9 januari 2022

Familie? Familie! – 8 Rudolf

Donderdag 1 september 2011
Ulrich Schnauss – Shine (Remix Rob McVey)

Rudolf staart voor zich uit, terwijl Henriette Kaiser door de hotelsuite ijsbeert, zoals zij het grootste deel van de voorbije lange nacht heeft gedaan. Na het gesprek met de politie hebben ze even kunnen slapen. Sinds haar zoon vanmorgen in de suite is aangekomen, lijkt ze boos en is weer begonnen met ijsberen. Hij kijkt naar Alexander, die in een hoek van de kamer staat en belt.

Hij doet zijn best om iedereen geduldig te kalmeren, want hij weet, dat ijsberen in een hotelkamer en eetbuien de jongen zeker niet terugbrengen. Elke andere actie brengt de jongen misschien terug. Nu vertrouwt hij op zijn jarenlange ervaring in het bijstaan van mensen tijdens bijzondere gebeurtenissen. De uiteenlopende reacties op crisissituaties kent hij al te goed. Desondanks put Henriette’s reactie hem uit.

Rudolf heeft iets te drinken nodig. Het liefst wil hij de kamer uit en naar de bar van het hotel voor een snel glas wijn of whisky of cognac. Eerst zelf kalmer worden, wanneer hij zijn aanhoudende rol van effectief adviseur voor de bezorgde familie goed wil blijven spelen.

„De politie hier is waardeloos! Waarom hebben ze hem nog niet gevonden?“

De grijze dame spreekt de woorden snel en bijtend uit. Hij kijkt haar aan en Alexander gebaart haar om rustig te blijven. De zoon probeert zich te concentreren op zijn telefoongesprek. Rudolf besluit te bemiddelen.

„Henriette, ga alsjeblieft zitten.“
„Hoe kan ik rustig blijven zitten? Wolfgang kent de stad niet! Niemand weet wat voor soort mensen hier rondlopen!“

Henriette’s uitspraak ontlokt Alexander een strenge, afkeurende blik. De oudste zoon van Henriette probeert juist rond te bellen om er achter te komen of iemand de jonge Wolfgang heeft gezien.

„Alsjeblieft, laat je zoon zijn gesprek afmaken. Je bent alleen meer nerveuzer, sinds Alexander is gekomen om je te helpen.“

De pastoor heeft spijt van zijn opmerking, wanneer hij zich realiseert, wat Alexander’s wantrouwende blik naar hem en Henriette betekent.

„Waarom moet hij zo lang bellen? Wat als Charlotte probeert te bellen?“
„Als ik in gesprek ben, zal ze jou bellen, Henriette. Nu graag wat stiller, ik kan niet horen, wat hij zegt.“

Alexander moppert op boze toon, waardoor Henriette geërgerd naar haar zoon kijkt, totdat Alexander zich omdraait en de slaapkamer inloopt. Rudolf drukt zijn wijsvinger tegen zijn neusbrug en bidt in stilte voor geduld.

„Het beste voor jou is nu een kopje rooibosthee.“

Henriette draait zich naar hem om met een opgewonden gezichtsuitdrukking. Hij hoopt, dat dit de kans is om de overhand te krijgen en haar te kalmeren. Ze is een toegewijd lid van zijn kerk en een vrome dame, maar ze staat ook bekend om haar koppigheid in bepaalde zaken. Uiteindelijk gaat ze in een stoel zitten en geeft toe aan haar zorgen, verdriet en tranen.

„Hoe kan hij zoiets doen?“
„Henriette, hij is bang. Je hebt hem gisteravond gehoord. Hij is bang om te verliezen, wat jij en Max hem geven. Hij is bijna een jaar bij jullie en dat is waarschijnlijk de meeste stabiele periode voor hem in de laatste tijd.“

Hij heeft niets nieuws te zeggen om haar te kalmeren, daarom kiest hij ervoor zijn eerdere woorden van troost te herhalen in de hoop, dat ze het eindelijk zal begrijpen.

„We proberen ons best te doen met Wolfgang.“
„Jij en ik weten dat, maar hij nog niet.“
„Hij heeft ons niet laten uitpraten, Rudolf.“

Henriette wuift slap met haar hand naar Rudolf, terwijl ze huilt met snikkende uithalen. Alexander beseft als eerste, dat het een vraag is om de doos zakdoeken, die naast de pastoor op tafel staat.

„Hij kan een andere naam hebben gebruikt.“

Alexander praat onverstoorbaar verder, terwijl hij de kamer binnenloopt om afwezig de doos zakdoeken aan Henriette te geven, zich weer om te draaien en in de slaapkamer verdwijnt.

Rudolf staat op uit zijn stoel, komt dichter bij de huilende dame, die haar ogen en neus afveegt, en vouwt zijn handen in een poging om de woorden te vinden, die haar voor de rest van de ochtend kalmeren. Anders moet hij Alexander vragen om haar enige tijd uit zijn buurt te houden. Hij heeft minder geslapen dan Henriette, hoewel hij de rustige momenten heeft gebruikt om even zijn ogen te sluiten voor wat ontspanning. Rudolf beseft, dat zijn slaaptekort zijn vermogen aantast om hier goed te kunnen begeleiden. Hij merkt al, dat hij iets minder vriendelijk reageert, dan hij normaal doet. Wanneer hij denkt te horen, dat een badkamerkraan wordt opengedraaid, kijkt hij opzij naar de slaapkamer. Afleiding is welkom.

Alexander verschijnt iets later in deurpost met zijn telefoon in zijn hand. Het telefoongesprek is blijkbaar afgerond.

„Wat als hij verkeerde mensen tegenkomt en ze maken misbruik van hem of ze doen hem iets aan? Overal zijn criminelen.“
„Van dat soort gedachten word je niet rustiger, Henriette.“

Hij moet deze manier van denken tegenspreken, zolang er hoop is op goed nieuws.

„Alexander, heb je nog nieuws?“
„Nee, het spijt me. Mijn kennis in de nachtopvang zei, dat er gisteren geen jongens zijn blijven slapen, die op de beschrijving lijken.“
„Nachtopvang, Alexander? Ik hou er niet van, dat je betrokken bent bij dat soort … plaatsen.“
„Henriette, je zegt iets vreselijks.“

Hij weet, dat zijn kordate woorden te laat komen om een volgende discussie tussen de moeder met grijs haar en de zoon met zwart haar te voorkomen.

„Henriette, we hebben bij SansFrontière onder andere een collectebus voor deze nachtopvang staan, zodat ze daar wat meer geld hebben om extra dingen te kunnen doen, die anders niet te financieren zijn. Is het niet een beetje hypocriet van je om mijn goede doelen te bekritiseren, terwijl je in Wolfgang blijkbaar je persoonlijke goede doel hebt gevonden?“
„Dat is niet wat ik …“
„Henriette, het is precies, wat jij bedoelt! Je denkt, dat het niets voor mij is. Je denkt, dat elke vorm van opvang voor jongens, die nergens anders terecht kunnen, verkeerd is.“
„Hoe … kun je …?“

Rudolf ziet, dat Henriette ineenkrimpt, nu tot een huilbui is gereduceerd en besluit minder vriendelijk te blijven. Misschien brengt een kalme, strenge reactie het gewenste effect.

„Alsjeblieft, Alexander, het is nu niet het goede moment om hierover te discussiëren. Er is een jongen verdwenen, die moet worden gevonden.“
„Het spijt me, Rudolf.“
„Ik ben niet degene, bij wie je mag verontschuldigingen.“

Hij kijkt aandachtig hoe Alexander’s gezicht verandert. Het is geen boosheid, maar de zoon laat dezelfde trotse koppigheid zien als de moeder. Rudolf glimlacht vriendelijk en wacht tot de verontschuldigingen worden aangeboden aan de huilende Henriette. Alexander schudt met tegenzin uiteindelijk zijn hoofd.

„Het spijt me, Henriette, ik had niet verder moeten denken, dan wat je zei.“

Henriette snuit haar neus en weet drie woorden te zeggen.

„Dank je, Rudolf.“
„Mijn lieve Henriette, nu is het jouw beurt.“
„Excuses? Waarvoor? Ik heb toch niets verkeerds gezegd.“
„Je kritiek op je zoon. De jongens die hij steunt, zijn misschien vreemden voor jou, maar ze verdienen dezelfde mogelijkheden, die jij Wolfgang biedt.“

Rudolf is ontevreden, dat ze de excuses van Alexander negeert, net zoals hij de tevreden glimlach op Alexander’s gezicht niet kan waarderen. Gelukkig reageert de zoon beter op hem dan de moeder. Na een scherpe blik van hem verdwijnt de glimlach van Alexander’s gezicht.

„Henriette, met Wolfgang wil je toch uiteindelijk vrede in je eigen gezin brengen, of niet? Erkennen wie je zoon is en wat je zoon doet, is een volgende stap op die lange weg.“

Hij kan niet zien of zijn woorden resultaat hebben, want Henriette houdt haar huilende gezicht verborgen achter een paar zakdoeken. Haar trots vraagt veel geduld van iedereen om haar heen.

„Ik … Mijn verontschuldigingen voor mijn commentaar op wat je doet, Alexander. Ik ben het niet eens met wat de jongens doen met elkaar, maar ze verdienen een thuis.“

Rudolf is ongelukkig over haar ongemeende en gekwalificeerde verontschuldiging. Alexander schudt zijn hoofd en is duidelijk teleurgesteld. Ze kijken elkaar even aan. Beiden weten zeker, dat dit de enige excuses van Henriette zijn.

„Alexander, weet je een andere plek, waar hij naar toe kan zijn gegaan?“
„Nee, sorry. Mijn kennis van de nachtopvang zal iedereen vragen op te letten.“

Het valt hem op hoe Henriette bij het woord ‘nachtopvang’ siddert. Waar denkt ze aan?

„Hij moet wel veel verdriet hebben.“
„De politie heeft al bij de ziekenhuizen nagevraagd, Henriette.“
„Dan weet ik bijna zeker, dat hij teruggaat naar Lingen naar die … die jongen, waarmee ik hem betrapte.“

Rudolf is verrast door haar plotseling giftige toon. Alexander is niet onder de indruk en reageert beheerst.

„Oom Thomas belt, als hij bij hen langskomt. Het is maar een paar uur met de trein naar Lingen. Ken je de familie van de andere jongen? Heb je ze gebeld? Of zijn school? Rudolf?“
„We hebben de school als eerste gebeld en ze bellen ons, als hij zich daar laat zien. Ik heb een collega gevraagd om Peter’s ouders te laten weten, dat we Wolfgang zoeken.“
„Goed, dank je … Hoe kun je weten, dat ze ons op de hoogte houden? Die ouders staan immers wel toe, dat hun zoon omgaat met andere jonge jongens.“
„Henriette, stop hiermee.“

Alexander’s stem klinkt gevaarlijk kalm, wat zijn bezorgdheid oproept.

„Het is niet goed, Alexander!“
„Wat zij doen in hun gezin is niet jouw zaak. Je manier van denken helpt je niet om Wolfgang te vinden. Als mijn kennissen van de nachtopvang hem zien, zullen ze hem opvangen en mij bellen.“
„Waarom heeft Charlotte nog niet gebeld?“
„Denk je echt, dat hij naar Bohling’s gaat?“
„Misschien. Tenslotte vindt iedereen, die boos op mij is, meestal de weg naar Charlotte.“

Verbaasd observeert hij Alexander, die zich omdraait en met een woedend gezicht de slaapkamer inloopt om uit de buurt van Henriette te zijn. Hij besluit weer een bemiddelende opmerking te plaatsen. De volgende in een lange reeks.

„Als hij zich meldt bij je familie, Henriette, dan is het goed. Omdat hij dan gevonden wil worden.“
„Ik hou niet van wachten. Als mijn zoon zijn telefoon gisteravond niet had uitgeschakeld, hadden we hem misschien nu gevonden.“

Zwijgend kijkt hij naar Alexander, die vanuit de slaapkamerdeur zijn blik net zo stil beantwoordt.

„Henriette, alsjeblieft. We schakelen onze telefoons ’s avonds altijd uit. Met ons drukke leven moeten we wel, omdat we anders geen tijd meer voor elkaar hebben.“

De pastoor ziet Henriette misprijzend haar hoofd schudden. Hij vermoedt, dat ze zich fixeert op de lichamelijke kant van haar zoon’s relaties. Ondanks de officiële mening van de Kerk over dit type relatie, is het nu geen geschikt moment voor hem om één van beiden hierover te adviseren. Bovendien heeft hij gisteravond in het restaurant de indruk gekregen, dat Alexander en zijn vriend veel om elkaar geven. Gelukkig hoort hij Alexander rustig verder praten. De gevaarlijke kalmte van zojuist is vervangen door een ontspannen, haast laconieke toon in Alexander’s stem.

„Henriette, je bent moe en je maakt jezelf gek. Ik heb het bad voor je laten vollopen. Je kunt je ontspannen in het bad en daarna een tijdje gaan slapen. Wanneer hij veilig en gezond opduikt, dan kun je beter niet bezorgd en boos zijn.“
„Dat is een uitstekend idee.“

Hij probeert haar aan te moedigen. Wanneer Henriette rust, dan krijgt hij misschien ook de kans om wat te slapen.

„Een bad nemen is nu ongepast, Alexander.“
„Jezelf opwinden en boos blijven zal jou en Wolfgang niet helpen. Alsjeblieft, ga naar de badkamer en ontspan. Het zal je goed doen.“
„Alexander heeft gelijk, Henriette. Je bent vrijwel de hele nacht opgebleven en je hebt rust nodig.“
„Ik ben er zeker van dat Rudolf ook rust gebruiken kan.“

Alexander spreekt nu met nadruk, met een bijna dwingende overtuigingskracht in zijn stem. Hij waardeert het, dat Alexander aan hem denkt.

„Het staat me niet aan. Het klopt niet. Maar het is ook niet goed om water te verspillen.“

Hij en Alexander moeten onwillekeurig glimlachen, wanneer de klagende Henriette opstaat en langs hen naar de slaapkamer schuifelt.

„Ik wil het direct weten, als je iets hoort, Rudolf!“
„Zeker, Henriette.“

Hij glimlacht opgelucht. De deur naar de slaapkamer gaat dicht en hij laat een zucht van opluchting klinken. Ondertussen komt Alexander dichterbij en laat zich naast hem op de bank vallen om fluisterend verder te spreken.

„Besef je, dat het meerendeel van haar optreden alleen voor mij bestemd is?“
„Ze is een goede vrouw, Alexander.“

Hij hoopt dat zijn kalmerende woorden een begin van verandering in Alexander’s houding ten opzichte van zijn moeder brengen. Zijn gevoelens lijken net zo diep verankerd als de trots van de dame en haar meningen. Hij heeft Henriette al jaren geleden over haar zoon horen biechten, maar hij wil niet speculeren over haar gevoelens of intenties inzake haar familie.

„Rudolf, ik waardeer het, wat je probeert te doen. Het is gewoon haar manier van doen. Het is gekmakend, wanneer ze een toestand zoals vandaag misbruikt om aandacht of sympathie te krijgen.“
„Veroordeel haar niet, Alexander. Misschien heb ik vroeger een paar fouten gemaakt met mijn advies aan je ouders, maar bij Wolfgang zit hun hart op de goede plek. Ze willen, dat hij zijn familie ontmoet. Het is goed, wat ze doen. Het is triest om te zeggen, maar er zijn veel mensen in de wereld, die niet zover gaan als je ouders. De jongen verdient wat geluk in zijn leven en het is aan ons allemaal om hem dat te brengen. Zijn leven was heel zwaar, bijna zoals de beproevingen van Job, maar het is nu zijn beurt om iets goeds mee te maken.“
„Heeft Job een moeder als Henriette?“

Alexander vraagt het met een glimlach op ontspannen toon.

„Ze bedoelt het goed. Ze is een vrome vrouw, maar ze is net zo menselijk als ieder ander mens van God. Je wilt toch niet, dat ze perfect is? Perfectie is een te grote verwachting voor iedereen in je leven en het is onmogelijk voor haar of iemand anders perfect te zijn.“
„Perfect, nee. Beter, ja.“
„Dat is niet eerlijk van je, Alexander, vooral wanneer je je onvriendelijk gedraagt tegenover haar. Respect moet wederzijds zijn. God verwacht van ons, dat we ook de mensen liefhebben, waarvan we vinden, dat ze ons verkeerd behandelen. Je kan alleen vragen beter behandeld te worden door haar, als je zelf het goede voorbeeld geeft. Als ik het goed inschat, is je moeder degene geweest, die de eerste stap heeft gezet. Het is aan jou om te beslissen of jij de volgende stap neemt.“

Hij ziet hoe Alexander spijtig kijkt na zijn opmerking en besluit iets verder te gaan.

„Niemand heeft gezegd, dat het makkelijk is om te vergeven. De beste mensen kunnen het grootste onrecht vergeven. Het is wat God van ieder van ons verlangt. Voor zover ik het kan overzien heeft Henriette je onrecht aangedaan, maar niet zo groot als je denkt.“
„Ik vind het niet klein, wanneer je je eigen kind het huis uitjaagt.“
„Toch is het niet te laat om dingen te veranderen. Wolfgang heeft behoefte aan een familie, net als jij en je ouders. Wat zou het een mooi wonder zijn, wanneer deze ongelukkige jongen de sleutel is, die eindelijk vrede en geluk brengt in je familie. Als een onverwacht weeskind twee families kan verenigen, dan zou dat een nog groter wonder zijn, en het zou hoop te geven aan deze oude pastoor, die het grootste deel van zijn volwassen leven heeft besteed om anderen de wonderen van Gods liefde te laten zien.“
„Zo eenvoudig is het niet.“
„Maar het is eenvoudig. The Beatles zeiden het al in vijf woorden, All You Need Is Love.“

Hij glimlacht en zwijgt, Alexander doet hetzelfde. Hij denkt na over deze familie en Alexander denkt na, maar op een andere manier. Na een tijdje voelt hij zijn ogen en klopt op Alexander’s knie.

„Met jouw toestemming ga ik even slapen.“
„Ja, absoluut.“

Hij staat op, krijgt een idee en gaat weer zitten naast Alexander.

„Is er iets, Rudolf?“
„Nee, alles is goed. Ik zou je alleen iets willen vragen.“
„Natuurlijk.“
„Je vriend …“
„Robin?“
„Ja, Robin. Houden jullie van elkaar?“
„Onvoorwaardelijk, alletwee.“

Hij moet glimlachen bij het overtuigende en trotse antwoord, waar Alexander geen seconde over nadenkt.

„Goed, dank je.“
„Is dat alles wat je wilde vragen?“
„Ja, dat is alles, Alexander.“

Rudolf staat op, nadat hij even een stilte heeft laten vallen. Hij kijkt Alexander serieus aan.

„Robin is een mooie naam, denk ik.“

Alexander lacht en zwaait naar hem, terwijl hij de hotelkamer verlaat. Rudolf sluit de deur achter zich en voelt zich sterker na zijn gesprek met Alexander. Alexander en zijn vriend hebben het zeldzame vermogen om onvoorwaardelijk lief te hebben. Misschien, met de juiste dosis duwen en trekken, is het mogelijk om de vrede in het gezin van Henriette te herstellen. Maar eerst bidt hij voor Wolfgang’s snelle terugkeer.