29 november 2021

Een Bijzondere Kerst – 3

Tinie had het vlees opgewarmd in de oven. Het kon eigenlijk zo op tafel maar het afleveren van Henri bij zijn thuis duurde langer dan ze verwacht had. En of ze dan meteen zouden eten, wist ze ook nog niet. De kerstboom lag nog in haar auto en misschien moest die er eerst maar uitgehaald worden om door de mannen opgetuigd te worden. En dan na het eten moest ze praten met Jem. Haar zoon was bij zijn doop James genoemd maar zij had hem altijd Jamey genoemd. Iets waar haar man een vreselijke hekel aan had gehad. Hij vond het een koosnaampje en dat was het natuurlijk ook. Maar wat was er mis met een koosnaam? Volgens haar niets. Volgens hem wel. Om eindeloze discussies te vermijden had ze de naam Jamey gereserveerd voor de momenten dat haar man niet in de buurt was. Toen hij elf of zo was had haar zoon haar gezegd dat hij graag Jem genoemd wilde worden. Ze had het prima gevonden. Alles beter dan James. En het klonk inderdaad wat volwassener dan Jamey. Dat voorstel had hij ook gedaan aan zijn vader maar ze wist dat die dat nooit had geaccepteerd. Toen ze de auto op de oprit hoorde, liep ze naar de voordeur toe en keek verbaasd op toen er drie personen uit de auto stapten.

“Wijziging van plannen,” verkondigde Jem.

“Alweer?” vroeg ze.

“Ja. Jij begon tenslotte,” reageerde Jacob.

“Blijf je logeren, Henri?’ richtte ze zich tot de jongen die er wat stilletjes bij stond.

“Ja. Graag, mevrouw.”

“Noem me gewoon Tinie, als je wilt.”

“Ja. Mijn moeder is geen mevrouw,” meende Jem op te moeten merken.

“En mijn zoon is af en toe niet helemaal lekker in zijn bovenkamer,” plaagde ze Jem terwijl ze haar tong naar hem uitstak.

“Ma! Waar zijn je goede manieren! Wat moet Henri wel niet van je denken!”

Henri genoot alleen maar. Hij vond het prachtig om te zien hoe los en vrij Tinie en Jem met elkaar omgingen. Hoe ze elkaar plaagden. Hij genoot volop. Maar … voelde ook iets van pijn diep van binnen. Toen Jem zijn tong uitstak in antwoord op zijn moeder en zij hem bij het passeren stevig in zijn nekvel pakte kon Henri niet anders dan in de lach schieten.

“Ja, lach jij maar! Weet je wel hoe hard ze knijpt!”

“Eigen schuld,” was Henri’s koele reactie.

In de hal was er even overleg wat er het eerst gedaan moest worden. Jem was van mening dat ze niet eerder aan tafel konden voordat de kerstboom in de kamer stond en volledig versierd was. Voor hem was het geen kerstavond zonder kerstboom. Jacob en Tinie waren het daar helemaal mee eens. Er ontstond echter een probleem toen Henri zich ineens onwel begon te voelen en hij door zijn knieën zakte. Jem stond gelukkig vlak bij hem en voorkwam dat de jongen op de grond terecht kwam. Tinie nam de leiding. Zorgde ervoor dat de mannen Henri op de bank neerlegden en was meteen een en al zorgzaamheid.

“Gaat het Henri,” vroeg ze toen hij languit op de bank lag.

“Ja. Het gaat wel weer.” Maar toen hij overeind wilde komen duwde Tinie hem zachtjes terug.

“Even rustig blijven liggen lijkt me beter. Wat gebeurde er?”

“Ik voelde me ineens heel erg naar.”

“Je bent tegen Jacob opgebotst, heb ik begrepen. Ben je toen ook op de grond gevallen?”

“Ja.”

“Met je hoofd?”

“Nee, dat niet. Dacht je aan een hersenschudding?”

“Ja. Als je met je hoofd hard op de grond terecht was gekomen had dat gekund. Maar dit is iets anders dus. Wanneer heb je voor het laatst iets gegeten?”

Henri antwoordde dat hij tussen de middag iets had gegeten en daarna niet meer. “Alleen nog twee bekers chocolademelk met Jacob in een café,” voegde hij eraan toe.

“Oké. Denk dat dat het is. Ik maak snel even een paar boterhammen voor je want zoals je begrepen hebt moet die kerstboom er eerst echt komen.”

Henri glimlachte naar haar en bleef rustig liggen. Vanaf de bank bekeek hij hoe de boom werd binnengebracht door Jem en zijn oom. Hij luisterde naar het gesprek dat daarna ontstond.

“Wie heeft dat ding gekocht?”

“Ma.”

“Worden de naalden er tegenwoordig los bij verkocht zodat het een zelfbouwpakket moet voorstellen?”

Henri moest glimlachen en Jem schoot in de lach.

“Dit wordt niks, Jem! Zodra we een tak aanraken,” en Jacob voegde de daad bij het woord, “is het herfst en binnen de kortste keren zit er geen naald meer aan deze flutboom.”

“Mijn idee,” stelde Jem zijn oom in het gelijk.

Tinie kwam binnen en vroeg, toen ze haar broer en zoon de boom bedenkelijk zag bekijken, wat het probleem was.

De heren deden er, zo hoorde en zag Henri vanaf zijn ligplaats, nog een schepje bovenop en voerden een aardige act voor twee personen op. Hij vond het zo geestig dat hij langzaamaan begon te schuddebuiken van het lachen.

“Wat lach je nou, dude!” richtte Jem zich tot hun gast.

“Jullie zouden jezelf moeten horen!” sprak Henri tussen het lachen door. “Jullie kunnen zo het toneel op!”

“Maar wat nu?” wilde Tinie weten.

“Ik vier geen kerst zonder boom!” liet Jem zijn mening horen. “Jij?” richtte hij zich tot Henri.

“Ik bemoei me er niet mee,” probeerde hij zich terug te trekken.

“Dat is flauw. Jullie vieren thuis toch ook geen kerst zonder een boom? Jacob en ik hebben er wel twee gezien toen jij even wat spullen van boven haalde.”

Henri hield zich stil. Even voelde hij zich opnieuw naar. Het had niets te maken met dat rare gevoel in zijn hoofd van zo-even. Het was iets anders. “We hebben er twee. Ja. Eén voor mijn vader en één voor mijn moeder. Zij wilde dit jaar een boom met allemaal paarse versiering en hij wilde rood.”

Tinie begreep uit de manier waarop Henri sprak dat er sprake was van leed. Even twijfelde ze of ze moest reageren hierop maar ze deed het toch. “En jij? Wat voor een kerstboom wil jij?”

“Mij wordt nooit iets gevraagd.”

“Wat zou jij graag voor een kerstboom willen?” vroeg Tinie nog een keer.

“Een bonte. Een met gekleurde lichtjes. Allerlei ballen. Dingen die ik vroeger gemaakt heb op school maar die allang weggegooid zijn. Geen modeboom. Geen … gewoon een leuke boom.”

“Dan heb je geluk,” was het antwoord dat Jem gaf. “Bij ons thuis hebben we zo’n kermisboom gewoon omdat het gezellig is. Maar … deze kunnen we niet gebruiken daarvoor.”

“Oké,” nam Jacob het gesprek over, “dit is mijn voorstel. Jij hebt een vriend wiens vader kerstbomen kweekt toch?”

“Ja. Mathieu.”

“We doen het volgende. Zodra Henri zijn brood op heeft rijden we naar jullie huis. We rijden dan langs de vader van Mathieu om een boom te halen en vieren dan kerst bij jullie thuis. Dat is handiger dan weer terug rijden naar Maastricht.”

Jem vond het meteen goed maar zijn moeder had even nodig om erover na te denken en stemde na verloop van tijd toch in.

“Mee eens, Henri?”

“Ik … euh … ja.” Eerst had hij willen zeggen dat zijn mening er niet toe deed maar heel snel had hij zich hersteld. Er werd om zijn mening gevraagd en dat betekende dat de anderen die ook wilden horen. Het voelde goed.

Jem smeet de bijna naaldloze boom in de tuin van Jacob en zette de spullen van hem en zijn moeder, die nog niet uitgepakt waren, terug in hun auto. Ze spraken af dat Henri en Tinie rechtstreeks naar haar huis zouden rijden en dat Jacob en Jem langs de vader van Mathieu zouden gaan. Jem belde daarna eerst met Mathieu en regelde dat er een goede boom zou klaar staan en daarna gingen ze op weg.

Anderhalf uur later was de boom opgetuigd en zaten ze met z’n vieren aan tafel. Vanuit haar eigen keukenvoorraad, want er was voor het vlees gerekend op twee personen en nu waren er ineens vier eters, had Tinie ervoor gezorgd dat er een goede maaltijd op tafel kwam te staan. Henri had haar geholpen met het bereiden van het een en ander en ze had gemerkt dat ze aan hem een goede hulp had. De jongen had genoten van de taken die ze hem had toebedeeld. Voor het eerst in zijn leven had hij het idee dat hij er toe deed. Dat hij voor vol werd aangezien. Thuis werd hem altijd alles uit de handen genomen. Zelf koken deed zijn moeder nooit. Als hij alleen thuis was, probeerde hij wel dingen uit maar dan was hij alleen en ja, dan deed hij niet echt veel moeite om er iets van te maken. Maar nu, nu was het anders. Hij kookte voor anderen en deed zijn uiterste best.

Aan tafel was het gezellig, vond Henri, en er werd over van alles en nog wat gepraat. Tinie kreeg op een gegeven moment van haar broer de vraag waarom zij haar plannen had gewijzigd en nadat zij even een blik had gewisseld met haar zoon, zo merkte Henri op, kwam het antwoord. Deze mensen waren bijzonder. Een familieaangelegenheid bespraken ze zo waar een vreemde bij was. Maar … hij begreep het ook wel. Dit was iets dat besproken moest worden en waar je eigenlijk niet moeilijk over moest doen. Het had Jem hoog gezeten en hij begreep uit het verdere relaas dat er nog meer aan de hand was en dat moeder en zoon nog meer moesten bepraten en dat dat nog vanavond zou gebeuren. Toen hij even naar Jem keek, zag hij dat het gezicht van de jongen betrok. Dat vond hij rot. Het was juist zo gezellig geweest en nu ineens leek de sfeer iets te betrekken. Maar even later leek de lucht ook weer geklaard te zijn en was het weer vrolijkheid troef.

Na het eten liet Jem het huis aan Henri zien terwijl zijn moeder en oom naar de keuken gingen voor de afwas.

“Moeten wij niet helpen?” vroeg Henri.

“Ja. Maar eerst laat ik je het huis zien. Dan weet je waar je vannacht moet zijn als je naar de wc moet,” grapte hij.

“Lolbroek!”

“Ja, ik ben me er eentje.”

“Vond je het rot toen je je vader zag daar met die vrouw?”

“Ja. Heel erg rot. Ik wist meteen dat hij mijn moeder ook zo behandeld moest hebben.”

“Ja. Kan me voorstellen dat dat rot voelt.”

“Kijk hier is de wc. Beneden is er ook een maar ’s nachts gebruik ik die in de badkamer altijd. Stuk gemakkelijker.”

Henri kon dat volledig begrijpen.

“Hier is de logeerkamer waar jij slaapt. Wel een klein kamertje maar … nou ja grotere hebben we niet.”

“Euh … kan ik niet bij jou slapen?”

“Waarom?”

“Lijkt me gezelliger. Zoiets heb ik nog nooit gedaan.”

“Heb je nog nooit bij iemand gelogeerd?”

“Ja, dat wel maar dan altijd, zoals ook jij nu voorstelt, op de logeerkamer. Het lijkt me veel leuker om bij jou op de kamer te slapen. Tenminste …als dat kan. Als je er de ruimte voor hebt, bedoel ik.”

“Dat wel. Maar ik slaap wel met het raam open hoor!”

“Geen probleem voor mij. Doe ik zelf ook.”

“Ja, veel frisser toch?”

“Helemaal mee eens. Dus … laat maar eens zien die kamer van je. En … als jij het wilt natuurlijk?”

“Mijn kamer laten zien?”

Henri moest lachen. “Dat en dat ik bij jou op de kamer slaap, bedoelde ik eigenlijk.”

“Oh. Ja. Natuurlijk,” reageerde Jem enigszins van zijn stuk gebracht. “En dit is dan mijn kamer,” kondigde hij aan terwijl hij de deur opende en Henri voorging naar binnen. “Wel een beetje een rommeltje nog maar dat ruim ik nog wel op.”

“Nee, joh, ben je gek! Gewoon zo laten! Geeft een sfeer van huiselijkheid.”

“Kijk! Dat is nou precies wat ik bedoel! We begrijpen elkaar aardig, dude!”

Henri glimlachte.

“En hier zetten we dan straks het logeerbed neer voor jou.”

“Alleen het matras op de grond is goed genoeg hoor.”

“Echt niet! Slapen doe je in een bed en niet op de grond. Snel genoeg geregeld. Meteen maar even doen?”

Henri vond het prima. Jem bleek iemand die van aanpakken en afwerken hield en toen ze de klus geklaard hadden, ging hij op gelijke wijze verder door te zeggen: “Kom, en nu is het afwassen geblazen.”

Toen ze zich voor hun diensten meldden besliste Jacob dat het anders zou gaan. Hij was van mening dat Tinie en Jem nu beter eerst samen hun vervolggesprek konden hebben en dat Henri en hij de afwas zouden afmaken. Tinie en Jem sputterden beiden tegen. Elk vanuit een ander oogpunt. Tinie omdat ze het niet leuk vond het werk aan anderen over te laten en Jem omdat hij het gesprek het liefst zo lang mogelijk wilde uitstellen. Jacob was echter duidelijk. “Wegwezen jullie!”