Reacties zijn van harte welkom via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk
©Lucky Eye, juni 2017 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.
* * *
Richard sliep. Hij was gaan liggen met de bedoeling om even een powernap te nemen. Maar dit keer was hij echt diep in slaap gevallen en zoals dan vaker gebeurde droomde hij. In de regel was hij een lichte slaper. Altijd al geweest. Op vierjarige leeftijd was het hem al vaak overkomen dat hij midden in de nacht wakker was geworden. Het speelgoed op zijn kamer had dan voor de nodige afleiding gezorgd en het was regelmatig gebeurd dat hij al spelende dan weer in slaap was gevallen. Maar als hij echt diep in slaap was, zoals nu het geval was, dan droomde hij. Hij kon echt overal slapen. Het maakte hem gewoon niet uit. De ogen dicht en slapen. Hij had het ook nodig die korte momenten van totale rust. Anders zou hij het tempo waarin hij leefde niet vol kon houden. Hij droomde meestal van alles en nog wat. Maar heel vaak was dat wat er zich achter zijn oogleden afspeelde angstig. Dan was hij in gevecht met zijn eeuwige tegenstander. Ze vielen elkaar met tomeloze energie keer op keer aan en heel lang kreeg geen van beiden de overhand. Het eindigde altijd met zijn verlies als zijn opponent hem helemaal tot puin sloeg en er alleen nog maar een stofwolkje van hem overbleef. Angstaanjagend en reden dat hij vaak hijgend, bezweet en met van pure doodsangst wijd opengesperde ogen wakker werd. Ook nu. Naar adem happend en met een hart dat enorm snel in zijn borstkas bonkte, sloeg hij zijn ogen op om meteen rechtop te gaan zitten. ‘Pffff,’ blies hij de lucht uit zijn longen. Gelukkig. Hij was wakker en wist dat het maar een droom was geweest. En er was ook een gevoel van opluchting in hem. Het was weer eens deze droom geweest en niet die andere. Die andere die nog veel erger was.
Met het wakker worden, begon ook meteen zijn agenda zich in zijn hoofd te melden. ‘Shit!’ Waarom was hij niet wakker geworden van het alarm van zijn horloge? Hij had een afspraak! Zijn nette kleren lagen klaar maar die aantrekken over zijn van het zweet natte lijf was onmogelijk! ‘Shit,’ mopperde hij nog een keer om zich naar de badkamer te haasten. Snel zijn wijde, katoenen boxer uit en snel even douchen om het zweet van zijn lijf te spoelen en zich te verfrissen. Hij was van school, het Monterey Peninsula College, naar huis gegaan om zich om te kleden omdat hij aan het eind van de middag met dean Drummond mee naar huis zou gaan om daar een klusje te klaren. Thuisgekomen had hij gezien dat hij nog wel een halfuurtje had voor een klein slaapje. En … daarbij had hij zich dus nu verslapen. Snel douchen en afdrogen. Snel een blik in de spiegel geworpen om te zien hoe zijn zwarte haren, die nodig weer eens geknipt moesten worden, er uit zagen. Hmmm. Het zat wild en een pluk rechts waar hij waarschijnlijk op zijn hand had gelegen wilde niet echt in model komen. Oké, dan maar niet. Aankleden. Zwarte sokken, boxer, zwarte broek en wit overhemd. Hetzelfde ‘uniform’ dat hij ook droeg als hij hielp als kelner in een van de restaurants in het uitgaanscentrum van Monterey; een van zijn vele baantjes. Daarna denderde hij rap de trappen van vijf hoog naar beneden af om in de garage zijn mountainbike te pakken. Als een gek racete hij van het havengebied, waar zijn flatje was, naar Fremont Street. Hij kende diverse kortere en snellere routes die hij ’s nachts vaak over voetgangersgebieden nam maar durfde daar vanwege overlast voor de voetgangers en de kans op politiecontrole geen gebruik van te maken en dus zou zijn rit langer duren dan hij wilde. Maar ja, had hij zich ook maar niet moeten verslapen.
Bij het gebouwencomplex van de school aangekomen, stapte hij niet af maar reed hier wel over de plaatsen waar je eigenlijk met je fiets aan de hand hoorde te lopen. Het was aan het eind van de middag en rustig en dus zouden de toezichthouders andere dingen aan het doen zijn dan leerlingen in de gaten houden. Vandaag was een gekke dag. Niet alleen dat verslapen was er maar het was al veel eerder begonnen. De wet van Murphy liet zich deze dag heel duidelijk voor hem gelden. Vroeg in de ochtend was het al begonnen. Van dinsdag tot en met vrijdag hielp hij vroeg in de ochtend bij het uitladen van de bevoorradingsvrachtauto voor een supermarkt om de hoek van de straat waar hij woonde. Die ochtend was er een nieuwe chauffeur en die had het dus niet kunnen vinden. Al met al kwam de man drie kwartier te laat aan. Vijfenveertig minuten minder voor hem en anderen om hun klus te klaren en dus was het pezen geblazen. Tijdens zijn lunchpauze hadden de vier honden die hij moest uitlaten het op elkaar voorzien en dat terwijl ze normaal prima met elkaar konden opschieten. Het gevolg was geweest dat hij een scheur had opgelopen in zijn jeans toen de herder Andor, een heel lieve hond, uit pure frustratie vanwege het continue geblaf van het keffertje Milou, in zijn broekspijp had gehapt. En net nu hij had gedacht dat hij wat extra tijd had om even wat bij te slapen had hij zich verslapen en trapte hij zich opnieuw in het zweet terwijl hij dat er zo-even onder de douche had afgespoeld. Gelukkig had hij een goede deodorant.
Vlak bij het gebouw waar hij moest zijn aangekomen, keek hij snel om zich heen om te zien of er echt niet een toezichthouder toevallig met zijn ronde bezig was. Toen hij niemand zag, slalomde hij tussen de twee hekken door, trapte toen weer flink op de pedalen en schoot met grote snelheid de steile helling naar de fietsenkelder af. Die afrit was berucht, zo had hij begrepen van zijn medeleerlingen. Menigeen was daar in het verleden onderuit gegaan en daarom was er een aantal jaren geleden een algeheel fietsverbod ingesteld op het terrein van de school. Maar aangezien niemand zich daaraan leek te willen houden hadden de toezichthouders de opdracht om dat verbod te handhaven. Hij kneep hard in de achterremmen, helde met zijn bovenlijf over naar een kant en toen het wiel keurig in de door hem gewenste richting wegslipte, trapte hij nog eens stevig op de pedalen om zo ver mogelijk naar voren te rijden. Daar zou op dat tijdstip van die dag – het eind van de middag – wel genoeg ruimte zijn.
En inderdaad. Hij had keuze genoeg om zijn fiets te stallen. Tijdens het korte ritje door de kelder had hij gemerkt dat het licht op diverse plaatsen niet goed functioneerde. Zoiets moest ’s avonds als het donker was best eng zijn, zo schoot het door zijn hoofd. Niet dat hij snel bang was. Hoewel hij niet echt groot was, stond hij zijn mannetje omdat hij diverse zelfverdedigingsmethoden wist te gebruiken. En ja, helaas had hij het in de praktijk een aantal malen moeten gebruiken.
Nu had hij echter andere dingen aan zijn hoofd. Hij zette zijn fiets op slot en borg het sleuteltje goed op in zijn rugzak. Die slingerde hij over één schouder en toen rende hij in de richting van de trap naar de centrale hal. Onderaan de trap deed de verlichting het helemaal niet. Het was zijn bedoeling om met minstens twee treden tegelijk de trap op te rennen maar toen hij ergens tussen hemel en aarde zweefde bij zo’n sprong, kwam hij hard in aanraking met het een of ander en tuimelde achterover de trap af. De landing op de harde, betonnen vloer van de fietsenkelder zorgde ervoor dat alle lucht uit zijn longen geperst werd. Opnieuw was hij blij met alles wat hij op zelfverdediging en de daaropvolgende cursussen had geleerd want het kunstje om goed te vallen, was daar ook onderdeel van. Hij lag op zijn zij maar ondanks al het geleerde dat hij nu in praktijk had kunnen brengen deed zijn lijf op diverse plaatsen behoorlijk pijn en daarom stond hij het zichzelf toe om even met gesloten ogen te blijven liggen waar hij lag.
‘Richard? Gaat het wel?’
Richard opende zijn ogen en zag een gezicht voor zich. Eerst was het wat wazig maar nadat hij een aantal keren met zijn ogen geknipperd had, herkende hij het gezicht van Nancy. Een mooi gezicht omlijst met lang kastanjebruin haar dat door heel veel mensen als rood werd getypeerd. Ze zat op haar knieën naast hem en toen hij langzaam in beweging kwam met de bedoeling zich op te richtten, duwde ze hem voorzichtig terug. Haar actie veroorzaakte een pijnscheut in zijn lichaam die ze gelukkig niet opmerkte.
‘Liggen blijven. Ik haal een van de toezichthouders voor je. Die hebben allemaal EHBO gehad.’
‘Sorry, Nancy, maar daar heb ik geen tijd voor,’ reageerde hij zo nonchalant mogelijk waarna hij opnieuw een poging deed om in zittende houding te komen. Ditmaal hield het meisje hem niet tegen.
‘Stijfkop! Je kunt wel een hersenschudding hebben, of zo!’
‘Ik niet! Die kop van mij is veel te hard.’
‘Ja, dat zou kunnen. Zo’n stijfkop als jij heb ik inderdaad nog nooit gezien!’ zei ze maar ze glimlachte er wel bij.
Moeizaam kwam hij in de benen. Zijn knie deed pijn en ook zijn rechter arm, die de val had gebroken en voorkomen dat hij met zijn hoofd op de grond terecht kwam, deed zeer. Daarbij kwam nog dat de keurige, zwarte broek die hij aan had nu ontsierd werd door stof en een flinke winkelhaak ter hoogte van de knie. Richard vloekte. Hij was speciaal naar huis gegaan om zich om te kleden voor deze klus en nu zag hij eruit als… tja… als wat?
‘Gaat het echt wel?’ klonk het bezorgd uit Nancy’s mond. Nancy zag hoe Richard knikte. ‘Wat doe je hier eigenlijk? Je was toch allang naar huis?’
‘Ik heb een afspraak met Drummond. Ik ga met hem mee naar huis om een netwerkje bij hem aan te leggen.’
‘Kan hij daar niet iemand voor inhuren?’ reageerde Nancy verontwaardigd. ‘Ik weet dat hij geld genoeg heeft.’
‘Hij heeft mij ingehuurd, Nancy! Je denkt toch niet dat ik het voor niets doe, hè!’ De pijn liet zich even goed gelden en Nancy moest dat gezien hebben want even later zei ze dat ze het toch wel verstandig vond als hij even met haar mee zou gaan naar de schoolverpleegkundige. Daar wilde hij echter niets van weten. Hij was al laat en hoopte maar dat hij niet te laat zou zijn. Nog even hield Nancy hem aan de praat en dat waarschijnlijk alleen maar om er zeker van te zijn dat alles echt goed met hem was. Manmoedig zette hij twee stappen in de richting van de trap en merkte meteen dat dat erg pijnlijk was. Elke beweging lokte een pijnscheut uit in zijn been en aan de rechterkant in zijn bovenlijf. Waarom maakten ze die vloeren dan ook van beton, mopperde hij in zichzelf.
‘Weet je zeker dat het gaat, Richard?’ vroeg Nancy die hem na stond te kijken.
Hij draaide zich naar haar om, knipoogde en strompelde de trap op.
* * *
Nancy keek de moeilijk lopende Richard na die zich langzaam van de ene tree op de andere tree hees, want echt vlot omhoog lopen kon ze het niet noemen. Ze kon zich heel goed voorstellen dat hij verrekte van de pijn. Waarom had die idioot dan ook zo’n haast gehad! Nou ja, kende ze Richard anders? Het leek of hij altijd haast had. Nee, corrigeerde ze zichzelf, niet helemaal waar. Op school tijdens de lessen was hij de rust zelve. Dan nam hij overal de tijd voor en was hij nooit te beroerd om anderen te helpen als die iets niet snapten. Dan … dan leek hij een heel ander mens ineens. Maar voor de rest rende en holde Richard van het ene baantje naar het andere. In haar ogen was hij knettergek. Nu ook weer. Helemaal met Drummond mee naar zijn huis om daar een netwerk aan te leggen! Alsof zoiets nodig was bij Drummond! Ze kende de familie Drummond heel erg goed omdat die naast haar grootouders, door wie zij grotendeels was opgevoed, woonden en zij heel veel met hun kleinkinderen had gespeeld vroeger. En nog steeds kwam ze wel bij Max en Edith over de vloer. Maar Drummond met een netwerk, dat was net zoiets als een holbewoner met een zaklantaarn. Natuurlijk hadden ze bij de Drummonds wel computers maar of je die oude apparaten, die vast en zeker allemaal nog onder Windows 3 liepen, in een netwerk met elkaar zou kunnen verbinden, dat vroeg ze zich af. Haar gedachten gingen terug naar Richard. Een vreemde jongen die sinds het begin van dit schooljaar in Monterey woonde. Er was tussen hen beiden meteen iets van een band geweest omdat ze op precies hetzelfde moment met de auto, hij in zijn eentje en zij met haar vriend Nathan, waren aangekomen bij het oude, verbouwde pakhuis waar ze beiden een flat huurden. Het stond Nathan – vijf jaar ouder dan zij, samen met zijn vader eigenaar van een garage, in zijn vrije tijd toetsenist en zanger in een eigen bandje – helemaal niet aan dat zij op zichzelf wilde gaan wonen. Veel liever had hij gehad dat ze bij hem introk in zijn woning boven de garage maar daar had ze het nog niet aan toe. Eerst eens kijken of ze zichzelf kon redden. Niet meteen vanuit de veilige thuissituatie bij haar grootouders intrekken bij iemand die opnieuw voor haar zou willen zorgen. Gedrieën hadden ze beide auto’s leeg geruimd en Nathan, die in eerste instantie wat argwanend ten opzichte van haar nieuwe buurman had gereageerd – Richard was tenslotte een man en ook nog eens leuk om te zien – was aan het eind van de middag helemaal omgedraaid omdat hij in een van de dozen van Richard diens diploma’s van een aantal vechtsporten had gezien. En meteen had zij geweten waarom Nathans stemming omgeslagen was: hij had nu het idee dat zijn vriendinnetje een stuk veiliger woonde. Zij en Richard konden het heel erg goed met elkaar vinden. Ze aten regelmatig bij elkaar als het hem uitkwam want hij was altijd wel bezig met iets. Hij had diverse baantjes. ’s Ochtends in alle vroegte hielp hij altijd bij de supermarkt van O’Malley – een Iers echtpaar van geboorte dat het maar wat leuk vond dat ze een jongen met een Ierse achternaam aan een baantje konden helpen – om de vrachtwagen uit te laden. Tussen de middag liet hij honden uit. Na het avondeten maakte hij kantoren schoon en daarna werkte hij vaak nog als ober ergens. En naast al die werkzaamheden werkte hij ook nog voor Fred Quintana. Dat was de eigenaar van een winkel in computers en mobiele telefonie. Richard werd door hem vaak ingeschakeld om in Monterey en wijde omgeving computers te installeren bij mensen thuis of netwerken aan te leggen.
Richard was een vreemde. Dat had ze meteen al in het begin gemerkt. Hij had een heel duidelijk accent en hij maakte af en toe rare schrijffouten. Ze was er door veel vragen, want uit zichzelf iets vertellen deed Richard niet, achter gekomen dat hij uit Canada kwam maar veel meer had ze ook niet van hem weten los te krijgen. Canada, daar had ze het mee moeten doen. Of hij ouders of broers en zussen had wist ze niet. Richard was zo gesloten als een oester. Op school deed hij zijn uiterste best en haalde prima cijfers. Het leek of het hem allemaal heel gemakkelijk afging. Trots was hij daar echter niet op. Als meneer Meyers, de leraar informatiekunde, hem prees om zijn goede prestaties en inzicht, werd Richard altijd enorm rood. Hij was duidelijk verlegen. Je kon rustig zeggen dat hij heel bijzonder was. Zo reed hij elk weekend naar huis. Vrijdag aan het begin van de middag weg en maandag ’s ochtends weer terug en dat elk weekend. De oorzaak kon volgens haar niet heimwee zijn want waarom was hij dan helemaal hierheen gekomen om te studeren? Dan had hij ook kunnen kiezen voor iets in zijn eigen land toch? Daar hadden ze ongetwijfeld ook goede opleidingen. Maar nee, Richard kwam uit Canada naar Monterey en ging dan toch elk weekend naar huis. Heel vreemd was het geweest toen een keer zijn auto niet wilde starten en hij echt in alle staten was want hij moest en zou naar huis. Nathan – bij wie hij zijn auto op het terrein parkeerde – had de auto, een enorm oude barrel, in de garage nagekeken en hem kunnen repareren. Richard was er steeds bij gebleven en was uiteindelijk met een vertraging van drie uur vertrokken. Nathan had het ook heel vreemd gevonden. Richard had niets anders gedaan dan heen en weer lopen in de garage en had hem en zijn werknemers flink op de zenuwen gewerkt.
Uitgaan deed hij ook niet. Nou ja, bijna niet. Hij was geen gezelligheidsdier, durfde ze gerust te stellen. Ze had hem een paar maal meegesleurd omdat ze gewoon vond dat hij bepaalde uitnodigingen van klasgenoten niet af kon slaan maar het was echt slepen geweest. Eerst heel lang praten. En dat praten leek dan alsof je tegen een muur aan stond te kletsen want Richards antwoord bleef steevast: “Ik ga niet”, “Heb geen zin”, of “Heb het te druk”. En ja, dat laatste was natuurlijk waar maar nooit eens uitgaan, was volgens haar niet goed. Je was tenslotte maar één keer jong en daar moest je dan ook van kunnen genieten. Misschien was het dat wel. Misschien wist Richards wel niet hoe hij moest genieten. Maar drie keer was het haar dan toch gelukt om hem zover te krijgen dat hij met haar meeging. De eerste keer in oktober, de tweede keer bij het feestje dat Jacob een week voor Kerstavond had georganiseerd en vorige maand nog naar een feestje dat Nathan had gegeven voor zijn verjaardag. Die keer bij Jacob zou ze nooit vergeten en wat was ze blij dat ze Richard zover had gekregen dat hij toen wel mee was gegaan. Met z’n drieën waren ze – Richard, Nathan en zij – teruggelopen naar huis. Het was een flinke wandeling en Nathan had iets te veel gedronken. Ergens in het centrum werden ze ineens staande gehouden door een viertal jongens. Nancy had zich meteen teruggetrokken achter haar begeleiders omdat ze het niet vertrouwde. Ze wilden geld van hen en er blonken een paar messen. Nathan probeerde er met praten uit te komen. Maar omdat hij aangeschoten was, dacht hij het met grapjes te kunnen oplossen maar dat hielp dus niet. Al snel had Richard begrepen dat Nathan niet echt een hulp zou zijn en had hij haar gezegd Nathan vast te houden. Zij had het doodeng gevonden want Richard was een onderdeurtje van 1.67 meter lengte en hij stond in zijn eentje tegenover vier gasten die duidelijk veel groter waren en waarvan er zeker twee een mes hadden. Richard had het viertal heel duidelijk gesommeerd weg te gaan en hen met rust te laten. Ze hadden gelachen. Nogmaals had er een waarschuwing geklonken en toen ook deze in de wind geslagen werd was het allemaal heel snel gegaan. De jongens waren begonnen en Richard had alleen maar gereageerd op hun acties maar wel zodanig dat hij binnen de kortste keren de twee met een mes had uitgeschakeld. Ze lagen zo snel op de grond dat zij amper had kunnen zien wat er was gebeurd. Richard stond als de rust zelve op het slagveld en had zich tot de twee anderen gericht. Deze hadden elkaar even aangekeken en zich toen heel snel uit de voeten gemaakt. “Zo, dat was dat,” had Richard gezegd. Hij had de messen met een zakdoek die hij van haar had geleend opgeraapt en apart gelegd en daarna de twee overvallers met zijn eigen riem en die van Nathan vastgebonden en de politie gebeld. Toen een agent haar gevraagd had hoe Richard zijn belagers uitgeschakeld had kon ze alleen maar zeggen dat alles heel erg snel was gegaan en dat ze het absoluut niet had kunnen volgen.
Uit dat Kerstincident, zoals ze het nadien noemde, vloeiden diverse voordelen. Nathan nam zich stellig voor, en tot nu toe had hij dat nog steeds volgehouden, om niet meer dan één biertje, glas wijn of cocktail te drinken als hij samen met Nancy uitging. Hij had zich namelijk doodgeschaamd dat hij niet in staat was geweest zijn vriendin te beschermen. Voordeel voor Richard was, dat het onderhoud van zijn auto hem geen cent meer kostte en dat hij elke vrijdagmiddag met een volle tank kon vertrekken; ook een stukje boetedoening van Nathan.
Nancy onderbrak haar gedachtestroom en liep snel naar de trap toe om te kijken of Richard erin geslaagd was boven te komen. Ze kon hem niet meer zien of horen en ging ervan uit dat hij inmiddels op zijn plek van bestemming zou zijn. Ze slaakte een zucht van verlichting. Het was hem gelukt. Misschien viel alles toch nog wel mee. Met het voornemen om naar huis te gaan, liep ze de fietsenkelder weer in en toen ze langs de plaats kwam waar Richard hard in aanraking met het beton was gekomen zag ze ineens iets glinsteren. Ze bukte zich en zag bloed. Shit! Snel draaide ze zich om en rende terug, de trap op en de hal in. Meteen richtte ze haar ogen op de deur van Drummonds kantoor. Die was dicht. Richard was waarschijnlijk al binnen. Toen zag ze hoe mevrouw Jenkins, een van de verpleegkundigen van de school, zich door de centrale hal haastte in de richting van Drummonds kantoor. Gelukkig, mevrouw Lopez had zich niet zoals zij door Richards bravoure van de wijs laten brengen en er een deskundige bijgehaald.
* * *
De trap van de fietsenkelder naar de centrale hal was een bezoeking geweest. In de centrale hal was hij meteen een toilet binnengelopen om in een spiegel te zien hoe groot de schade was. Op zijn gezicht zat rechtsboven een flinke schram waar bloed uitliep. Waarschijnlijk had zijn gezicht dus toch even de grond geraakt. Hij maakte een papieren handdoekje nat en probeerde het bloedden te stelpen. Het prikte enorm! Hij veegde het bloed zo goed als mogelijk weg. Zijn witte overhemd zat onder de smerige vegen en zijn broek was niet meer zwart maar grijs vanwege het stof. Hij leek wel een landloper. Terug naar huis lukte in elk geval niet. Hij zou zo naar Drummond moeten en als eerste zijn excuses maken voor de haveloze toestand waarin hij verkeerde. Het oversteken van de hal – die groot, ruimtelijk en goed verlicht was vanwege het zonlicht dat van bovenaf naar binnenscheen – had ervoor gezorgd dat heel veel mensen hun hoofd naar hem hadden omgedraaid. Niet alleen de staat van zijn kleding maar ook de manier waarop hij liep trok waarschijnlijk de aandacht. Vreselijk vond hij het. Hij hield er absoluut niet van om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Gelukkig lag Drummonds kantoor niet verderop in het gebouw. Hij klopte en wachtte tot hij mevrouw Lopez, de secretaresse van Drummond, hoorde roepen dat hij binnen mocht komen. Richard stapte naar binnen en werd getrakteerd op een gulle glimlach en een stortvloed aan lovende woorden. In haar ogen, zo wist hij, was hij haar reddende engel omdat hij de vorige week haar computer weer aan de praat had gekregen en hem meteen had opgeschoond zodat het apparaat weer een stuk sneller werkte. Maar ineens zag hij haar gezicht verstrakken.
‘¡Madre Mia! Wat is er met jou? Je ziet zo bleek! En… ‘
Er volgden nog veel meer woorden maar die waren allemaal in het Spaans en daarvan verstond hij helemaal niets. Voordat hij het wist drukte ze hem neer op de bank langs een van de wanden van het kantoor, wat een flinke pijnscheut in zijn bovenlijf veroorzaakte, rende ze naar haar telefoon en binnen een paar tellen, tenminste zo voelde het voor hem, was er een verpleegkundige aanwezig. Zijn protesteren, nadat hij begreep wat mevrouw Lopez van plan was, had geen enkele zin gehad. Er moest en zou iemand naar hem komen kijken. Mevrouw Jenkins was heel snel gekomen. Het liefst had ze gewild dat ze met hem naar het ziekenhuis zou gaan maar daar had hij niets van willen weten. Dat protest had wel gewerkt in elk geval. Als iets van compensatie voor zijn botweg weigeren naar haar advies te luisteren had hij zich daarna volledig overgegeven en alles over zich heen laten komen. Echter … toen hij moest gaan staan en zijn broek moest laten zakken, had hij toch wel even vreemd op zijn neus gekeken. Zijn broek laten zakken in het bijzijn van twee dames?
‘Niet zo moeilijk doen, Richard!’ sprak de verpleegster. ‘Je hebt een winkelhaak in je broek en ik verwacht dat je daar een wond hebt en die wil ik zien.’
Hij deed wat hem gevraagd of beter gezegd opgedragen werd. En ja, ze had helemaal gelijk. Aan de zijkant van zijn knie zat een flinke snee en op zijn bil een enorme schaafwond. Een verdere inventarisatie van zijn verwondingen gaf, naast datgene dat hij zelf al gezien had in de spiegel, het volgende lijstje: een niet al te erg bloedende schaafwond op de buitenkant van zijn rechter hand, eentje op zijn ribbenkast en op heel veel plaatsen waren nu al verkleuringen te zien. Hij kreeg een tetanusspuit, een pijnstiller, de wonden werden verzorgd en waar nodig verbonden of met een pleister afgedekt en daarna werd Richard weer teruggezet op de bank en door de dames geholpen om in liggende positie te komen omdat hem dat op eigen kracht niet lukte en hij van mevrouw Jenkins per se een half uur rust moest nemen. Er werd op de deur geklopt en de schoolverpleegkundige opende de deur en praatte met iemand op de gang. Hij kon niet zien wie het was maar even later vertelde ze hem dat zijn vriendinnetje Nancy gevraagd had of alles goed met hem was. Richard had uitgelegd dat Nancy een vriendin was en niet zijn vriendinnetje.
‘Je mag blij zijn met zo’n vriendin, jongeman! Ze geeft om je en het was beter geweest als je naar haar had geluisterd en meteen naar mij was gegaan.’
‘Maar ik… ‘ probeerde Richard zich te verdedigen.
‘Ja, je had een afspraak,’ bemoeide mevrouw Lopez zich er nu ook mee. ‘En kijk eens! Wie houdt zich niet aan die afspraak! Wie is er al zeker twintig minuten te laat nu!’
Ja, ze had helemaal gelijk. Haastige spoed was zelden goed en nu helemaal niet nodig geweest, zo bleek. Drummond was tijdens de hele onderzoek- en behandelscène niet verschenen. Dus zo laat was hij waarschijnlijk toch niet geweest. Of beter gezegd, Drummond was te laat. Verdomme! Had hij zich voor niets gehaast. Had hij het ook wel rustig aan kunnen doen en dan… nou ja… laat ook maar. Zoiets hielp niet echt. Klagen had geen enkele zin en bovendien werd hij hier, liggend op de bank, goed verzorgd door mevrouw Lopez die hem koffie en koekjes bracht. Koffiedrinken liggend op de bank zou niet goed gaan maar de koekjes gingen er wel lekker in. Voor de koffie kwam al snel een oplossing. Vanuit de kantine bracht iemand een rietje. Probleem opgelost.
Nadat het half uur verplichte rust al ruim verstreken was kwam Drummond zijn kantoor uit gezet en zei het volgende: ‘Ah, ik zie dat je er al bent, Richard. Groot gelijk dat je het jezelf gemakkelijk hebt gemaakt.’
‘¡No me digas!’ Klonk het vol ongeloof uit de mond van mevrouw Lopez en in alle geuren en kleuren begon ze uit te leggen wat er gebeurd was.
Drummond liet zien dat hij een zorgzame kant had, trok een stoel aan en ging naast Richard zitten en vroeg hem hoe het met hem was.
Richard bleef rustig liggen. Die positie beviel hem wel goed eigenlijk. Zijn gedachten waren al diverse malen vooruitgelopen op het feit dat hij toch eens van de bank zou moeten opstaan en dat was geen leuk vooruitzicht geweest. ‘Het gaat wel, meneer. Ik heb het idee dat de pijnstiller van mevrouw Jenkins goed werkt.’
‘Ja, maar dat houdt een keer op. Zal ik je niet liever naar huis brengen? We kunnen rustig een andere keer afspreken om dat klusje bij mij thuis te doen.’
‘Nee, liever niet, meneer,’ zei Richard terwijl hij een poging deed overeind te komen. Die faalde echter omdat de pijn scherp door zijn bovenlijf trok. ‘Sorry, geeft u mij alstublieft even wat tijd.’
‘Alle tijd, Richard. Haast je niet maar ik denk dat het je niet zal lukken om alleen overeind te komen nu. Vind je het goed dat mevrouw Lopez en ik je helpen?’
Richard begreep maar al te goed dat een nieuwe poging hetzelfde resultaat zou hebben en daar zat hij niet op te wachten. Hij knikte en werd na een gezamenlijk ‘1, 2, 3,’ door de twee overeind geholpen. Er was pijn. Overal pijn maar toch niet zo veel als bij zijn solopoging. ‘Pfff,’ verzuchtte hij.
‘Ben je ook duizelig?’
‘Nee, meneer.’
Mevrouw Lopez vertelde dat de verpleegkundige allerlei dingen aan Richard had gevraagd om uit te sluiten dat hij een hersenschudding had. ‘Volgens mevrouw Jenkins heeft Richard een harde kop.’
Drummond lachte. ‘Een harde kop of niet, ik denk dat bewegen de komende tijd wel lastig zal zijn en daarom lijkt het mij toch beter dat ik je naar huis breng.’
Opnieuw kwam er een protest over de lippen van Richard. Een ferm verzet. Eentje die ervoor zorgde dat Drummond en mevrouw Lopez elkaar heel even aankeken maar dat niet zonder dat hij het opmerkte.
‘Oké, ik zal afgaan op dat wat jij zegt. Je bent 21 en dus mag ik aannemen dat je oud en wijs genoeg bent om een verstandig besluit te nemen,’ sprak de dean rustig.
Verstandig en wijs was het misschien niet, zo dacht de jongen, maar hij kon deze klus gewoon heel erg goed gebruiken. Bezig zijn met computers was iets dat hij heel erg graag deed en hij greep elke poging aan om dat te doen. Het was zoveel beter dan alle andere baantjes die hij had en … nou ja … hij moest geen onderscheid maken tussen dat wat hij deed. Het diende allemaal een doel en dat was om zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld te verdienen zodat hij …
‘Zullen we dan maar?’
Richard stond met de nodige moeite vanuit zittende positie op en zag het uiterst bezorgde gezicht van mevrouw Lopez. Haar gezichtsuitdrukking deed hem bijna meer pijn dan zijn verwondingen. Hij was de vrouw leuk gaan vinden. De afgelopen tijd was hij vaker door Drummond gevraagd om dingen te veranderen aan de computers op zijn kantoor en daarbij had hij het gezelschap van mevrouw Lopez op prijs weten te stellen. Ze was gewoon leuk. Een heel gezellige vrouw die hem heel veel had verteld over haar leven terwijl hij bijna niets had prijsgegeven over het zijne. Hij had het allemaal beperkt gehouden tot zijn wereld hier in Monterey. Meer wilde hij niet kwijt. Met zijn verdere leven had helemaal niemand iets nodig. Niemand wist iets van hem en dat wilde hij zo houden. Maar nu ze zo zorgelijk keek, vond Richard het toch wel moeilijk. Het leek op moederlijke bezorgdheid, zo voelde hij. Een steek van pijn in zijn hart volgde. Verdomme! Niet aan denken! Niet nu!
Max Drummond ging de jongen voor zijn kantoor uit en de grote hal in. Het was er rustig nu en dat kwam op zich heel goed uit. Zo konden ze de kortste weg, een rechte lijn, aanhouden in de richting van de liften. Normaal nam hij altijd de trap maar gezien Richards situatie leek het hem beter om daar nu maar vanaf te zien. Hij was 74 maar nog steeds goed ter been en zorgde ervoor iets langzamer dan normaal te lopen zodat de jongen hem bij zou kunnen houden in de hoop dat hij niet al te veel pijn zou hebben. Misschien … nee, de jongen had zijn keuze gemaakt en daar moest hij het mee doen. Stijfkoppig, dat was hij zeker. Maar daar was op zich niets mis mee. Het was een karaktereigenschap waar hij zelf ook over beschikte en die hem soms had opgebroken maar er ook vaak voor had gezorgd dat hij dat bereikte wat hij had gewild. Bovendien was er zijn vrouw. Samen vormden ze een goede twee-eenheid. Ze vulden elkaar aan en trapten af en toe bij elkaar op de rem. Zij als hij al te stijfkoppig was en de belangen van anderen uit het oog verloor, en hij bij haar als ze haar zorgzaamheid te ver doordreef en zichzelf vergat. Een prima combinatie. Zo denkend kon hij zich nu al heel goed voorstellen hoe ze zou reageren als Richard straks strompelend hun huis zou binnenkomen. Want lopen kon je het amper noemen wat de jongen deed.
* * *
Drummond beschikte over een heel mooie en comfortabele auto. Richard zakte zowat helemaal weg in de stoel toen hij er plaats op nam. Het voelde zacht maar gaf tegelijkertijd gelukkig heel veel steun, zo merkte hij op. Nou ja, de dean kon het ook wel betalen. Hij had van Nancy heel veel over de Drummonds gehoord en begrepen dat die flink wat geld moesten hebben. Alleen al hun huis op de kust bij Pebble Beach was volgens Nancy een vermogen waard en zij kon het weten want haar grootouders woonden daar ook. Maar Drummond was ook bijzonder, zo wist hij van haar. Hij kon allang met pensioen maar wilde nog steeds van geen stoppen weten. Tot drie keer toe had het bestuur van de Community College hem een voorstel daartoe gedaan maar steeds had Drummond dat afgewezen. De eerste keer vond hij zich met 62 nog te jong. De tweede keer, vijf jaar later, was er de nieuwbouw van de school waarvan hij vond dat hij daarvoor onmisbaar was vanwege zijn connecties met overheid en bedrijfsleven. De laatste keer was toen de dean 70 was geworden. Maar opnieuw had hij niet toegestemd. Hij was gekomen met een tegenvoorstel dat inhield dat hij zelf zijn tijd van pensionering zou bepalen en dat hij voor een symbolisch (erg laag) bedrag op de loonlijst zou blijven staan. Volgens hem was het belangrijker dat het geld naar het onderwijs en de begeleiding van de leerlingen ging in plaats van naar hem. Een nobele gedachte, vond Richard. Maar ja, als je voldoende verdiend had dan kon je zoiets ook doen. Maar toch … niet iedereen zou zoiets doen.
Zijn intakegesprek had Richard niet met Drummond gehad. Hij had hem voor het eerst gezien tijdens de speech die hij had afgestoken bij de opening van de introductieweek. Richard had bewondering voor hem gehad omdat Drummond dat helemaal uit zijn hoofd had gedaan. Pas toen hij bij de huishoudelijke mededelingen en het schema voor de rest van de week was aangekomen had hij er notities bij gepakt. Ook vond hij het bijzonder dat Drummond zich die week elke dag had laten zien aan zijn nieuwe oogst aan leerlingen. Hij was onder andere toeschouwer geweest bij de sportieve onderdelen en had ook een groep geleid bij het bezoek aan het museum voor moderne kunst. Bijzonder, vond Richard. De dean was nog bijzonder actief voor zijn leeftijd.
De rit naar Pebble Beach verliep voorspoedig. Alleen in het centrum van Monterey hadden ze even vastgestaan in de avondspits. Drummond was een voorzichtig rijder, zo merkte Richard op. Behoedzaam was misschien beter gezegd. Tijdens het rijden praatten ze beiden niet maar dat had hij bij het instappen meteen al aangegeven met de woorden: “Het spijt me maar ik kan geen twee dingen tegelijkertijd meer doen en daarom richt ik me in de auto op het rijden”. Richard had dat heel verstandig gevonden. Als je weet hebt van je beperkingen is het goed om je gedrag daarnaar aan te passen. Buiten de stad viel het hem op dat het heel anders rook ineens en des te verder ze vorderden naar hun bestemming des te duidelijker kon hij de zee ruiken. Met zijn ogen dicht probeerde hij zich een voorstelling van de oceaan te maken. Zou Drummonds huis uitzicht op zee hebben? Hij hield van de zee. Thuis was hij ook vaak naar het strand gegaan. Altijd met Stan. Ze hadden gezwommen en samen in de zon gelegen. Het was een rustmoment voor hen beiden geweest altijd.
‘We zijn er!’ zei Drummond.
Richard schrok op en voelde meteen de pijn in zijn lijf. Had hij geslapen?
‘Lekker dutje gedaan?’ vroeg Drummond met een glimlach op zijn gezicht.
‘Ja. Lijkt er wel op. Het laatste stukje heb ik gemist geloof ik.’
‘Ach, niets bijzonders gemist hoor.’
Met moeite, omdat zijn lijf stijf aanvoelde en tegenwerking leek te bieden bij alles wat hij wilde doen, stapte Richard uit. Jammer genoeg kon hij vanaf de oprit de oceaan niet zien. Wel zag hij dat de zon aan het ondergaan was. Het was eind maart en het zou niet lang duren voordat het donker was, zo wist hij. Hij probeerde zijn tas van de achterbank te pakken. Dat moest hij bezuren. Hij kromp zowat ineen van pijn.
‘Zal ik dat maar doen voor je?’
‘Nee da… ‘
‘Laat het mij doen, Richard.’
Het had onverbiddelijk geklonken en daarom had hij niet meer geprotesteerd. Hij volgde Drummond naar de voordeur die als vanzelf voor hem open leek te gaan. Het was echter zijn vrouw die de deur opende en haar man vrolijke begroette.
‘Ah, daar ben je, lieverd!’ Ze gaf hem een kus op zijn wang. ‘Was het leuk op je werk?’ Op een antwoord wachtte ze niet want ze ging meteen verder. ‘Ah, en jij moet dan Richard zijn. Welkom, Richard!’
‘Dank u, mevrouw.’ Richard stak zijn hand uit naar de hare en bereidde zich alvast voor op de pijn die hij zou gaan voelen als ze zijn hand zou drukken maar zover kwam het niet. Het verband om zijn hand alarmeerde haar.
‘Oh, maar wat is er aan de hand? Max?’
‘Volgens Richard is er niets aan de hand, schat, maar hij is in de fietsenkelder van de trap gevallen. Vanwege de slechte verlichting zag hij niet dat Nancy de trap afkwam en omdat hij probeerde met zoveel mogelijk treden tegelijk naar boven te springen kwam hij in botsing met haar. Maar voordat je je ongerust gaat maken, Alice heeft hem nagekeken en opgelapt. Nancy heeft trouwens niets.’
Richard begreep dat Alice de voornaam van mevrouw Jenkins was maar waarom dat een geruststelling moest zijn begreep hij niet. Tenzij het gewoon was omdat Jenkins de schoolverpleegkundige was maar … zo had het niet aangevoeld. Het leek of er meer was maar hij wilde er niet naar vragen.
‘Maar gaat het wel, jongen?’
‘Jawel, mevr… ‘
‘Zeg, je hoeft niet steeds mevrouw tegen mij te zeggen hoor. Gasten in ons huis spreken ons aan bij onze voornamen.’
‘Maar misschien is hij dat niet gewend, lieverd.’
‘Ach, dat went dan wel. Maar kom binnen, Richard. En voel je thuis hier bij ons.’
Even zocht Richard met zijn ogen steun bij Drummond en toen hij zijn knipoog zag, voelde dat ook echt zo.
‘Mijn vrouw kan nogal overrompelend overkomen,’ zei hij nadat zijn echtgenote het huis was ingelopen, ‘maar ze heeft een hart van goud. En wat dat aanspreken betreft heeft ze helemaal gelijk. Onze kinderen en kleinkinderen mogen ons bij onze voornamen noemen maar doen dat lang niet altijd. Onze gasten wel en dus is het jou als onze gast ook toegestaan ons Edith en Max te noemen. Alleen op school noemen ze mij meneer Drummond. Ik neem aan dat jij het verschil tussen hier en school heel goed kunt maken.’
‘Ja, meneer, dat zal geen probleem zijn.’
‘En weet dat wij je niet steeds zullen corrigeren als je toch nog “mevrouw” en “meneer” zegt.’
Die laatste toevoeging vond Richard op de een of andere manier bevrijdend. Hij kon het niet fout doen dus. Vreemd dat gevoel maar … tegelijkertijd ook heel fijn.
Nadat Max zijn vrouw had gevraagd hoe laat ze zouden gaan eten en te horen had gekregen dat het nog een uurtje zou duren, leidde hij Richard naar zijn studeerkamer. Daar stond zijn computer en dat was het object waaraan zijn gast zich zou gaan wijden. Tenminste, als hij dacht dat er nog wat van te maken was. Het ding was oud maar net als de computers die hij op school gebruikte wel heel goed onderhouden. Het onderhoud aan al zijn apparatuur had hij altijd laten uitvoeren door Fred Quintana die een winkel had in de buurt van de school. Maar Fred had het te druk gehad en hem aangeraden om Richard eens te vragen. Volgens de beschrijving van Fred was Richard een genie. En nadat de jongen voor de Kerst de computers op zijn kantoor onder handen had genomen en door mevrouw Lopez verheven was tot Kerstengel, en de vorige week mevrouw Lopez opnieuw een wonder had laten zien door haar computer weer aan de praat te krijgen, had hij hem nu ook gevraagd iets te doen aan zijn computer thuis en te kijken of die met die van zijn vrouw verbonden kon worden in een thuisnetwerkje. ‘Kijk daar staat het fossiel!’ wees Max het apparaat aan. Heel zorgvuldig keek hij naar Richards gezicht om zijn reactie te peilen. Echt iets opmerken kon hij echter niet. Hij had verwacht een stukje teleurstelling of wanhoop te zien maar dat was absoluut niet van het jeugdige gezicht af te lezen geweest.
Toen Richard de oude computer vanuit de deuropening bekeek, wist hij bijna meteen om wat voor een apparaat het ging maar uit ervaring wist hij dat uiterlijk kon bedriegen. Soms waren die oudjes zodanig geboost dat ze net zo goed werkten als de nieuwste. Een inwendig onderzoek zou moeten aangeven of de wens van Drummond … nee van Max… toch wel even wennen … uitgevoerd zou kunnen worden. ‘Vindt u het goed dat ik het apparaat openmaak om het allemaal even goed te bekijken?’
‘Je gaat je gang maar, Richard, en als ik je moet helpen of zo dan hoor ik het graag van je.’
Richard liep in de richting van het bureau maar bleef halverwege staan. Het uitzicht over de oceaan door de glazen puin benam hem zowat de adem. ‘Wauw! Dat is mooi!’
‘Ja, hè! Het uitzicht hier is echt prachtig. Een van de redenen waarom we zijn gevallen voor dit huis. Het ligt op het hoogste punt van de rots.’
*