16 mei 2022

Morgenster – 16

‘Opa is 73 en Oma 71. Net zo oud als jij ongeveer?’ kwam Haimi met een mededeling en daaraan gekoppeld een vraag.
Max gaf aan dat hij 70 was en in elk geval van dezelfde generatie dus.
‘Zeven jaar geleden kwamen we in een heel vervelende periode terecht,’ begon Charles te vertellen zonder dat ze naar iets gevraagd hadden. Bij Opa werd een hersentumor geconstateerd. Een operatie was erg gevaarlijk en toch …toch koos hij daarvoor. Hij wilde blijven leven! Niets doen zou leiden tot zijn dood en daarom liet hij zich toch opereren. Hij overleefde het maar …,’ Charles viel stil. Het was duidelijk te zien dat hij iets weg moest slikken. Toen hij zich hersteld had, ging hij verder met: ‘Sinds de operatie kan hij slecht lopen en helemaal niet meer praten.’
‘Ach … wat vreselijk!’
‘Ja. Ik moet er niet aan denken niet te kunnen praten,’ verzuchtte Max.
‘Maar Opa heeft nog heel veel te vertellen hoor!’ gaf Haimi weer. ‘Als je bij hem bent schrijft hij constant zijn tablet vol! Altijd heeft hij wel iets dat hij kwijt moet aan je en dat is gewoon prachtig! Hij is zo … zo positief! Altijd! ‘
Jocelyn kreeg het idee dat Haimi veel weg had van haar opa. Zo schatte ze het meisje in elk geval in. Druk en positief. Charles leek haar anders toe. Meer nadenkend. Terughoudend? Bang voor de wereld misschien? Ze vroeg zich af wat daarvoor de aanleiding zou kunnen zijn geweest.
De broccoli met aardappelen en een karbonade smaakten prima, vond Max. Het gesprek tijdens het eten ging in eerste instantie over de dingen die de Hartmans die dag hadden gedaan. Een goede zaak. Thuis hadden Edith en hij dat ook altijd gedaan met de kinderen. De etenstafel was de plaats waar iedereen zijn verhaal kwijt kon. Dat de maaltijd daardoor soms heel lang uitliep was in de regel nooit een probleem geweest.
‘Maar jullie zijn gekomen om dingen te weten te komen over Vicky,’ zo ging Johan verder toen bleek dat de dagelijkse wetenswaardigheden waren gespuid.
‘Ja,’ nam Jocelyn het woord. ‘Richard heeft de nodige vragen. En mogelijk kunnen Max en ik daar na vandaag en morgen antwoorden op geven.’
‘Maar we weten nog niet eens zeker of Richard familie van ons is,’ merkte Anouhea op.
‘Daarin heb je gelijk,’ gaf Jocelyn aan. ‘We hebben bericht gekregen dat de DNA-monsters zijn aangekomen en eigenlijk zouden we daarop moeten wachten.’
‘Je klinkt vaag,’ kwam er een licht verwijt met een brede glimlach.
‘Omdat ik een ander voorstel heb. Ik denk … klinkt ook weer vaag, ik weet het. Laat ik het anders zeggen. Ik ben overtuigd van mijn eigen waarnemingen. Is het goed dat ik mijn tablet even pak?’
‘Natuurlijk.’
Jocelyn liep naar haar tas die bij de bank stond en haalde er haar tablet uit.
‘Wat voor merk is het,’ vroeg Charles omdat hij geïnteresseerd was in computers en dergelijke.
‘Een Samsung. Ik wilde eigenlijk een Apple maar mijn vriendin heeft dat tegengehouden. Teveel geld voor een mooi apparaat, was haar mening.’
‘Mee eens,’ vond Johan.
‘Maar een Apple is wel prachtig!’
‘Ja. Vond ik ook maar Joëlle heeft bij ons thuis het vetorecht op het gebied van de financiën omdat ik er niet altijd even goed mee omga.’
‘Wel knap dat je dat zelf zo duurt te vertellen,’ vond Haimi.
‘Ik ken mezelf.’
‘Ze is psycholoog, dat weet je toch? Oeps!’
Jocelyn schoot in de lach. ‘Jullie hebben mij dus ook gegoogled. Zou ik ook gedaan hebben hoor. Komen er ineens twee mensen op bezoek met een vaag verhaal dat er mogelijke een familierelatie is met iemand die zij kennen en ja … dan zou ik ook alles wat er te vinden is willen weten over die twee.’
‘Ahum … ja, zo is het wel gegaan,’ sprak Johan. ‘We wilden een stukje zekerheid. Ondanks alle onzekerheid waar we eerder al over spraken.’
‘Als ons gevoel, want ik durf ook te spreken voor Max, goed is. Dan … nou ja … ik wil graag dat jullie naar een foto kijken. Als jullie even bij elkaar gaan zitten of staan dan leg ik het apparaat op tafel neer en dan laat ik het jullie zien.’ Ze wist dat het niet de meest subtiele manier van doen was maar … het zou wel duidelijkheid verschaffen.
Haimi en Charles stonden op van tafel en gingen achter hun ouders staan die naast elkaar zaten.
‘Klaar?’ Jocelyn zag de gezinsleden allen knikken en streek met haar wijsvinger over het scherm. Er verscheen een foto en meteen richtte Jocelyn haar blik op de Hartmans. Ze zag verwondering, verbazing, onthutsing net zoals zij en Max hadden doorgemaakt op het vliegveld.
‘Maa… maa… dat ben ik!’ riep Charles paniekerig uit. ‘Hoe … hoe kom je aan een foto van mij?’
‘Deze foto heb ik de afgelopen week gemaakt in Monterey in de tuin van Edith en Max. Het is een foto van Richard en op de achtergrond zie je de oceaan. En ja … de gelijkenis tussen jou, Charles, en Richard is ontzettend groot. Toen wij jou zagen op het vliegveld was die verbazing er bij ons ook.’
Johan glimlachte. Had hij het toch goed gezien. Niet geweten waar het om ging maar toch die vreemde blik op het gezicht van de twee opgemerkt.
‘En … heel mooi eigenlijk. Je vroeg of jij iets van de een of ander aan had wellicht. En ja … niet van ons maar … Richard heeft precies hetzelfde T-shirt als jij.’
‘Echt?’ vroeg Haimi nog steeds enorm verbaasd.
Jocelyn knikte. ‘De schok kan groot zijn bij jullie allemaal. Ga alsjeblieft weer zitten.’ Ze zag de jongeren hun plaats weer innemen. ‘Dank je. Sorry voor de schok die ik veroorzaakt heb. Maar … het was volgens mij … ‘
‘Het is een schok, maar wel een heel bijzondere. Het doet me pijn,’ verbeet Anouhea haar tranen. ‘Zoveel gelijkenis met Charles … dan moet hij wel familie zijn. Het kan gewoon niet anders. Toch? Johan? Zeg nou iets!’
Johan sloeg een arm om zijn vrouw heen en trok haar tegen zich aan. ‘Ik … hoef niet te wachten op dat DNA-onderzoek. De familietrekken, ik heb het geloof ik al gezegd, worden bij de Hartmans in de mannelijke lijn altijd heel sterk doorgegeven. Charles lijkt op mij, ik lijk op mijn vader, hij op zijn vader en … Richard lijkt sprekend op Charles. Het … is werkelijk … te … nou ja … Duidelijk.’
‘Wat is je favoriete kleur Charles?’ vroeg Max zelf wel een idee hebbend wat het antwoord zou zijn.
‘Groen,’ antwoordde Haimi voor haar broer, ‘open zijn klerenkast en je denkt dat je de jungle binnenstapt. Heel veel soorten groen voeren de boventoon. Hij heeft wel wat andere kleuren hangen maar … groen is favoriet. Bij Richard ook?’
Max knikte.
‘Maar …’ verzuchtte Anouhea, ‘kun je die foto op je tablet inzoomen op zijn ogen?’
‘Ik heb een betere,’ gaf Jocelyn als antwoord en zocht de foto die ze bedoelde. Ze legde het apparaat op tafel voor Anouhea neer en zag dat ze hem goed bekeek.
Het was duidelijk. Ze stond op van tafel, liep naar de woonkamer en kwam terug met een foto in een lijst die ze naast de tablet neerlegde. ‘Kijk naar de ogen,’ kwam haar verzoek.
Max keek naar een portretfoto van Vicky en wist dat Jocelyn met hem mee keek. Als je goed keek, waren er gelijkenissen. Maar … niet zo frappant als de overeenkomsten die er waren met Johan en Charles. Op de vraag van Anouhea richtte hij zich nu op de ogen van Richard en Vicky die wat kleur betreft van elkaar afweken. Daarna keek hij vervolgens eerst in de kijkers van Johan en daarna in die van zijn zoon. Johan had dezelfde kleur ogen als Vicky: donkerbruin. Maar de ogen van Charles en Richard hadden dezelfde kleur: groen, donker groen. ‘En die kleur komt dus uit het voorgeslacht?’
‘Ja, het is de kleur die mijn vaders ogen ook hebben.’
‘Euhhh … zullen we het toetje overslaan, aan de koffie gaan en verder praten met elkaar? Want er is vast nog heel veel meer te vertellen over Richard en de Hartmans,’ stelde Anouhea een wijziging van de vaste gang van zaken voor.
‘Echt niet!’
‘Nee,’ viel Charles zijn zusje bij. ‘Eerst het toetje en dan pas van tafel.’
* * *
Vrijdag 20 augustus, Petersborough, Ontario, Canada
Max werd wakker in een vreemd bed. Voor de zoveelste keer de afgelopen tijd. Maar toch deed het hem goed en glimlachte hij meteen naar de nieuwe dag en wat die hopelijk zou brengen. Ja, het was hopen. Meer kon hij niet. En hopen deed hij zo mogelijk tegen de klippen op! Hij liet zich niet gek maken, niet frustreren. En dat was heel anders dan hij zag bij Richard. De jongen vergezelde hem op deze reis en dat op eigen verzoek. Ze waren hier naar toe gekomen om de vrouw te zoeken die Steve Johnston hen had beschreven en waarover hij hen het een en ander had weten te vertellen. Het was onmiskenbaar de vrouw die Stan had afgehouden in Metchosin.
Max stond ietwat kreunend op. Hij voelde zich stram. Te weinig goede beweging gehad de afgelopen dagen. Opnieuw moest hij glimlachen. Ook dat in tegenstelling tot zijn reisgenoot. Richard had zijn hardloopschoenen meegenomen en benutte, zo leek het hem, elke mogelijkheid om een aantal kilometers te rennen. Maar al te goed wist Max dat het voor de jongen goed was om zijn frustratie van zich af te lopen. Het deed hem goed in elk geval. Als hij terug was in het appartement op het terrein van de universiteit van Petersborough kon Max altijd aan hem zien dat het hem goed had gedaan. En dat deed hem op zijn beurt ook weer goed.
In de keuken zag hij de kom die Richard had gebruikt voor zijn ontbijt op het aanrecht staan. Een mok stond er naast. Hij had al ontbeten dus. Hij liep de gang in en zag dat de sportschoenen er niet waren. Duidelijk. Richard was aan het hardlopen. Max smeerde zijn boterhammen staande bij het aanrecht en ging daarna op een rechte stoel aan de tafel zitten. Zijn aandacht dwaalde af. Hij overdacht alles wat er de afgelopen maanden was gebeurd. De komst van Richard en Stan, en hoe dat het leven van Edith en hem had veranderd. Ineens was het alsof ze weer midden in het leven stonden. Natuurlijk hadden ze door zijn werk, haar vrijwilligerswerk en de enorm goede band die ze hadden met kinderen, kleinkinderen, vrienden en kennissen altijd volop dingen te doen maar toch … toch was de komst van beide jongens verfrissend geweest. Ineens … was het gewoon anders. Ze moesten zorg bieden en deden dat met alle liefde. Ze … waren betrokken bij de twee. En dat had ook geleid tot het onderzoek naar hun verleden. En ja … dat had hem nu hier gebracht voor de laatste gegevens met betrekking tot Stan en begin juli naar Hawaï voor Richard. Op die prachtige eilanden was het een heel bijzondere ontdekking geweest om te merken dat er een jongen was, iets jonger dan Richard, die wat uiterlijk betreft precies leek op hun oudste protegé. Voor hem en Jocelyn, zijn reisgenoot toen en helper tijdens het hele onderzoek al, was wachten op het resultaat van het reeds gestarte DNA-onderzoek niet meer nodig. Het was duidelijk geweest: Richard was een Hartman! Jocelyn had de Hartmans ook vrijwel meteen deelgenoot gemaakt van hun overtuiging en hoewel het een schok teweeg bracht was het ook een opluchting. Een eigen onderzoek naar het kind van dochter, zus en tante was namelijk vijf jaar eerder totaal mislukt. Stukgelopen. En dat omdat Shaun en Mary hun sporen goed hadden gewist door een andere identiteit aan te nemen. Van de reis naar Canada en het zich daar uiteindelijk vestigen hadden de Hartmans niets kunnen vinden. En dus … was er opluchting geweest. Maar … ook heel veel vragen. Vragen die ze zich al eerder hadden gesteld maar waarop ze geen antwoorden konden vinden. En … de wetenschap dat ze die ook nooit echt zouden krijgen stemde hen droef. Want waarom had Vicky nooit eerder verteld dat ze een kind had? Waarom? Waarom? Tijdens het gesprek na de maaltijd was dat woord vaak gevallen. En voor Jocelyn en hem, die juist naar Hawaï waren gekomen om een antwoord op die vraag te krijgen, was het ook heel moeilijk te merken dat hun queeste nooit opgelost zou worden. Gissen, dat was het enige dat ze konden doen. En dat deden ze dan ook volop. Jocelyn had de Hartmans steeds weer aangespoord om herinneringen op te halen aan Vicky, om een beeld van haar te schetsen en dat hadden ze die avond dan ook gedaan. En met elkaar had het gezin een plaatje gemaakt. Vicky was enorm leergierig geweest. Een kind met als motto: “ikke doen en zelf proberen”. Hulp van anderen was niet nodig. Wist Vicky eenmaal hoe iets moest dan wilde ze geen steun. Ze was, net als alle anderen in haar familie en ook Richard dus, klein van stuk. Op school waren er al snel andere leerlingen die beslissingen namen voor Vicky, want Vicky was klein, Vicky moest geholpen worden. Het werd echter niet gepikt: Vicky kon zichzelf prima redden en wilde dat maar al te graag bewijzen. Ze leerde prima maar … was nooit tevreden geweest. Een A als beoordeling was nooit goed. Er was namelijk altijd nog een A+. Perfectie, dat wilde en zou ze bereiken. En daarvoor zette ze alles opzij. Ze moest en zou de beste zijn. High School legde ze in minder jaren af dan anderen. Ze had sneller gewild en gekund maar de leraren hadden dat tegengehouden. Bang als ze waren dat ze op een universiteit, als heel erg jonge leerlinge, zou verdrinken. Ze wilde naar de allerbeste medische universiteit en dat was volgens eigen onderzoek die in New York. Haar ouders, broer en diens vriendin vonden het vreselijk. New York was zo ver weg! Maar Vicky wist wat ze wilde en dan was het onmogelijk om haar nog op andere gedachten te brengen. Je kon praten als Brugman en Vicky luisterde, zo was ze dan ook weer wel, maar het deed niets af aan haar eigen besluit: New York!
En daar … daar nam ze op een gegeven ogenblik tijdens haar studie een stuk afstand van haar familie. Ze had aangegeven dat ze rust nodig had. Haar moeder en vader stelden haar voor naar huis te komen maar Vicky wilde dat niet. “Ik moet mezelf leren worden. Ik moet me nu zelf leren redden,” waren haar woorden geweest. Ze hield contact maar verder dan telefoontjes af en toe kwam het niet. In april 1989 kwam ze terug naar Hawaï en ging daar meteen verder met haar opleiding. Maar … ze was wel veranderd. Ze was ineens minder gericht op presteren, had tijd voor de familie, tijd voor een uitje af en toe met haar broer en schoonzus. Binnen twee jaar rondde ze haar opleiding af. Ze was nog steeds heel erg goed in dat wat ze graag wilde. Ze specialiseerde zich en af en toe moest ze naar andere universiteiten daarvoor. Maar altijd ging ze met tegenzin weg. Terug op het eiland zonderde ze zich dan altijd een paar dagen af: ziek. Ze had meteen na haar opleiding een baan gekregen in het ziekenhuis en daarnaast gaf ze ook les op de universiteit. Ze werd een alom gerespecteerd kinderarts en professor. Ze was het best als ze mocht werken, zo had Johan gezegd. Dan was ze in haar nopjes, zag je haar opbloeien. Lesgeven vond ze ook prachtig om te doen. Ze wilde maar wat graag haar kennis overdragen. Het reizen, vond ze vreselijk. “Te ver weg van huis,” volgens haar woorden. Het huis dat ze gekocht had was veel te groot geweest voor haar alleen. Ze nodigde heel vaak haar ouders, broer en schoonzus uit om te komen logeren in de weekenden. En vaak kwamen Charles en Haimi ook alleen in de weekenden bij haar. Reünies van de Hartmans en de Coens vonden altijd plaats bij haar thuis: ruimte genoeg! Natuurlijk hadden haar ouders, broer en schoonzus gevraagd naar die periode waarin ze zo weinig contact had gehad met thuis, maar nooit was er een afdoend antwoord gekomen. Altijd waren het vaagheden geweest waarin Vicky zich had gehuld. Johan en Anouhea, twee jaar jonger dan Johan en dus twee jaar ouder dan Vicky, konden zich niet voorstellen dat ze zwanger was geraakt van een avondje uit. Het moest voor Vicky veel meer geweest zijn. Voor haar moest het echte liefde geweest zijn want anders zou ze geen seks met de man gehad hebben. Beiden waren ze daarvan overtuigd. In hun tienerjaren hadden ze met z’n drieën heel veel over dat soort onderwerpen gepraat en de mening van de drie kwam overeen. En … ja … toen moest er dus toch iets mis gegaan zijn. Liefde van Vicky voor de man en niet andersom? Had de man wellicht al een verbintenis? Het bleef gokken. Maar ze waren wel heel blij dat Vicky besloten had om Richard geboren te laten worden.
Max zuchtte. Sommige basiseigenschappen van Vicky herkende hij in Richard. Het nooit genoeg, het altijd beter moeten, dat kende Richard ook. Waarschijnlijk gaf Vicky zichzelf ook altijd de schuld als er iets fout ging. De eeuwig rondgaande tredmolen van goed, beter, best en dan nog absoluut zeker weten dat er nog vooruitgang te behalen is. De aanleiding was voor Richard iets anders geweest maar toch. En gelukkig kon Richard het steeds beter achter zich laten, kon hij er los van komen. Het werk van Jocelyn wierp vruchten af en ook het samen tanglen met Joëlle hielp hem daarbij. Dat het hem in de genen ingebakken zat werd hem duidelijk toen Charles heel ruiterlijk had verteld dat hij dat ook had. Had gehad. Dat hij in zijn tienerjaren doorgedraaid zou zijn als zijn ouders hem niet aan het praten hadden weten te krijgen. Dat hij achteraf enorm blij was dat ze hem naar een jeugdpsycholoog hadden gestuurd. Natuurlijk had hij eerst niet gewild. Had hij tegengesputterd maar … er zich toch bij neer gelegd. Gewoon omdat het alternatief hem dodelijk vermoeide, omdat het voelde alsof hij aan het opbranden was. En het praten, het van zich afpraten had hem geholpen, doen inzien dat hij dat wat in hem zat moest leren te beteugelen. Zijn genen, zijn erfelijke aanleg aanpassen was een onmogelijkheid maar hij kon er wel mee leren omgaan. Er zo mee omgaan dat het allemaal te behappen was. Max was vol bewondering geweest dat deze bijna 21-jarige jongen daar zo eerlijk over durfde te praten. Ook Jocelyn prees hem nadien voor het zo mooi onder woorden kunnen brengen van iets dat zoveel impact moest hebben gehad. “Op het strand vertelde Haimi dat je mediteert, heeft dat je ook geholpen?” had ze gevraagd en daarop kwam een bevestigend antwoord.
Het eten was allang en breed op maar ze waren allemaal zo opgegaan in het gesprek dat niemand eraan gedacht had om de tafel af te ruimen. Anouhea had koffie gezet en ingeschonken maar ze waren blijven zitten waar ze zaten. Het voelde goed daar aan de dis. Toen het erop leek dat ze uitgepraat waren en er door Charles was voorgesteld dat Opa en Oma nog diezelfde avond ingelicht moesten worden omdat zijn grootmoeder de laatste tijd vanwege de spanning erg slecht sliep, kwam Haimi met een vraag over de betekenis van namen naar haar ouders. “Charles is vernoemd naar Opa. Zijn tweede naam is Kekoa dat ‘dapper’ betekent. Waarom hebben jullie hem zo genoemd? Wisten jullie dat hij in de problemen zou komen ooit? Voorvoelden jullie dat?” Het antwoord van haar moeder en vader was duidelijk. Nee, ze wisten dat natuurlijk niet. Maar wel wisten ze beiden dat Johan het ook heel erg moeilijk had gehad in zijn jeugd, en zeker de jaren dat de familie nog in Maryland woonde. Ook hij was de kleinste altijd. Ook voor hem namen anderen altijd beslissingen. Nooit lieten ze hem iets alleen doen. Een kleintje zoals hij kon dat toch niet? Dat was al begonnen tijdens Kindergarten. Altijd was er wel iemand die voor Johan de beslissingen nam. Die hem ergens mee wilde helpen. En ja … dan moet je dapper zijn om op een gegeven moment op te staan en te zeggen dat je die goed bedoelde hulp niet wilt! Dat je het zelf kunt! Dat je het zelf wil doen! Dapper. Dat moet je dan zijn. “En daarom gaven wij hem juist die naam,” zo besloot Johan de toelichting die hem emotioneel had gemaakt. Maar Haimi was nog niet helemaal tevreden. “En Richard? Betekent dat niet bijna precies hetzelfde?” Max had geknikt en toegelicht dat de betekenis van namen een van zijn hobby’s was. Hij had verteld dat de tweede naam van Richard Maynard was en dat beide namen ongeveer dezelfde betekenis hadden. “Heeft Tante Vicky dat met opzet gedaan? Ik denk van wel. Jullie ook?” Met grote ogen had ze haar disgenoten aangekeken en gemerkt dat dat gevoel gedeeld werd. Ook Max had dat zo gevoeld. Vicky had Richard heel bewust zijn namen gegeven. “En … ” was Haimi verder gegaan. “Nog één ding. Wat als iemand nou de naam die hem of haar gegeven is wil veranderen? Wat dan?” Max had moeten slikken. Hij voelde haar ogen zo vreselijk duidelijk gericht op hem. En dat was zijn eigen schuld natuurlijk. Hij had zich haast voorgesteld als een expert op het gebied van namen. Het was een gewetensvraag voor hem en hij gaf heel duidelijk aan dat het voor hem moest kunnen. Als je met je naam niet overweg kon, moest je hem kunnen wijzigen. Een discussie brandde los. Want hoe zat het dan met de goede bedoelingen van de ouders als een naam heel bewust was gegeven? Tja … lastig, had Max gevonden maar ondanks dat was hij gebleven bij zijn vaste overtuiging dat je met je naam moest kunnen leven.
* * *
Richard zat in het parkje dat recht tegenover het huis lag waar hij en Max de laatste dagen hadden gelogeerd. Het huis stond op het terrein van de universiteit van Petersborough en Max had het via vrienden voor elkaar gekregen dat ze het mochten gebruiken. Richard glimlachte. De Drummonds hadden, zo leek het in elk geval, overal wel vrienden en kennissen wonen. Hij had die mensen ontmoet in Los Angeles, San Fransisco, op Hawaï en hier in Petersborough.
Hawaï. Hij dacht aan zijn Oma en Opa en de andere leden van de Hartman-familie. Stuk voor stuk prachtige mensen. En … ineens was er dan ook weer die steek van binnen: waarom had hij dan zoveel jaar lang mensen als de Donahues moeten kennen. Bewust schudde hij die gedachte van zich af. Had hij geleerd van Jocelyn. Gedachten waren maar gedachten en die kon je onderbreken. Een week nadat Max en Jocelyn naar Hawaï waren gevlogen waren hij en Stan samen met Max en Edith erheen gegaan. Zijn Oma, het klonk nog steeds heel bijzonder als hij dat zei of dacht vond hij, had hij de eerste avond dat Max en Jocelyn er geweest waren al via de telefoon gesproken. Jocelyn had hem gebeld en heel rustig uitgelegd wat er die dag allemaal gebeurd was. Het voornaamste was de overtuiging van haar en Max dat de Hartmans familie van hem waren: geen twijfel mogelijk bij haar en Max. Toen ze hem had gevraagd of hij met zijn Oma wilde praten, had hij meteen “Ja” gezegd. Hij vertrouwde volledig op dat wat Max en Jocelyn hadden gevonden. Zijn Oma was heel rustig geweest. Hij niet. Zijn hart bonkte hem in de keel. De tranen liepen hem over het gezicht en hij was heel blij dat hij meteen om Stan en Edith had geroepen. Zijn Oma was overtuigd. De vergelijking van foto’s zei haar genoeg en ze had hem meteen uitgenodigd om met Stan over te komen en kennis te maken. Toen ze geland waren op het vliegveld had een van de stewardessen hen gevraagd om in het vliegtuig te blijven zitten. Hij, Max, Edith en Stan hadden opgekeken. Waarom? Dat werd al snel duidelijk toen zijn Oma en Opa het vliegtuig binnen waren gekomen en hem, Stan en de anderen de Lei Groet brachten. Opnieuw tranen. Ook Stan was helemaal van de kaart geweest en even had hij zijn aandacht van zijn grootouders moeten verleggen naar Stan om hem duidelijk te maken dat alles goed was. Dat de tranen tranen van vreugde waren op dit moment. Achter de gate had hij kennisgemaakt met Johan, Anouhea, Charles en Haimi. De gelijkenis met zijn Oom had hij ook meteen gezien. En de familieovereenkomst was het meest duidelijk toen hij Charles tegenover zich had zien staan. Het was alsof hij een hand had uitgestoken naar zijn spiegelbeeld.
Zijn gedachten werden onderbroken door het piepen van zijn telefoon: een sms-bericht. Hij pakte het toestel, drukte een paar knoppen in en bekeek wat binnen gekomen was: “Kom je terug? We hebben een afspraak!” Had ze dan toch contact opgenomen? Hij stond op en voelde de pijn in zijn benen. Had hij te veel gelopen of was het zo vroeg op de ochtend toch al te warm geweest om hard te lopen. Hij wist het niet. Het maakte ook niet uit. Hij liep terug naar het huis en het eerste wat hij zei, nadat hij binnengekomen was en Max onder ogen kwam, was: ‘Is die vrouw nou helemaal van de pot gerukt!’
‘Het was een gesprek met haar zelf, Richard, en dus ben ik heel blij.’
‘Nou ik niet! Het lijkt erop alsof ze met ons aan het dollen is en daar heb ik geen zin in!’
‘Rustig nou, man! Ga onder de douche en laat alle spanning van je afstromen. Dit is een doorbraak, Richard! Ze heeft ons uitgenodigd voor een gesprek op Belle…’
‘Oh! En jij weet waar dat is?’
Max schoot in de lach. ‘Ja, jongen, ik weet heus wel hoe ik met Google Maps een adres op moet zoeken. Volgens mij heb ik de afgelopen maanden jonge jongens over de vloer gehad die mij uitgelachen hebben omdat ik een halve digibeet was en die mij daarna geleerd hebben hoe ik nog beter met computers en internet om kan gaan. En nu opschieten, want anders komen we te laat. Hup! Wegwezen jij! Je stinkt!’
Richard haastte zich niet. Had hij geen enkele zin in. Stuurs liep hij naar de badkamer, kleedde zich uit en stapte onder de douche. Hij snapte niets van die vrouw. Ze waren naar Toronto gekomen in de veronderstelling dat ze een gesprek met Catherine Carlier, want zo bleek ze dus nu te heten, zouden hebben. Dat gesprek was afgezegd door een secretaresse en daarvoor in de plaats was een afspraak gemaakt in een groot advocatenkantoor in het midden van Bay Street, het financiële centrum van Toronto de hoofdstad van de provincie Ontario. Dat gesprek was uiteindelijk ook niet doorgegaan. Max en hij waren keurig op tijd geweest en waren al door iemand naar een kantoortje gebracht maar … mevrouw Carlier was niet verschenen. Na een half uur wachten kwam er een vriendelijke jongedame die hen met een brede glimlach op het gezicht meedeelde dat mevrouw helaas weggeroepen was. “Kunnen we een nieuwe afspraak maken?” had Max geprobeerd. Het verzoek werd aangehoord en opgeschreven tezamen met het telefoonnummer van Max maar … er was geen enkele toezegging gedaan, ook niet nadat Max daarop had aangedrongen.
In de hal beneden aangekomen stevende Richard recht op de draaideur af maar Max had hem aan zijn arm vastgepakt en hem meegenomen naar een zithoek in de lobby van het kantoorgebouw. “Wat gaan we hier doen? Koffiedrinken?” had de jongen schamper gevraagd. “Wachtten en observeren,” had Max hem laten weten. En dat had Max, zo had hij duidelijk gemerkt, ook gedaan. Eerst had hij heen en weer gekeken door de hal, zo leek het. Daarna had hij iedere keer als de liftdeuren van een van de beide liften opengingen zich geconcentreerd op degenen die naar buiten kwamen. “Straks gaan we toneelspelen,” zo had hij gezegd. Richard had hem vreemd aangekeken maar daarna goed geluisterd naar dat wat zijn begeleider, want zo zag hij Max graag, hem in zijn oor had gefluisterd. Gaandeweg de instructie was er een glimlach rond de lippen van Richard verschenen. Waar hij zelf zich alleen maar kwaad had gemaakt omdat het gesprek opnieuw niet was doorgegaan, dacht Max in oplossingen en zocht hij actief naar mogelijkheden om toch dat te bewerkstellingen waarvoor ze naar Toronto waren gekomen. “Is het duidelijk wat ik je heb gezegd?” Richard had geknikt en kreeg daarop een briefje in de hand gedrukt waarop Max even daarvoor iets had geschreven. En toen was het wachten geweest. Bij de zoveelste lading liftgebruikers was Max opgestaan en had hij Richard aan zijn arm meegetrokken. Hij had geroepen en gezwaaid naar iemand in de verte. Iemand die er, zo wist Richard, helemaal niets was. Het ’toneelstuk’ was begonnen. De mensen die de lift uitkwamen liepen als het ware van noord naar zuid en zij beiden van west naar oost. Heel bewust. Heel doelgericht. En omdat Max zogenaamd zijn aandacht had gericht op iemand ver voorbij de groep mensen die de lift uitkwamen, liep hij recht tegen mevrouw Carlier op. Zij schrok, Max wendde schrik voor en liet zijn koffertje vallen dat, omdat het zo was voorbereid, van het slot af op de grond viel. De inhoud gleed eruit. Te midden van de mensenstroom bukte Richard zich om de papieren, notitieblokken, pennen en wat al niet meer bijeen te rapen. Mevrouw Carlier putte zich uit in verontschuldigingen omdat zij de botsing niet had zien aankomen en ging behulpzaam door de knieën. Verder lette niemand op hen en de stroom ging keurig rechts en links om hen heen. Gebruikmakend van deze natuurlijke dekking, strekte Richard zijn hand uit naar haar en liet hij haar het opgevouwen briefje zien. Even keek zij hem recht in de ogen en leek het alsof zij niet wist wat te moeten doen. Maar toen pakte zij het aan en stopte het snel weg in de mouw van haar blouse en begon samen met Richard de spullen van Max bijeen te zoeken en terug te leggen in het koffertje. Toen alles verzameld en opgeborgen was, sprak zij een zoveelste verontschuldiging uit, groette kort en liep naar de uitgang. Max en Richard liepen verder naar de plaats waar Max zijn zogenaamde bekende had gezien. “En? Gelukt?” vroeg hij. “Ze heeft het briefje aangenomen. En wat nu?” “Afwachten, jongen. Afwachten.”
En dat hadden ze gedaan. Diezelfde dag was er niets meer gebeurd maar nu had ze dan toch gebeld. Richard draaide de kraan uit, droogde zich snel af en liep met een handdoek om zijn middel terug naar zijn slaapkamer. Snel kleedde hij zich aan in een strakke boxer, korte broek, sneakersokken en een T-shirt. Hij wilde zich kleden zoals hij was en ging niet opnieuw op net. ‘Waar moeten we heen?’ vroeg hij toen hij zich bij Max voegde in de woonkamer. ‘Niet naar een andere wolkenkrabber op status, hoop ik.’
‘Nee, Richard, want anders had ik je vast wel gevraagd iets anders aan te trekken.’
‘Ze kan me wat! Ik kleed me vandaag zoals ik wil.’
Max moest glimlachen om het recalcitrante gedrag van Richard. ‘Ze heeft aangegeven dat ze ons wil ontmoeten op Belle Island.’
‘En daar ontmoeten we elkaar dan?’ Hij zag hoe Max knikte. ‘Heb je het opgezocht op internet?’
‘Ja. Op Google Maps. Maar … ‘
‘Maar wat?’
‘Er is helemaal niets te zien daar.’
‘Huh? Niets te zien. Heb je goed gekeken?’
‘Heb precies gedaan wat Stan en jij mij geleerd hebben. Zelfs kunnen zien hoe lang het duurt om daar te komen maar … zo’n raar leeg plaatje. Maar … plaag een oude man als ik maar!’
‘Zo bedoel ik het niet.’
‘Dat weet ik best maar ik probeer je wat vrolijker te stemmen zodat dat gemopper van je op zal houden.’
‘Oh.’
‘Geeft niets. Ik kan het me best voorstellen maar laten we proberen er het beste van te maken. Ik wilde tenslotte een ontmoeting. Een echte dit keer. Het feit dat ik haar zelf aan de lijn heb gehad, doet me vermoeden dat het er dit keer echt van gaat komen , maar kom naast me zitten en kijk even mee als je wilt.’
Richard ging naast Max zitten en zag hetzelfde als hij. In de buurt van Belle Island was alles groen op het plaatje. Geen enkele bebouwing was daar, zo leek het. ‘Heb je geprobeerd met de satellietbeelden?’
‘Nee. Kan dat ook nog?’
‘Yep.’ Richard klikte op de knop links onder in het scherm en wat ze te zien kregen verbaasde hem enerzijds wel en anderzijds niet. Het groene in de normale kaart had geduid op groenvoorzieningen maar al die bomen die hij op de satellietbeeld zag leken toch een echt bos. ‘Waarschijnlijk het groene hart van de omgeving,’ concludeerde hij.
‘Ja. Dat lijkt erop. Moet ik iets anders aan doen?’
‘Je gaat me niet vertellen dat je een korte broek bij je hebt toch?’ grapte Richard met een brede grijns op zijn gezicht.
‘Ben je gek! Daar loop ik al jaren niet meer in! Geen gezicht!’
‘Laat dan maar lekker. Je ziet er prima uit.’
‘Echt?’
‘Ja. En ik kan het weten. Ik val op mannen.’
Max schoot in de lach, sloeg een arm om Richard heen en trok hem dicht tegen zich aan. ‘Ik houd van je, Richard!’
‘Dat weet ik, Max, en als je dat zegt doet me dat heel erg goed.’
‘Ik weet het. En daarom zal ik dat ook blijven zeggen maar kom, we moeten nu echt gaan. De routeplanner gaf aan het een rit van zo’n twee uur is.’
‘Weet zij dat ook?’
‘Ja. Toen ik haar vertelde dat we in Petersborough zaten, gaf ze me sneller dan dat ik Google Maps kon openen de reistijd aan.’
‘Maar jij moest nog wachten tot ik terug zou komen.’
‘En?’
‘Dan staat zij straks misschien al een hele tijd op ons te wachten!’
‘Nou en? Hebben wij niet lang genoeg op een gesprek met haar moeten wachten?’
Daar kon Richard het alleen maar hartgrondig mee eens zijn. Zijn enige voorstel daarna was: ‘Laat je koffertje maar thuis vandaag. Anders laat je hem weer vallen misschien en al die spullen passen ook wel in mijn rugzak.’
* * *
De rit duurde, doordat Richard het gaspedaal flink intrapte op de snelweg en het rustig was op de weg, iets minder dan twee uur. Eerst ging het door het binnenland en zagen ze onder andere Rice Lake dat ze op hun route van het Lester B. Pearson International Airport, waar ze een auto gehuurd hadden, naar het universiteitsterrein ook hadden gezien. Daarna was het een groot stuk via de snelweg genummerd ON-401 E. Bij de afslag 619 ging het verder over Montreal Street in de richting van Kingston en was het duidelijk aan alles te zien dat ze een stad naderden. Bijna uit het niets verscheen er ineens links voor hen een bebost gedeelte.
‘Is dat het?’ vroeg Max.
‘Denk het wel. We moeten er volgens de routeplanner in elk geval bijna zijn. Hier moet ik naar links.’
‘Ja. We zitten op Belle Park Drive,’ zei Max die het straatnaambordje had kunnen lezen.
‘En nu?’
‘Rechts aanhouden, dan doorrijden tot we niet verder kunnen en dan de parkeerplaats op.’
Richard keek om zich heen en zag dat het groener begon te worden. Hij voelde zich hier buiten de stad in elk geval. Een gevoel van heimwee naar zijn echte thuis overviel hem. Niet het gezin waarin hij was opgegroeid maar de plaats. Het prachtige gedeelte van Victoria Island, de natuur. Er lag een golfbaan links van de weg maar nog steeds was het einde van de weg niet bereikt. De weg ging over het water. ‘Waar zitten we ergens?’ vroeg hij zich hardop af.
‘Het is mooi hier,’ verzuchtte Max. ‘Volgens internet zitten we hier in een baai. Aan de ene kant, vraag me niet welke, heb je de Saint Lawrence River en aan de andere kant Great Cataraqui River.’
‘Ik ben blij dat ik niet de enige wandelende encyclopedie ben,’ zei de jongen met een lach in zijn stem.
‘Ik citeer alleen maar mijn smartphone hoor.’
‘Ja, ja. Maar ondertussen heb je dat ding wel geraadpleegd omdat je het wilde weten.’
‘Ja. Dat zal ik niet ontkennen. Ik mag graag dingen weten.’
‘Oké. Volgens mij zijn we er. Daar kan ik niet verder. De parkeerplaats maar op dan?’
‘Dat heeft ze ons aangeraden. Parkeren langs de weg lijkt me niet handig hier. De weg is veel te smal.’
‘Best druk hier,’ zei Richard terwijl hij de auto naast zwarte Ford parkeerde.
‘En daar zie ik iemand staan wachten,’ wees Max, maar wel zodat het alleen voor Richard zichtbaar was, naar rechts.
‘Huh?’
‘Ja, ze ziet er heel anders uit.’
‘Weet je zeker dat zij het is?’ Richard was nog niet overtuigd. Deze vrouw leek totaal niet op degene die hij van heel dichtbij gezien had in de hal van die wolkenkrabber. Ze droeg een lichtblauwe capri jeansi, gympen, een witte blouse met de mouwen omgeslagen, een rode baseball cap en een donkere zonnebril. ‘Weet je het zeker?’ vroeg hij nogmaals.
‘Verder staat er niemand te wachten, jongen, en dus moet zij het wel zijn. Ze zou hier eerder zijn dan wij en kijk, ze komt op ons toegelopen.’ Snel maakte Max zijn autogordel los, opende het portier en stapte uit.
‘Meneer Drummond,’ sprak Catherine Carlier, ‘ik ben blij u de hand te kunnen schudden. ‘Was het een lange reis?’
‘Dat wel, maar we hebben heel veel mooie dingen gezien.’
‘Petersborough ligt midden in het gebied dat de Golden Horseshoe wordt genoemd en inderdaad het is een heel divers landschap. En jij bent Richard?’ vroeg ze toen Richard om de auto heengelopen was.
‘Ja.’ Hij was blij dat ze niet een achternaam had genoemd. Hij vond het nog niet gemakkelijk om zich Hartman te noemen. Zijn Oom, die jurist was, was bezig met allerlei juridische zaken rondom zijn naamsverandering en tot die tijd wilde hij de naam eigenlijk nog niet gebruiken. Ook hij schudde haar de hand. Het was een stevige hand die ze gaf. ‘U ziet er werkelijk heel anders uit dan de eerste keer dat ik u zag.’
Catherine zag de verbazing op het gezicht van de jongeman en schoot in de lach. ‘Dit ben ik zoals ik werkelijk ben, Richard. Vrijdag is in de regel mijn vrije dag en dan kan ik mezelf zijn. Voor de rest van de week heb ik allerlei verplichtingen die verband houden met het werk van mijn man of de liefdadigheidsinstellingen die in ondersteun. Natuurlijk draag ik beide een warm hart toe maar … vrijdag is wel mijn meest favoriete dag.’
Richard en Max waren naar Toronto gekomen omdat ze antwoorden wilden hebben voor Stan. De meest belangrijke vraag aan haar zou zijn, waarom ze Stan weggegeven had. En ja … met het stellen van die vraag, was er ook een stuk vooroordeel ingeslopen. Een vooroordeel ten opzichte van de vrouw die het over haar hart kon verkrijgen om een tweejarig kind weg te geven. En dat oordeel was niet positief uitgevallen. Maar nu … nu ze zo ongedwongen met hem praatte, voelde Richard zich ineens bezwaard. Hij had haar niet mogen oordelen. Hij wist helemaal niets van haar af. Hij had eerst weet moeten hebben van de omstandigheden waaronder …
‘Zullen we een eindje gaan wandelen. Een eindje verderop is een picknickplaats en daar is het vast nog wel rustig. Wacht u beiden even hier, dan haal ik mijn tas met thermoskannen en broodjes even op.’
‘Prima idee,’ reageerde Max. Hij had het initiatief graag over gelaten aan Richard maar zag dat de jongen even helemaal van de wereld was. Hij stootte hem met zijn elleboog aan. ‘Alles goed?’
‘Ik had beter naar je moeten luisteren,’ fluisterde Richard. ‘Ik heb haar geoordeeld. En dat had ik niet moeten doen. Ik wist niets van haar en toch … ‘
‘Je hebt geoordeeld op dat kleine beetje informatie dat je had, jongen. En ja … het was wellicht te weinig … maar … ‘ Max, die in de regel nooit om woorden verlegen zat, kwam er even niet uit. Een beeld vormen deed je heel snel, zo wist hij uit eigen ervaring. Het was beter af te wachten maar … dat lukte niet altijd. Maar hij wilde Richard nu wel waarschuwen voor de valkuil die zich voor hem opende en zei terwijl hij de jongen heel doordringend aankeek: ‘Maak nu niet de fout jezelf te oordelen, Richard.’
‘Ik … ik … ‘
‘Ik snap je vertwijfeling heel erg goed. Als je iemand ineens in het echt ontmoet en zo iemand loopt op afgetrapte gympen rond en lijkt een heel gewoon mens te zijn dan is het ineens anders nietwaar?’
Richard knikte.
‘Laten we het gesprek afwachten. Mee eens?’
Opnieuw knikte Richard. Ja, Max had helemaal gelijk. Het gesprek en de antwoorden, daar kwam het op aan.
Catherine kwam terug en Richard stelde meteen voor dat hij de tas van haar zou overnemen.
‘Dankjewel,’ reageerde ze. ‘Je hebt manieren geleerd.’
Richard snoof. En meteen hoopte hij dat zij het niet had gehoord. Hij moest hoognodig leren om niet meteen overal op te reageren, zo sprak hij zichzelf toe.
‘Niet dan?’ vroeg Catherine, die het dus wel degelijk gehoord had, met een vragende blik op haar gezicht aan Max.

*

Morgenster – 15 – Morgenster – 17