hij lichtelijk ziek was geweest ineens moeite had met dingen die hem anders vrij eenvoudig af gingen. Maar … oké, niet denken nu. Gewoon werken. Maar Drummond was wel een bijzondere. Het leek alsof hij over koetjes en kalfjes praatte maar toch had Richard heel duidelijk het idee dat hij geobserveerd werd.
‘Lukt het allemaal?’
‘Ja, hoor. Het gaat prima. De computer is nog in goede staat. Het lijkt erop dat ik alleen maar een nieuwere versie van Windows er op hoef te zetten, wat extra intern geheugen er in moet zetten en een netwerkkaart. En dan is hij volgens mij klaar voor het door u gewenste netwerk. En de computer van uw vrouw? Is die ook zo oud?’
‘Nee, die is nieuwer. Zij zag pas later de voordelen van een computer in.’
‘Dan moet dat dus helemaal geen probleem zijn.’
Er werd op de deur geklopt en Edith stak haar hoofd om de hoek van de deur. ‘Het eten is klaar, heren,’ waarna ze ook meteen weer weg liep.
‘Ga je mee?’ vroeg Max.
‘Euh … ‘
‘Eten. Mijn vrouw heeft heerlijke lasagne gemaakt.’
‘Ik heb boterhammen meegenomen en denk dat ik beter even wat kan doorwerken.’
‘Ik denk niet dat mijn vrouw dat zal pikken, Richard. Een gast zijn eigen brood laten opeten terwijl er warm eten op tafel staat is een doodzonde hier in huis.’
‘Maar … ‘ Hij voelde paniek in zich op komen. Wat moest hij aan tafel bij deze twee mensen? Zouden ze hem ondervragen? Alles van hem willen weten? En … wat moest hij dan? Kijkend naar Max besefte hij dat hij gewoon niets anders kon zeggen dan dat het goed was en maar hopen dat alles los zou lopen.
* * *
Het eten rook heerlijk, zo merkte Richard op toen ze de studeerkamer verlieten. Hij voelde hoe het water hem in de mond liep terwijl hij dean Drummond volgde. Lasagne was een van zijn favoriete gerechten. Ten eerste omdat het gewoon lekker was en ten tweede omdat hij het zelf klaar kon maken en ook nog redelijk snel. Hij kocht het nooit meer uit de diepvries van de supermarkt waar hij werkte. Eén keer had hij dat geprobeerd maar het was weggegooid geld geweest. Gewoon niet te eten.
‘Je vindt het toch niet erg dat we in de keuken eten, hè?’ vroeg Edith toen ze de keuken binnenstapten.
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Met z’n tweeën en als we één of twee gasten hebben eten we altijd hier namelijk,’ lichtte ze toe. ‘Alleen bij een groter gezelschap maken we gebruik van de eetkamer.’
‘Ook handiger toch? Dan hoeft er niet gesleept te worden met de pannen en zo,’ viel Richard haar bij.
‘Je bent praktisch ingesteld, Richard!’ prees ze hem.
Hij bloosde. Een compliment. Ook al iets bijzonders. Hij moest uitkijken dat hij niet te veel van zichzelf liet zien, hield hij zich voor.
Tijdens de maaltijd viel zijn voornemen hem behoorlijk zwaar want natuurlijk wilde vooral Edith heel veel van hem weten. Hij ging ervan uit dat haar man alles over hem waarschijnlijk wel uit zijn studentendossier wist maar zij kende die gegevens niet en vroeg er dus lustig op los. Ze wilde weten waar hij vandaan kwam en toen hij naar waarheid antwoordde dat hij uit Canada kwam, keek ze vreemd op.
‘Helemaal uit Canada?’
‘Ja, mevrouw. Oh, sorry. Ja.’
‘Ik meende al te kunnen horen dat je met een accent sprak.’
‘Geen accent. Gewoon Canadees hoor! Wij zijn gewend de woorden iets anders uit te spreken dan Amerikanen dat doen.’
‘Nu is het mijn beurt om sorry te zeggen. Neem me niet kwalijk alsjeblieft.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Maar waarom komt iemand uit Canada naar Monterey om een Community College te volgen?’
‘Mogen onze buren soms niet in ons mooie Amerika onderwijs volgen?’ brak Max in en schopte licht met zijn voet tegen het been van zijn vrouw. Hij zag haar naar hem kijken en toen liet ze haar eerdere vraag voor wat het was en gaf aan dat dat natuurlijk geen enkel probleem was.
‘Geen enkel probleem hoor dat je ernaar vroeg. Hoewel het klimaat op Vancouver Island de mildste van heel Canada is, is het hier toch veel zonniger en warmer. Dat alleen al is heerlijk.’
‘Maar geen problemen om je aan te passen wat de taal betreft?’
‘Niet echt. Alleen kijken ze me wel eens vreemd aan als ze me horen praten. Uit mijn mond klinkt het anders, nietwaar? Ook met het schrijven heb ik soms nog wel wat problemen. Wij gebruiken soms de Britse regels voor de spelling.’
‘Oh ja?’
Richard was blij dat hij aan het woord was. Nu werden er in elk geval geen vragen meer gesteld die hij zou moeten beantwoorden. Uitgebreid deed hij uit de doeken hoe het precies zat met de taalverschillen en daarna ging hij haast automatisch over op het onderwerp van de officiële tweetaligheid van Canada, die in principe maar in één provincie – New Brunswick – echt werkte.
Max Drummond lette heel goed op tijdens de uitweiding van Richard over zijn moedertaal. Hij had op het gezicht van Richard de opluchting waargenomen toen deze een kans zag om zelf de touwtjes in handen te nemen en het gesprek te leiden. Waarom had deze knaap er moeite mee om vragen te beantwoorden die met hemzelf te maken hadden? Wat verborg hij? Een vraag die hem al vanaf voor de Kerst bezighield. Er was iets met deze jongen maar wat, dat wist hij nog niet en het was zijn bedoeling om daar vanavond achter te komen. Toen Richard zijn uitleg had beëindigd ging hij, zo merkte Max op, heel natuurlijk verder door vragen te stellen over de vele foto’s aan de wand naast de eettafel en Edith was trotse moeder van vijf kinderen, waarvan twee ééneiige tweelingen, en trotse oma van twaalf kleinkinderen genoeg om uitvoerig alles over hun familieleven te vertellen en dat zorgde ervoor dat er tijdens de maaltijd volop gepraat werd.
‘Maar nog één vraagje voor jou, als het mag,’ vroeg ze aan Richard. Ze zag de jongen knikken en ging verder. ‘Was het moeilijk om toestemming te krijgen om als Canadees in Amerika te mogen studeren?’
‘Ik ben geboren in Chicago en dus Amerikaan,’ luidde het antwoord van Richard.
Max wist het. Op de kopie van zijn geboortebewijs had hij gezien dat Richard in de Verenigde Staten geboren was en dus was hij Amerikaans staatsburger. Maar waarom had hij niet verteld dat zijn vader Amerikaan van geboorte was en dat zijn moeder, hoewel van geboorte Canadees, dat ook geworden was. En Richard dus op grond daarvan ook Amerikaans was.
Na de maaltijd ging Richard samen met Max terug naar diens studeerkamer met de mededeling van de vrouw des huizes dat zij de koffie zou komen brengen. Hij ging verder met het ontleden, controleren en daarna opnieuw inrichten van de computer van Max terwijl deze in de zithoek ging zitten met een boek. Richard was snel klaar en nadat hij de computer had aangezet voor de configuratie, ging hij de computer van Edith ophalen uit haar werkkamer die Max hem aangewezen had toen ze van zijn studeerkamer naar de keuken waren gelopen. Daar zag hij nog veel meer foto’s hangen. Hij herkende de twee stellen tweelingen, twee jongens en twee meisjes, heel duidelijk. De jongens waren de oudsten. Daarna waren er twee meisjes gekomen en vervolgens nog een jongen. Ze hadden bijna allemaal over de wereld gezworven, zo had hij gehoord, en het was voorgekomen dat Max en Edith gedurende bepaalde perioden hun kleinkinderen hadden grootgebracht terwijl hun vaders en moeders ergens in het buitenland werkten. Richard vond zoiets mooi. Heel erg mooi. Kijkend naar de foto’s probeerde hij zich voor te stellen hoe gezellig het zou zijn als iedereen hier thuis was met bijvoorbeeld Thanksgiving of Kerst. Het oproepen van dat gevoel zorgde echter ook voor pijn. Snel wendde hij zijn hoofd af, ontkoppelde de computer en deed een poging het ding op de tillen. Dat lukte dus niet. Het gaf hem te veel pijn in zijn ribben.
‘Lukt het?’ vroeg Edith die net langs liep met een dienblad.
‘Normaal wel maar nu eventjes niet.’
‘Wacht maar even dan haal ik een karretje.’
Lang wachten hoefde Richard niet want ze was snel terug. Samen schoven ze de computer op het karretje en brachten het zo naar de studeerkamer.
‘Erg onattent van je, Max,’ zo kreeg hij het verwijt van zijn vrouw, ‘om Richard mijn computer alleen te laten ophalen!’
Max schrok op uit zijn boek. ‘Wat, schat?’
‘Laat maar,’ richtte ze zich tot Richard. ‘Als hij eenmaal leest dan kan de wereld om hem heen vergaan en hij zal er niets van merken.’
Richard moest glimlachen om de leuke manier waarop de twee met elkaar omgingen. Zoiets … nee. Niet doen, hield hij zichzelf voor.
‘Eerst dan maar even koffie, Richard? Vroeg Max
Richard vond het prima.
‘Het is nu nog lekker warm. Tenzij jij van koude koffie houdt, natuurlijk. Ik ken mensen die hun koffie drinken als die pas koud is.’
‘Ik niet. Zo heet mogelijk het liefst.’
‘Helemaal mijn idee, jongen. Kom hier bij me zitten. Als het licht was geweest kon je nog wat genieten van het uitzicht.’
Richard ging heel voorzichtig, vanwege de verwachte pijn, bij Max in de zithoek zitten en toen hij de mok die voor hem op tafel stond wilde oppakken, was er even weer flinke pijn.
‘Blijf jij maar rustig zitten.’ Max pakte de voor Richard bestemde mok en gaf die aan hem. ‘Dat wordt morgenvroeg wat, jongen!’
‘Ja, dat denk ik ook. Zal best lastig worden om dan in beweging te komen.’
‘Werkt de pijnstiller nog wel?’
‘Niet echt meer.’
‘Maar waarom geef je zoiets niet aan, Richard? We hebben genoeg van dat spul in huis. Ik haal even wat voor je.’
Richard voelde zich bezwaard. Hij was hier gekomen om te werken en nu had hij al heel veel tijd verspild door met Max en Edith mee te eten en nou verschaften ze hem ook nog eens een pijnstiller. Nou was dat laatste natuurlijk niet zo duur maar toch … hij vond het vervelend. Het was sowieso vervelend al dat gedoe. Waarom had hij ook niet beter uitgekeken! Veel tijd om te denken had hij niet want Max kwam terug maar niet alleen. Edith was bij hem en ging op de bank tegenover hem zitten.
‘Weet je wat mevrouw Jenkins je gegeven heeft vanmiddag?’
‘Euh … nee. Het spijt me.’
‘Ik bel haar wel even op.’
Nog meer rotgevoelens welden in hem op. Hij bezorgde deze twee oude mensen alleen maar heel veel last terwijl hij meegekomen was om hen te helpen met hun computers. Heel duidelijk sprak hij met zichzelf af dat hij hen niets anders in rekening zou brengen dan de materiaalkosten. Uit het telefoongesprek tussen Edith en mevrouw Jenkins maakte hij op dat de twee elkaar goed kenden. Ze spraken heel familiair met elkaar en wisselden ook nog wat nieuwtjes uit over kinderen en kleinkinderen.
‘Oké, ik weet het,’ zei Edith toen ze de verbinding verbroken had. ‘Ik kan je er gerust nog wat bijgeven. Geen probleem.’ Ze liep weg en was even later terug met twee pillen en een glas water.
‘Twee?’
‘Gewoon innemen. Rondlopen met pijn is niets. Bovendien moet je ervoor zorgen dat je goed blijft doorademen want anders krijg je problemen met je longen. Kun je dat goed? Doorademen?’
Richard probeerde het en had het idee dat het wel ging. De blik die Edith op hem wierp was echter een heel bezorgde blik. ‘Vind je dat het niet goed gaat?’
‘Ik weet het niet. Zolang je hier bent, houd ik je in de gaten. En als jij verstandig bent ga je morgen toch even langs het ziekenhuis om een foto te maken. Je weet nooit.’
‘Maar morgen moet ik naar huis.’
‘Naar Canada? Met een auto?’
‘Ja.’
‘Maar dat is geen doen, Richard! Zoiets is absoluut niet goed in jouw situatie!’
‘Maar ik kan niet wegblijven. Ik moet gewoon naar huis!’
‘We gaan eerst rustig koffiedrinken,’ mengde Max zich in hun tweegesprek. ‘En dan kijken we wel verder. Wat mij betreft hoeft er ook niet meer gewerkt te worden en kan ik je straks naar huis brengen zodat je kunt gaan rusten.’
‘Nee, ik wil deze klus graag afmaken.’
‘Heeft er wel eens iemand tegen je gezegd dat je stijfkoppig bent!’ klonk het pinnig uit de mond van Edith.
De jongen schoot in de lach en kromp meteen daarna ineen van de pijn. ‘Jawel,’ sprak hij toen de pijn weer weggetrokken was, ‘vaak genoeg.’
‘Houd hem in de gaten, Max!’ zei Edith terwijl ze naar Richard wees om vervolgens op te staan en de kamer te verlaten.
Max had moeten glimlachen om de strenge woorden van zijn vrouw. Daarna richtte hij zich tot de jongen. ‘Heb je weet van de betekenis van je voornaam, Richard?’
‘Nee. Het is niet iets waar ik me voor geïnteresseerd heb. Is dat stom?’
‘Nee. Waarom zou dat stom zijn?’
Er was een soort van opluchting bij Richard. Hij wilde niet als stom of ongeïnteresseerd overkomen bij Drummond. En waarom eigenlijk niet? Hij wist het niet. Vandaag was gewoon een heel rare dag.
‘Je kunt niet alles onderzoeken en napluizen. Ik weet toevallig dat Richard machtig betekent. En het bijzondere is dat jouw middelnaam, Maynard, bijna precies dezelfde betekenis heeft. Bijzonder. Nietwaar?’
‘Ja.’ Het antwoord was kort maar de gedachten die erna kwamen niet. Hij had het nooit geweten maar kon zich heel goed voorstellen waarom ze, en dan in het bijzonder hij, hem die namen hadden gegeven. Voor hem had hij altijd sterk en stoer moeten zijn. Vallen en huilen als kleintje was er niet bij geweest. Een man stond meteen op en huilde niet. Heel lang had hij hem op kleinzieligheden, zoals hij dat noemde, afgerekend. Totdat … En later had hij het opnieuw geprobeerd toen de overgang naar high school was geweest. Verplicht had hij zich van hem moeten opgeven voor Canadian Football. Hij had liever soccer willen spelen maar dat was een sport voor mietjes, naar zijn mening. En omdat hij zelf coach was van het Canadian Football team op de high school waar hij werkte werd hij nog toegelaten tot de voorselectie ook. Het was een gedoemd project geweest omdat het nou eenmaal gewoon niet wilde lukken. Thuis waren er harde woorden gevallen. Hardop uitgesproken minachting en allerlei pesterijen. Iets wat hem op dat moment al lang niet meer deerde.
‘Je achternaam stamt oorspronkelijk uit Ierland. Wist je dat?’
‘Ja. Mevrouw O’Malley van de supermarkt waar ik werk wees me daar op. Ze zei erbij dat ze me knapper vond dat de meeste Ierse mannen omdat die volgens haar meestal rood haar hebben.’ Het was opnieuw een eerlijk antwoord maar zo langzamerhand kreeg hij wel steeds meer vraagtekens bij dit gesprek. Drummond wist natuurlijk heel veel over zijn leerlingen maar om nu de betekenis van hun voornamen en de oorsprong van hun achternamen te gaan nazoeken, dat vond hij wat ver gaan.
‘Je ouders hebben je nooit verteld dat je Iers bloed had?’
Richard schudde zijn hoofd.
‘Ik ken veel Ieren hier in Monterey en wij hebben er ook een aantal in onze vriendenkring. Ze zijn natuurlijk heel gewone Amerikanen maar op Saint Patrick’s Day zijn ze ineens op en top Iers. Dan zijn ze trots op het Ierse bloed dat door hun aderen stroomt.’ Hij keek naar Richard en wachtte op een reactie. ’17 maart vulde aan.’
‘Ik weet dat Saint Patrick’s Day op 17 maart valt,’ liet hij ietwat geïrriteerd horen.
‘Bij jullie thuis werd Saint Patrick’s Day niet gevierd?’
‘Bij mij thuis zijn ze niet zo van het vieren. Noch Saint Patrick’s Day, noch Kerst, noch Thanksgiving waren dagen om feest te vieren. Je deed gewoon wat je moest doen,’ deelde Richard op monotone toon mede. Vervolgens voegde hij er iets aan toe en dat klonk heel anders ineens, zo merkte hij zelf op. ‘In Victoria en wijde omgeving was er de nacht na Saint Patrick’s Day altijd wel The Green Man. Een of andere, altijd onbekend gebleven man, die overal groene verfstrepen achterliet op huizen en gebouwen. Ik vond dat wel iets hebben. En … wellicht heb ik altijd wel iets van mijn Ierse bloed in me gevoeld want groen is mijn favoriete kleur.’ Hij grinnikte.
‘Zie je wel,’ lachte Drummond, ‘dat Ierse bloed laat zijn sporen achter. In het Gaelic, de taal die de Ieren spreken, betekent Donahue donkere krijger. En opnieuw vind ik de keuze van je ouders voor je voornamen heel bijzonder.’ Max keek Richard recht in de ogen. De blik werd beantwoord en niet afgewend. De ogen van Richard waren groen maar donker, zo zag hij. Donker en niet te peilen. Op zijn gezicht was wel iets anders te zien. De kaaklijn was verstrakt. De lippen stijf op elkaar en daardoor leek de mond nog kleiner dan hij van nature al was. Het leek erop dat bij zijn gesprekspartner alarmbellen waren afgegaan. ‘Richard, ik had je nodig voor onze computers. En dat heb je kunnen zien. Oud spul waarvan ik nog geen afstand wil doen omdat het nog allemaal goed is.’
Richard gaf aan dat hij het daar helemaal mee eens was. Volgens hem moest je niet iets weggooien als het nog goed te gebruiken was. Eerst kijken of je het kon reviseren.
‘Niet echt handig voor Fred want die verkoopt me liever iets nieuws.’
‘Ja, dat geloof ik meteen.’
Max zag dat de verstrakking in Richards gezicht iets losser werd. ‘Maar er is meer. Ik wilde eens met je praten en dan niet op mijn kantoor. Als ik een leerling op mijn kantoor uitnodig wordt dat meestal opgevat als een slecht teken. Leerlingen zijn dan vaak in alle staten. Paniek. Angst. Alles komt voorbij terwijl dat absoluut niet de bedoeling is, maar zo werkt het nou eenmaal wel. Snap je?’
Richard snapte het en knikte. Maar wat hij niet snapte was waarom Drummond een leerling dan bij hem thuis uitnodigde. Als hij dat bij alle leerlingen dee…
‘Ik doe dat niet bij alle leerlingen. Maar in jouw geval vond ik het handig om het een met het ander te combineren.’
‘De klus en … ‘
Max knikte. ‘Een goede aangelegenheid om met een leerling, op wie eigenlijk helemaal niets aan te merken is, in gesprek te komen.’
‘Maar ik begrijp niet waarom u, als er niets op mij aan te merken is, dan toch met mij wilt praten.’
Max gaf aan dat hij wellicht verkeerd begonnen was en verontschuldigde zich daarvoor. Volgens hem moest hij duidelijker zijn en daarom zou hij opnieuw beginnen.
* * *
‘Tenminste als je het niet erg vind om nog wat te luisteren naar me.’
Het luisteren was geen probleem voor Richard want hij wilde maar wat graag weten welke kant Drummond op wilde en daarom zei hij dat hij het niet erg vond.
‘Een eerste jaar zit bomvol nieuwe leerlingen. Zo is het nou eenmaal altijd. De meesten komen rechtstreeks van een high school. De meesten uit Monterey en directe omgeving maar ook wel van verder. Een aantal kennen we al. Die zijn wel eens voor een stage of een project bij ons geweest maar veel kennen we ook niet. Eén van mijn taken is om een beeld te krijgen van al die nieuwe leerlingen. Dat kan ik niet alleen. Daarom praat ik regelmatig met alle docenten. Vaak één op één maar ook in een vergadering met alle leraren bij elkaar. Dat laatste doen we om de twee maanden. Zo houden we de voortgang van onze nieuwe studenten goed in de gaten en kunnen we ingrijpen als dat nodig is. Vaak krijg ik alleen maar te maken met studenten die op de een of andere manier opvallen en vaak is dat dan in negatieve zin. Ze verzuimen, scoren slecht, zijn niet altijd even goed te motiveren of noem maar op. Toen jouw naam op een gegeven moment in een gesprek met een van jouw leraren naar voren kwam keek ik op omdat ik de naam Richard Maynard Donahue nog
niet eerder had gehoord. De gemaakte opmerking zette me echter wel aan het denken en dus zocht ik jouw dossier op en bekeek dat uitvoerig.’
‘Maar waarom werd ik dan genoemd? En door wie?’
‘Meneer Meyers noemde je.’
‘Oké. Toch niet omdat ik … nou ja … omdat ik af en toe wat meer weet dan hij?’
‘Niet direct. Wat je zegt is helemaal waar volgens hem. Je weet over computers en informatiekunde meer dan je leraar. Maar, en dat verzekerde hij mij, je laat het nooit blijken in de les. Hij heeft niet geklaagd dat je hem ten overstaan van andere leerlingen voor schut zet. Wees gerust. Meyers maakte zijn opmerkingen naar mij en noemde je daarbij een uitmuntende leerling maar hij heeft wel zijn vragen waarom een zo briljante leerling op een community college rondloopt en niet op een universiteit.’
‘Daar heb ik het geld niet voor.’
‘En je ouders?’
‘Hen kan ik daarom niet vragen.’
‘Er zijn hier altijd mogelijkheden, Richard. Ik weet hoe je beurzen kunt krijgen.’
‘Dank u, maar laat mij maar gewoon mijn opleiding afmaken.’
‘Zoals je gepland hebt.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Precies zoals ik het zeg. Volgens mij werk jij je te pletter om een vast omlijnd plan uit te voeren. Je hebt alles in dat hoofd van je,’ en hij tikte daarbij tegen de zijkant van zijn eigen hoofd, ‘en van dat pad wil je niet afwijken.’
‘Is daar iets mis mee? Is het niet goed dat ik precies weet wat ik wil?’
Drummond vond het verweer van de jongen fijn. Zo kon je samen door te praten verder komen. ‘In principe is weten wat je wilt een heel goedezaak. Maar volgens mij gooien we wat jou betreft paarlen voor de zwijnen.’
‘Sorry, maar die uitdrukking snap ik niet.’
‘We proberen onze leerlingen iets bij te brengen maar ik heb het idee dat dat weggegooid geld i… ‘
‘Wil je dat ik stop?’ Het klonk heel paniekerig, zo merkte Richard zelf ook meteen op. Hij kon niet stoppen! Hij moest zijn opleiding afmaken zodat … zodat … Verdomme! Dit mocht niet! Dit kon niet!
‘Richard, het is goed om rustig te blijven. Ik bespeur wat paniek bij jou op dit moment maar dat is nergens voor nodig. Als jij vindt dat je hier op de juiste plaats bent om je opleiding af te maken, dan vind ik dat prima. Maar … ik ben altijd geïnteresseerd geweest in jonge mensen. Ik heb het huis ermee vol gehad. Je hebt de foto’s gezien. Vijf kinderen van onszelf, daarnaast een aantal kinderen die hier korter of langer gewoond hebben omdat dat thuis voor hen even niet mogelijk was, de aanhang van onze eigen kinderen, en toen onze eigen kinderen kinderen kregen en buitenlandse betrekkingen aannamen en vonden dat hun kinderen toch beter in Amerika konden blijven, hebben Edith en ik hen opgenomen en opgevoed alsof het onze eigen kinderen waren. En dat alleen maar omdat we belang hechten aan de jongere generatie. De jeugd heeft de toekomst en als wij daaraan mogen meewerken, voelen we ons nog nodig. Nog … tja … ik weet het even niet precies in woorden te vatten. Voor mij, en Edith ook, zijn jongeren belangrijk. We zien graag dat zij zich ontplooien tot … nou ja … gewoon ontplooien. En als we dan zien dat er dingen zijn die bijzonder of opvallend zijn dan … dan gaan de antennes uit en proberen we te kijken of er hulp nodig is.’
‘En je denkt dat er bij mij iets aan de hand is.’ Het was geen vraag.
‘Ja, Richard. Ik zie en heb gehoord hoe jij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werkt. Hoe je ondanks dat alles toch steeds al je werk voor school af hebt en niet anders dan goede resultaten boekt. Je helpt je medeleerlingen daar waar je kan. Maar … wanneer neem jij rust?’ Heel bewust stopte hij de woordenvloed die hij over de jongen had uitgestort.
Richard dacht dat er nog meer zou komen maar toen dat niet kwam, voelde hij de ogen van Max prikken in die van hem. Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Als ik slaap.’
‘Hoeveel uren per dag?’
‘Wat maakt dat nou uit! Ik voel me prima! Met mij is er niets aan de hand!’ Hij had het fel uitgesproken. Waar bemoeide die man zich mee! Een ander had zijn avondwerk overgenomen opdat hij hier meer geld kon verdienen. Geld dat hij nu met goed fatsoen niet meer in rekening durfde brengen omdat hij hier als een gast was ontvangen en meegegeten had. Waarom bleef hij hier eigenlijk nog zitten!
‘Spreek je gedachten eens uit, Richard,’ klonk het kalm.
‘Nee. Liever niet.’
‘Ben je bang voor je eigen gedachten?’
Richard beet op zijn onderlip. Er werd geknaagd aan zijn zekerheid, zo voelde het voor hem. En dat knagen maakte dat hij emotioneel werd en zijn stem onvast klonk toen hij zei: ‘Ik wil met rust gelaten worden. Ik heb genoeg dingen aan mijn kop! Heb geen toezicht nodig! Kan alles zelf!’
‘En dat vraag ik mij dus af. Zeker als je het zo stellig in woorden vat maar toch ook met een trillende stem uitspreekt. Het is namelijk geen boosheid die ik bespeur in je stem maar meer een stukje onmacht. De sterke, moedige donkere strijder en onmacht? Dat rijm ik niet.’
‘Het spijt me. Maar … privé is privé, vind ik.’
Max gaf aan dat hij het daarmee alleen maar eens kon zijn en dat hij zou stoppen als Richard vond dat hij te ver was gegaan. Toch vroeg hij toestemming om nog één bijzonderheid aan te mogen kaarten. ‘Mag ik?’ Hij zag Richards gezicht dat nu bleker was dan voorheen en merkte het kleine knikje op. ‘Je gaat elk weekend naar huis.’
‘Ja.’
‘Zijn er problemen thuis dat je er elk weekend heen moet?’ Max wachtte niet op een antwoord maar ging meteen verder en haalde iets uit zijn eigen jonge leven aan. ‘Ik weet nog heel goed toen ik studeerde. Ik kwam uit de bergen van Californië uit een klein dorpje en vond Los Angeles geweldig. Eerst ging ik wel elk weekend naar huis maar na een tijdje niet meer. Ik genoot van mijn vrij zijn, van het op mezelf wonen en leven. En jij? Van Nancy heb ik begrepen dat jij zowat nooit uitgaat. Ze heeft je een paar keer mee moeten slepen omdat ze vond dat je gewoon niet kon wegblijven. Die ene keer is mij heel goed bijgebleven omdat het nog een staartje had. Je had toen een uitnodiging gekregen van … euh… en de naam kwijt.’
‘Welk feestje bedoelt u?’
‘Euhh… ‘ Even zocht Max in zijn geheugen, ‘een week voor Kerstavond.’
‘Jacob.’
‘Ja. Die was het. Waarom ga je nooit eens uit? Waarom geniet je niet van het leven? En dan meer dan vijftienhonderd kilometer van huis en toch elk weekend naar huis met de auto. Je verrekt nu van de pijn en wilt toch morgen naar huis rijden. Hoe lang is het wel niet rijden?’
‘Ik moet naar huis.’
‘Ja. Dat zei je eerder ook al. Maa… hè verdomme!’ Max sprong op uit zijn stoel en liep naar het raam. Hij raakte niet snel gefrustreerd maar nu had hij het idee alsof hij tegen een muur aan het praten was! Alsof hij geen enkele vordering maakte en dat was hij niet gewend. Hij wist van zichzelf dat hij een goede prater was en dat hij de kwaliteiten had om mensen aan het praten te krijgen maar waarom wilde het dan niet lukken met deze stijfkop! Het donker buiten zorgde ervoor dat hij iets rustiger werd. Hij draaide zich om en vroeg: ‘Wat is er aan de hand met jou, Richard? Ik kan je niet volgen. De stad Victoria heeft, zo weet ik, een heel goede universiteit waar jij met jouw cijferlijst zonder meer zou zijn toegelaten. In welke richting je ook had willen studeren. En anders had je naar Vancouver kunnen gaan maar jij kiest meer dan vijftienhonderd kilometer zuidwaarts een community college in een vreemd land.’
‘Ik … ‘
‘Ja, je bent in de USA geboren, ook nog eens vanwege je beide ouders Amerikaans staatsburger en je bent hier van harte welkom maar waarom? Waarom zover van huis en dan zover onder je niveau?’
Richard keek weg van de ogen van Max die leken te branden. ‘Ik praat daar liever niet over.’
‘Heb je er ooit over gepraat? Heb je ooit iemand anders deelgenoot gemaakt van dat wat jou dwars zit?’
‘Ja.’
‘En?’
Richard was in tweestrijd. Moest hij het vertellen of niet. Hij werd gered door de bel. Eigenlijk was het meer een klok die ergens in huis begon te slaan maar de klokslagen brachten ook meteen een golf van paniek teweeg. ‘Shit! Hoe laat is het?’ Hij checkte meteen zijn horloge en zag dat het bijna negen uur was.
Aan de uitdrukking op het gezicht van de jongen te zien was het meer dan duidelijk dat er iets aan de hand was. ‘Negen uur, Richard. Is er iets?’ Negen uur moest iets voor hem betekenen, zo schoot het door het hoofd van de man.
Richard stond veel te snel op vanuit zijn stoel. Pijn schoot door zijn ribbenkast. Hij klapte zowat dubbel en slaakte een kreet. Desondanks haastte hij zich zo snel hij kon naar zijn rugzak die bij het bureau van Drummond stond. Hij opende een rits en begon in de tas te zoeken.
‘Zoek je iets?’
‘Mijn telefoon! Ik moet bellen!’
‘Je mag die van mij wel gebruiken?’
‘Nee!’ Hij voelde aan dat het bits klonk en verontschuldigde zich ervoor. Hij trok een ander vak open maar ook daar kon hij zijn mobieltje niet vinden. ‘SHIT! SHIT! SHIT!’
‘Je broekzak misschien?’
‘Daar berg ik hem nooit op,’ klonk het wrevelig als reactie maar toch stak hij zijn hand in zijn rechter broekzak en vond het apparaat.
Lijden. Groot lijden. Dat was wat Max Drummond vervolgens zag op het gezicht van de student die hij heel bewust die avond had uitgenodigd om iets over zijn achtergrond te achterhalen. Het kwam niet door de pijn die het gevolg was van zijn val in de fietsenkelder. Nee. Het was geestelijk lijden. Snel liep hij op hem toe. ‘Wat is er, Richard?’ En toen de jongen hem het toestel liet zien, zag hij wat er aan de hand was. Het scherm vertoonde een paar flinke barsten.
‘Verdomme! Ik moet bellen!’ De toon van zijn stem was gevuld met tranen. Tranen die nog net niet uit zijn ogen rolden maar het scheelde niet veel.
‘Probeer het eens. Misschien werkt het toestel nog.’
Richard voelde zich stom. Waarom had hij het zelf niet eerst geprobeerd. Maar … hij had het kunnen weten het apparaat gaf geen sjoege. Vandaag ging alles fout!
‘Je mag ons toestel gebruiken, Richard,’ zei Max toen hij begreep dat het apparaat echt stuk was.
‘Nee. Dat werkt niet. Hij zal niet antwoorden.’
‘Wie wil je bellen en waarom zal hij niet antwoorden als je onze telefoon daarvoor gebruikt?’ Drummond bleef ontzettend rustig. Richard was in paniek. Dat was duidelijk en dus moest hij het overzicht en de kalmte zien te bewaren. Bovendien was het allemaal nog steeds een puzzel voor hem.
‘Ik moet mijn broer bellen.’
Het was slechts een gedeeltelijk antwoord. ‘En?’
Opnieuw voelde het aan alsof hij in een spagaat zat. Het deed pijn. En dat wilde hij niet. En als hij zou vertellen over Stan, dan zou hij heel veel dingen moeten uitleggen en toch … toch moest hij bellen. ‘Hij zal het nummer van u niet herkennen op zijn mobiele telefoon en niet opnemen. Hij neemt alleen maar op als hij mijn nummer ziet.’
Bijzonder, zo schoot het door het hoofd van Max, maar ook wel te begrijpen. Als hij op zijn mobieltje gebeld werd, nam hij ook niet altijd op als er “anoniem” stond of als hij het nummer niet herkende. ‘Ga zitten.’
‘Maa… ‘
‘Alleen kalmte kan je redden, Richard, dus ga zitten en luister naar wat ik je voorstel.’ Toen Richard heel voorzichtig was gaan zitten op de bank nam hij plaats naast hem. ‘Kunnen we die kleine kaartjes wisselen? Die van jou in mijn toestel bedoel ik.’
‘Hebt u prepaid of een abonnement?’ Drummond bleek een abonnement te hebben en dus kon het niet.
Maar Max was niet voor één gat te vangen. ‘Als je nou vanaf mijn mobiele telefoon je broer een SMS stuurt dat je hem straks vanaf dit nummer belt. Zal hij dan wel reageren?’
Richard overdacht dat wat Max had gezegd. Hij had wel vaker een SMS naar Stan gestuurd en die wist hoe zoiets werkte. Maar het bleef een onbekend nummer. ‘Ik kan het proberen.’
Max haalde zijn toestel tevoorschijn, haalde de beveiliging er af en gaf het aan Richard. Hij zag hoe de jongen met trillende vingers een nummer probeerde in te toetsen. Dit ging niet lukken. ‘Zal ik het doen?’
‘Ja. Graag.’ Hij noemde het nummer en gaf daarna de tekst op voor het bericht. Daarna liet Drummond hem het bericht zien. ‘Graag bovenaan nog zijn naam beginnend met een hoofdletter en een uitroepteken erachter. En onderaan niet richard maar Rich.’
Max maakte de opgegeven correcties, liet de tekst nogmaals lezen en toen hij een knikje kreeg, drukte hij op de toets om de SMS te verzenden. En nu was het afwachten geblazen. De spanning was heel duidelijk van Richards gezicht af te lezen. Hij beet op zijn onderlip en regelmatig schoot zijn tong over zijn lippen heen en weer. Dit moest op de een of andere manier vreselijk voor hem zijn en toch snapte hij nog niet precies waarom. De melodie van “Für Elise” weerklonk. Hij opende het bericht en liet het Richard lezen.
‘Pfffff,’ klonk het toen hij zijn ingehouden adem door zijn lippen naar buiten blies. ‘Gelukkig! Hij heeft het begrepen. Mag ik hem nu meteen bellen?’
‘Natuurlijk. Ik laat je even alleen.’
‘Nee,’ het was er uit voor hij er erg in had maar het gaf niet. Hij wist nu dat hij dingen uit te leggen had. Er moest gepraat worden en dat zou nog vanavond gebeuren. ‘Je mag er gerust bij blijven.’
‘Zeker weten? Iedereen heeft recht op privacy, dat weet je.’
‘Ja. Maar … het doet er niet toe. Wil je blijven?’
Max ging opnieuw naast Richard op de bank zitten. Hij had het idee dat er een doorbraak was. Maar toch was hij nog aan de voorzichtige kant. Voor hetzelfde geld zou de jongen straks na het gesprek met zijn broer de verdedigingslinies weer optrekken en weer even gesloten zijn als voordien. Maar … dat kon hij zich eigenlijk niet voorstellen.
* * *
‘Waarom heb je een ander nummer, Rich?’
Richard hoorde Stans vraag toen hij de telefoon opnam. Hij noemde niet eerst zijn naam maar kwam meteen met een vraag. ‘Niets bijzonders, Stan. Mijn telefoon is kapot.’
‘Hoe kan dat?’
‘Ik ben vanmiddag gevallen in de fietsenkelder en daarbij is het kapot gegaan en nu bel ik met het toestel van iemand anders.’
‘Is hij in de buurt?’
‘Ja, maar dat is geen probleem.’
‘Oh. Heb je het druk gehad vandaag?’
‘De gewone dingen. Maar alles ging wel mis vandaag.’ Hij vertelde Stan over de gebeurtenissen van die dag.
Max kon het gesprek, zittend naast Richard, volgen. Hij vond het een bijzondere conversatie. Stan reageerde helemaal niet op de mededeling van zijn broer dat hij gevallen was. En Richard lichtte ook niets toe. Hij ging over op de normale gang van zaken, zo leek het. Het voelde voor hem alsof hij zijn broer niet ongerust wilde maken.
Richard vroeg Stan hoe zijn dag geweest was. Met de nodige pijn die door zijn lijf schoot toen hij opstond, liep hij met de telefoon in zijn hand naar de glazen schuifpui. Buiten was er niets te zien helaas. Te donker. Hij hoorde het relaas van zijn broer aan en toen die uitgesproken was, nam hij het woord. ‘Laat je tot niets uitlokken, Stan!’ Richard deed alles om zijn broer rustig te krijgen en had het idee dat het lukte. Toen was er toch nog een vraag en Richard realiseerde zich meteen dat hij daar zo snel mogelijk iets mee moest doen. ‘Ik koop zo snel mogelijk een nieuwe telefoon. Ik weet iemand bij wie ik dag en nacht terecht kan, dus dat komt goed, Stan. Maak je niet ongerust. Je kunt mij altijd bellen als er iets is. Zul je dat doen?’
Drummond kreeg vanaf het moment dat Richard was opgestaan van de bank alleen nog maar dat wat de jongen tot zijn broer zei mee. Het verontrustte hem. Het leek er vooral over te gaan dat Stan zich rustig moest houden. Dat hij moest doen wat hem gezegd werd. Dat hij niet moest provoceren maar dat woord werd niet gebruikt. Richard sloot af met de belofte dat hij morgen naar huis zou komen en dat dan alles weer goed zou zijn. Max slikte iets weg. Hier was heel duidelijk iets mis.
‘Dank je.’ Richard gaf Max zijn telefoon terug. ‘Wat moet ik je hiervoor betalen?’
‘Niets, Richard. Ga zitten, dan haal ik wat nieuwe koffie voor ons want die waar we aan begonnen waren is koud geworden.’
‘Wil je nog even wachten?’
Max ging weer zitten.
‘Je vroeg me of ik eerder gepraat had met iemand.’ Hij zag Max knikken. ‘Eén keer eerder heb ik gepraat maar … het haalde allemaal niets uit. Degene met wie ik gepraat had moest het bezuren. Ze werd ontslagen.’
‘Was het een volwassene met wie je gepraat hebt?’
‘Ja. Ze was een lerares. Zij … Blijft alles wat ik je vertel onder ons?’
‘Ja. Maar met de kanttekening dat ik Edith er niet buiten kan houden. Wij zijn 48 jaar getrouwd en we zijn een eenheid. Ik kan en wil geen dingen voor haar achterhouden.’
‘Dat begrijp ik. Maar als ik ga vertellen over mij en Stan en … dan is het misschien beter dat zij er gewoon bij komt zitten.’
‘Als je dat wilt, dan zorg ik daarvoor.’ Max stond op, pakte beide halfleeg gedronken mokken op en verdween.

Morgenster – 1 – Morgenster – 3