Hij was er zelf achtergekomen. Nu was het helemaal op z’n plaats om de waarheid te vertellen en er niet omheen te draaien. ‘Ja. Ze hebben met haar gesproken. Zij heeft deze inform… ‘
‘Ik wil niet dat je haar een naam geeft, Rich! Dat hebben we nooit gedaan. Jij en ik hebben dat nooit gedaan en ik wil het nu ook niet! Hoor je me!’ Klonk het fel en woest.
Als eerste zag Richard de flikkering in de ogen van Stan. Maar ook zijn woorden en de rest van zijn volop gespannen lijf gaven heel duidelijk aan dat de rust van zo-even nu volledig verdwenen was. En dat door het noemen van haar naam. Zijn eerdere stellingname dat er met Stan beter niet over hun thuis gepraat kon worden, was helemaal juist geweest. ‘Stan, probeer weer rustig te worden. Ga alsjeblieft weer liggen.’
‘NEE! Ik wil het niet! Ze hebben met haar gepraat en dat wil ik niet. Jullie geven haar een naam en dat wil ik niet! Ze moet geen naam hebben, Rich!’
Richard was ook rechtop gaan zitten en deed een poging de hand van Stan te pakken. Het mislukte want Stan trok zijn hand snel achteruit. ‘Stan, alsjeblieft, probeer weer rustig te worden.’ Het was tevergeefs. Stan liet zich niet rustig praten. Hij stapte van het bed af en ijsbeerde wild door de kamer heen en weer. ‘Ze heeft ons eerder geholpen, Stan. Ze heeft ervoor gezorgd dat jij weg kon gaan zonder dat hij je terug zou kunnen halen. Het was voor het onderzoek nodig om over gegevens te beschikken, Stan, en zij … zij werkte mee. Anders waren we nooit achter de waarheid gekomen, Stan!’
‘Ik wil het niet! Ze moet geen naam hebben!’ Stan stopte bij de muur en bonkte er met zijn vuisten keihard tegenaan.
Meteen sprong Richard uit het bed. Hij probeerde Stan bij de muur weg te krijgen opdat hij zich niet langer zelf zou bezeren maar het lukte niet. Stan sloeg hem van zich af. Richard wist dat hij iets anders moest verzinnen. Hij had geleerd, eerst van Beatrice en later van anderen, hoe hij een veel groter iemand kon overrompelen. Hij wierp zich op Stans benen en wist hem omver te trekken. Worstelend rolden ze over de grond. Stan sloeg naar hem. Miste. Richards lijf protesteerde. Zijn ribben deden pijn. Hij had ook geleerd dat je soms aan de noodrem moest trekken. Hulp moest inroepen en dit was zo’n moment. ‘HELP!’ schreeuwde hij keihard om het vervolgens nog een paar keer te herhalen. Voetstappen op de gang, de deur ging open en Max en Edith kwamen naar binnen.
‘Stop, Stan!’ klonk het onverbiddelijk uit de mond van Edith. ‘Niet doen! Wat ook de aanleiding is, doe het niet! Houd er onmiddellijk mee op!’
Stan hoorde de woorden van Edith en liet Richard meteen los.
Richard liet zijn blik razendsnel van de kamerdeur naar de deur van de badkamer gaan en de Drummonds begrepen meteen wat hij bedoelde. Edith deed de deur van de slaapkamer dicht en ging ervoor staan en Max posteerde zich voor de andere deur. Gelukkig waren woorden bij die twee niet nodig. Ze hadden meteen begrepen wat hij bedoelde. Stan mocht niet de gelegenheid krijgen om zich nu af te sluiten. ‘Stan,’ probeerde Richard maar er kwam geen reactie nog.
Helemaal stil zat hij daar met opgetrokken knieën, waar hij zijn armen omheen geslagen had, op de grond. Edith had gelijk. Dit mocht niet. Hij had Richard nooit mogen slaan. Dat had hij nog nooit gedaan. Tranen kwamen uit zijn ogen. Het deed pijn. Hij had iets gedaan dat hij nooit had mogen doen. Nog nooit had gedaan. Ja, plagen, stoeien, dat was goed maar slaan … dat deed alleen hij. En nu … nu was hij niets beter dan hij …
‘Stan, het is goed.’
‘Nee, dat is het niet. Ik mag jou niet slaan, Rich. Ik wil niet zijn zoals hij.’
‘Dat ben je niet Stan. Dat zul je ook nooit zijn.’
‘Maar ik heb jou geslagen, ik wilde je pijn doen!’
‘Ik weet het. Maar ik weet ook de reden daarvoor.’ Heel even keek hij van Stan weg naar Max en Edith terwijl hij met de vingers van zijn hand het teken maakte dat ze dichterbij konden komen. ‘Het gaat over die naam. Waarom wil je niet dat ik, wij, die naam hebben gebruikt, Stan? Kun je mij dat uitleggen?’
Hij wist precies waarom hij de controle had verloren. ‘Ze mag geen naam hebben, Rich. Ik wil nooit meer aan haar aan hem herinnerd worden.’
‘Ze heeft voor mij en voor jou gezorgd toen we klein waren, Stan,’ deed Richard een poging om Stan te laten inzien dat er meer kanten aan Mary zaten. Iets dat hijzelf ook had geleerd die avond. Maar het was een brug, of meerdere bruggen, te ver.
‘Huh!’ klonk het schamper. ‘Ze deed niets voor ons, Rich! Nooit! Jij hebt altijd voor mij gezorgd!’
‘Maar ik was er niet altijd, Stan. Zeker niet toen jij klein was.’
‘Een luier omdoen kan iedereen! Bij haar wilde ik niet eten! Nooit!’
Richard verbaasde zich enorm over die herinnering.
Edith merkte op dat het koud was in de slaapkamer van de jongens. Ze wist dat ze hielden van frisse lucht, deed ze zelf ook, maar zo in boxer en T-shirt zittend op de grond vond ze te koud. Ze haalde het dekbed van Stans bed en drapeerde dat voorzichtig over zijn schouders. Ook bij Richard deed ze dat.
‘Dat is zorgen!’ merkte Stan scherp op. ‘Edith zorgt voor ons.’
‘Je bent lief, Stan. Vreselijk lief.’
‘Het spijt me zo verschrikkelijk, Rich, ik had het nooit mogen doen,’ snikkend sloeg hij zijn armen om Richard heen.
‘Het is goed, Stan.’
‘Nee, dat is het niet. Ik ha… ‘
Max greep in en ging op z’n knieën op de grond naast de grootste van de twee zitten en legde zijn hand op diens schouder. ‘Stan, soms doen we allemaal wel eens dingen die anders hadden gekund.’
‘Zie je wel, dat het niet goed is,’ begon Stan opnieuw.
‘Nee, de woorden “niet goed” heb ik niet gebruikt, Stan,’ maakte Max duidelijk. ‘Kijk me eens aan, als je wilt?’
Stan draaide zijn hoofd weg van Richard en keek naar Max. De ogen van Max stonden zoals altijd heel vriendelijk. Het zorgde ervoor dat hij zich wat rustiger begon te voelen. Hij zag een glimlach op Max’ gezicht komen. Hij voelde tranen uit zijn ogen rollen. Hij draaide zijn hoofd in de richting van Edith. Bij haar zag hij tranen en een glimlach.
‘Dank je, Stan.’
‘Het spijt me echt, heel erg!’
‘Dat is goed, Stan, maar het overkomt ons allemaal wel eens dat we ineens iets anders doen dan we normaal doen. Het kan zijn dat er in ons ineens iets lijkt te ontploffen. Was dat bij jou ook zo?’
Hij knikte.
‘Weet je nog wat het was?’
‘Rich noemde … noemde … haar naam.’
‘Oké. Het is voor ons allemaal heel erg gemakkelijk om dat niet te doen. Vanaf het begin dat jullie hier waren hebben we hen altijd zonder naam, zonder de woorden huhhuh en huhhuh, begrijp je wat ik bedoel, Stan?’ Max zag een knikje en ging verder: ‘Zonder naam, zonder titel genoemd. We zeiden steeds hen, hij en zij. En dat blijven we doen als het voor jou beter is. Is het voor jou beter zo, Stan?’
‘Ja,’ klonk het benepen en snifferig. ‘Ik denk het wel. Maar het liefst praat ik helemaal niet over hen. En zeker wil ik hun namen niet horen!’
‘Dan spreken we dat af, Stan. Hier met z’n vieren spreken we dat af en ik zal ervoor zorgen dat anderen dat ook te weten komen, Stan, daar kun je op vertrouwen. Vertrouw je mij?’
‘Ja.’
‘Dank je, Stan.’
‘Mag ik nog iets zeggen?’
‘Hé, dude,’ liet Richard zich voor het eerst weer horen, ‘natuurlijk mag je dat!’
Stan dacht na. Hoe kon hij dit het beste zeggen. Het maakte niet uit, zo besloot hij, als het er maar uit kwam. ‘Ze heeft me één keer echt geholpen.’ Meteen daarna viel hij weer stil.
De drie anderen in de slaapkamer keken elkaar even aan. Moesten ze wachten tot Stan verder ging? Kwam er niets meer?
Max nam het initiatief maar wel zodanig dat hij de bal bij Stan liet liggen. ‘Wil je ons erover vertellen, Stan? Het hoeft niet, het mag wel.’
‘Die laatste avond. Hij was met mij begonnen te vechten. Eerst was hij alleen maar bezig met woorden. Plagen. Treiteren. Proberen dat ik iets terug zou zeggen. Deed ik niet. Hij zei vervelende dingen over jou, Rich. Maar ik zei niets terug. Toen begon hij te slaan en te vechten. En … eerst deed ik niets terug.’
Richard zag hoe Stan huiverde. De herinnering deed hem pijn, zo was hem duidelijk. Hij legde een hand op zijn schouder en zag dat Edith hetzelfde deed.
‘Toen begon ik wel terug te slaan. Ik moest wel. Hij deed me pijn … maar … toen wist ik niet meer wat ik deed. Ik wilde … ‘ tranen kwamen.
Edith had heel graag willen ingrijpen. Heel graag die grote, sterke jongen willen omhelzen om hem te troosten maar ze wist maar al te goed dat het verkeerd zou zijn. Jarenlange ervaring weerhield haar ervan om een zo belangrijk verhaal te onderbreken.
Ook Richard wilde troost bieden maar de hand van Max om zijn bovenarm weerhield hem daarvan. De blik in de ogen van Max was duidelijk. Niets doen. Niet nu.
‘Wat voelde je, Stan?’ vroeg Max bijna op fluistertoon.
‘Boos. Ik was boos. Heel erg boos. Ik … ik wilde hem doodslaan! Ik had hem doodgemaakt als … als … zij mij niet had weggetrokken van hem. Dat heeft zij wel goed gedaan want anders … anders was ik nooit gelukkig geworden!’
* * *
Vrijdag 11 juni
‘En dat is zo’n beetje de conclusie van ons team,’ zo besloot de jeugdpsycholoog Mark Jenkins nadat hij een lange uiteenzetting had gegeven over hun bevindingen met betrekking tot Stan. ‘Wat vind jij ervan, Stan?’
‘Ik weet het niet,’ zei Stan.
‘Had je zoiets verwacht?’
‘Nee.’
‘Oh. Helemaal niet?’
‘Nee.’
‘Waarom niet, als ik vragen mag?’
‘Omdat ik mezelf niet anders ken dan dat ik ben.’
Max moest glimlachen. Een heel logisch antwoord en voor Stan moesten antwoorden logisch zijn.
‘Oh. Maar … jullie dan?’ richtte hij zich tot Richard, Edith en Max.
‘Dat wat je beschreven hebt, dat herken ik heel goed,’ reageerde Richard. Hij voelde zich als eerste aangesproken omdat hij en Stan bij elkaar hoorden. Ook als ze halfbroers geweest zouden zijn, zou dat zo gevoeld hebben voor hem. ‘En wat Stan zegt is helemaal waar. Hij is altijd zo geweest.’
Max liet het nog eens op zich inwerken. De conclusie was PDD-NOS. Een afkorting voor de Engelse term Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven. Het behoorde tot de Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) wat een stoornis was in de informatieverwerking in de hersenen. Mensen die zoiets hadden, en dat had hij ook wel in Stan herkend, hadden vaak problemen met sociale interactie en verbeelding. Ze waren erg in zichzelf gekeerd of maakten geen of heel moeilijk oogcontact met anderen. Het inleven in andere mensen was voor hen heel erg moeilijk. Het herkennen van gezichtsuitdrukking of lichaamstaal vonden ze heel erg moeilijk. De taakontwikkeling kon vertraagd zijn en ze namen figuurlijke uitdrukking vaak letterlijk. Verder gingen ze vaak helemaal op in iets dat hun interesse heeft, zodanig dat er nergens anders meer aandacht voor was.
‘Maar wat moet ik hier nou mee?’ vroeg Stan.
‘Het weten dat jij zo bent als ik omschreven heb, kan al een geruststelling zijn,’ zo formuleerde Mark. ‘Je zei het net al heel erg mooi eigenlijk, zo ben ik altijd geweest. Een keiharde waarheid. Je bent zoals je bent. En anders hoef je ook niet te zijn. Het is vooral belangrijk voor anderen om te weten.’
‘Dat snap ik niet!’
‘Jij kunt jezelf niet anders maken dan je bent, Stan. Anderen kunnen wel rekening met jou houden. Als jij anderen vertelt dat jij PDD-NOS hebt, dan kunnen zij daar rekening mee houden.’
‘Oh.’
‘Bedoel je,’ zo probeerde Richard meer duidelijkheid voor Stan te krijgen, ‘dat anderen zich dan iets aan moeten passen aan Stan?’
‘Ja, dat bedoel ik. Stan, jij kunt je moeilijk aanpassen aan anderen. Je snapt soms niet wat anderen van je willen. Begrijp je me?’
‘Ja. Dat is lastig. Ik vind het vaak onduidelijk. En dan … nou ja … dan doe ik soms maar wat en dat pakt wel eens verkeerd uit. Hier vinden ze dat niet erg maar op school wel. Toen … ‘
De psycholoog zag dat Stan het moeilijk had en daarom onderbrak hij zijn gedachtegang. ‘Maar op school wisten ze niet dat jij PDD-NOS had. Als ze dat wel hadden geweten, dan wisten ze dat ze dingen voor jou heel erg duidelijk moeten uitleggen. Het moet voor jou heel goed uitgelegd worden zodat jij precies weet wat jij moet doen. Ben ik zo duidelijk genoeg, Stan, want anders moet je het gewoon zeggen en dan probeer ik het nog beter uit te leggen.’
‘Ja.’
‘Heb jij nog vragen, Stan? Of jullie?’
Richard had nog wel iets. Hij wilde graag weten of er een oorzaak was. Jenkins gaf aan dat er diverse oorzaken konden zijn. Zo werden in de theorieën op dit gebied onder andere genoemd erfelijkheid en problemen bij de moeder tijdens de zwangerschap. Heel even keek Richard naar Max. Zou dat … zou dat het veroorzaakt kunnen hebben. Een nieuwe vraag die later beantwoord zou moeten worden, zo hoopte hij.
‘Stan, je mag,’ zo sloot Mark Jenkins de bespreking af, ‘altijd contact met mij opnemen als je iets wilt vragen. Dat mag je zelf doen maar je mag ook vragen of een van de anderen dat voor jou wil doen. Maak daar gebruik van. Als je ergens een probleem mee hebt, houd het niet in jouw hoofd alleen. Praat erover. Vaak heel belangrijk.’
‘Ja, dat is het,’ zo erkende Stan. Een week geleden was het helemaal uit de hand gelopen. Had hij Richard geslagen terwijl hij dat eigenlijk helemaal niet wilde. Gelukkig was alles goed gekomen en hadden hij en Richard daarna nog heel lang met Edith en Max gepraat in de keuken. ‘Praten. Vanuit mezelf, kan ik dat ook leren?’
‘Dat is best lastig, Stan. Jij hebt grenzen. Je kunt niet alles wat anderen kunnen. Maar weet dat je daardoor niet minder of slechter dan anderen bent. Je bent zoals je bent, Stan.’
‘En leren? Kan ik dat?’
‘Dat kun je heel erg goed. Maar alleen als degene die jou iets wil leren er rekening mee houdt dat jij PDD-NOS hebt. Gelukkig hebben wij al heel veel leraren scholing daarin gegeven. Belangrijk is dus dat als jij iets wilt gaan leren je leraar weet dat jij PDD-NOS hebt.’
* * *
Zaterdag 12 juni, Victoria, British Columbia, Canada
‘Weet je zeker dat die gasten te vertrouwen zijn? Dat ze dat wat jij wilt ook zo zullen doen?’
‘Nu nog niet helemaal, jongen, maar daarvoor moet ik ze eerst in de ogen kunnen kijken. Het telefoongesprek dat ik had met mr. Drummond gaf me vertrouwen en daarom heb ik die afspraak gemaakt,’ gaf Steve Johnston zijn mening.
‘Maar … als je… ‘
‘Als ik twijfel, Joe, dan drink ik een kop koffie met hen bij Starbucks maar meer ook niet. Je weet wat ik wil.’
‘En je kunt mij altijd bellen hè, als je het niet vertrouwt.’
‘Ik weet het, Joe. Je bent in de buurt en blijft wachten als ik besluit om echt met hen te gaan praten. Jij rijdt ons dan naar de “Taxi Rank”.’ Snel stapte Steve uit voordat Joe nog meer tegenwerpingen zou kunnen maken. Joe was een prima vent maar iets te bezorgd om hem soms. Hij kon zich nog steeds prima redden. Hij liep de hal in en keek even rond. Hij zag Starbucks al en liep er in een rechte lijn naar toe. Natuurlijk lukte dat niet helemaal. Overal waren mensen en het gebeurde hem regelmatig dat hij naar rechts of links moest uitwijken om andere mensen te ontwijken. Anderen die net als hij waarschijnlijk een doel voor ogen hadden maar daarbij, en dat was het verschil, geen oog hadden voor de rest van de wereld om hen heen. Hij zag het tweetal staan en dook even een kiosk in. Hij pakte een krant, sloeg deze open en nam de tijd om langs de krant heen de oude man en de jongen naast hem te bekijken. De oude man moest zo van zijn eigen leeftijd zijn en dus zou hij hem eigenlijk niet oud moeten noemen. Als de piepkuikens het waagden hem oud te noemen dan konden ze een beuk krijgen. De man droeg een koffertje in zijn hand en de jongen had een rugzak op zijn rug. Ze keken om zich heen. Waarschijnlijk op zoek naar hem. Niet wetend trouwens hoe hij eruit zou zien. Alles bewust door hem georkestreerd om te voorkomen dat hij er niet uit zou kunnen stappen, als hij dat wilde. Hij vond het tijd om zich bekend te maken, betaalde de krant en liep weer de hal in. Recht liep hij op hen af. ‘Mr. Drummond?’ probeerde hij en stak zijn hand uit naar de oudste van de twee.
‘Mr. Johnston?’ Max nam de hand aan en drukte deze stevig. ‘En dit is Richard,’ zo stelde hij zijn metgezel voor.
‘Ben jij de kleuter die ik destijds naar Metchosin reed?’
‘Nee. Dat was Stan.’
‘Ah … ja … nu weet ik het weer. Zij noemde hem Stanley of heb ik dat fout.’
‘Zijn officiële naam is Stanley maar ik heb hem altijd Stan genoemd.’
‘Dan maar zo laten,’ zei Steve met een knipoog. Hij had tijd genoeg gehad om hen beiden recht in de ogen te kijken en was tevreden. ‘Vinden jullie het goed om mee te gaan naar de “Taxi Rank” het is daar rustiger dan hier bij Starbucks. Een betere gelegenheid om vertrouwelijk met elkaar te praten.’
Richard keek Max aan. Zag hij even een aarzeling? Ja. Dat moest het geweest zijn. Want Max kwam met een tegenvraag.
‘Waarom niet hier?’
‘Starbucks is mij eigenlijk te druk. En … nou ja … eerlijk gezegd wilde ik weten wat voor vis ik in de kuip had. Ik wilde jullie in de ogen kunnen kijken. En mijn bevindingen zijn positief en dus wil ik graag mijn verhaal kwijt maar dat liever dan niet hier. Hier luistert iedereen mee en dat wat ik wil vertellen kan dat niet hebben. Dus … sorry dat ik zo zeg … graag of niet.’
‘Dan graag,’ reageerde Max zonder verdere aarzeling. Hij wilde antwoorden hebben. Ze waren tenslotte niet voor niets met Toby naar Victoria gevlogen. Ze volgden Steve die er flink de pas in had. Johnston was van zijn leeftijd, zo schatte hij in, en net als hij nog zeer goed ter been. Nog geen last van ouderdomskwaaltjes. Buiten de aankomst- en vertrekhal stond een hele rij taxi’s te wachten. Johnston liep naar een taxi toe, opende voor hen de achterportier en vroeg hen vriendelijk om in te stappen.
Richard was bang dat ze een regel aan het overtreden waren en vroeg aan de chauffeur: ‘Is het niet gebruikelijk dat je de eerste in de rij taxi’s neemt?’
‘Als jullie gewone klanten waren geweest wel. Maar dit is een speciaal ritje, dus relax.’
‘Oké, ik vind het goed. Hoelang duurt het voor we op de plaats van bestemming zijn?’ Het antwoord was vijftien tot dertig minuten, afhankelijk van de drukte in het centrum.
Toen Steve naast Joe ingestapt was verliet deze meteen de rij. Richard zag dat de taxi’s achter hen een plaats opschoven. Zo werkte het. Richard keek om zich heen. Hij kende de stad goed. Met Elementary School was hij er één keer geweest om een museum te bezoeken en later op High School was hij er een paar keer geweest. Ook met Stan was hij diverse keren naar Victoria geweest voor inkopen. Meestal kleren. In Metchosin had je alleen een supermarkt en een drogist. Meer niet. Het bankfiliaal was opgedoekt een paar jaar terug. De tijd vloog terwijl hij zo in gedachten naar buiten aan het kijken was en voordat hij het wist, stopte de taxi langs de kant van de weg. Max opende de deur en stapte naar buiten en hij volgde hem. Ze stonden vlak bij de “Taxi Rank”. Steve ging hen voor naar binnen, riep wat naar de man achter de bar en daarna liep hij verder. Ze zouden dus niet in het café zelf gaan zitten, zo concludeerde hij.
‘Kijk, dit is een mooi plekje voor ons drieën,’ zei Johnston nadat hij een deur in de lange gang had geopend.’ Al komt straks koffie of thee brengen, net wat jullie willen.’
Max liep langs Steve en ging op een stoel bij een tafeltje zitten. Richard zette zijn rugzak op de grond en nam naast hem plaats.
‘Onwennig, nietwaar?’
‘Ja. Helemaal mee eens,’ was de mening van Max. Hij had het gevoel dat hij niet helemaal grip op deze man had en dat beviel hem eigenlijk niet. Ditmaal stond niet hij aan het stuurwiel maar Johnston en dat vond hij niet prettig. Even was er afleiding toen Al binnenkwam. Hij vroeg wat er gedronken wenste te worden en met de bestelling voor drie koffie verdween hij weer.
‘Hoe zit het,’ begon Richard. ‘Je vroeg of ik de kleuter was die jij naar Metchosin hebt gereden maar voor zover wij weten is de chauffeur van destijds overleden.’
‘Volgens de registratie was het John. De vrouw van John was al lange tijd ernstig ziek. De oudere chauffeurs hadden onderling de afspraak gemaakt dat we een aantal ritten per dag op naam van John zouden zetten. Kon toen nog allemaal makkelijk omdat het niet allemaal elektronisch ging. Zo had Johan toch een goed inkomen en kon hij bij zijn vrouw blijven om haar bij te staan en te verzorgen en wij konden het wel missen. Een stukje zorg voor elkaar. Daarom stond de rit op naam van John maar … ik reed hem. En ik bracht haar en de kleuter naar Metchosin.’
‘En je weet wie zij is?’
‘Ja. Maar vooraf wil ik de garantie dat jullie het niet aan de grote klok gaan hangen. Zij is belangrijk … nou ja … haar man, beter gezegd, en ik wil absoluut niet dat er iets uitlekt naar de pers of zo want dat zou hen beiden kunnen beschadigen. Vandaar dat ik vraag om vertrouwelijkheid en ik ook niet wilde praten met zo’n onderzoeksbureau. Die lui … die vertrouw ik niet.’
‘Het gaat ons erom,’ opende Max, ‘om de achtergrond van Stan te achterhalen. Hij woont op dit moment bij mij en mijn vrouw samen met Richard. Stan weet niet wie zijn ouders zijn en dat willen we proberen te achterhalen. Het is nooit ons doel om anderen te beschadigen.’
‘En jij? Jij bent jonger, jij denkt er anders over?’
‘Nee. We hanteren één lijn. Voor ons is de waarheid over de herkomst van Stan het enige dat we willen weten. We zullen haar, als we haar te spreken krijgen, nooit onder druk zetten of dreigen met bekendmaking in de pers of wat dan ook. Als ze mee wil werken is dat prima, wil ze het niet, dan leggen we ons daarbij neer.’
‘Dat vind ik mooi. Dan doe ik jullie mijn verhaal.’
* * *
Zaterdag 3 juli, Hawaï,U.S.A.
Enigszins verfomfaaid kwamen Jocelyn en Max aan op Hawaï. Een lange vlucht van Monterey via San Francisco had hen uiteindelijk op Daniel K. Inouye International Airport, ook bekend als Honolulu International Airport doen belanden. Meteen bij de gate werden ze ontvangen met de traditionele Lei Groet en werd hen een bloemenkrans met prachtige bloemen omgehangen. Daarna liepen ze verder om hun bagage op te halen.
‘Dit land is gewoon veel te groot,’ verzuchtte Jocelyn, ‘als je ergens heen wilt, moet je uren reizen,’ en onderwijl plukte ze haar koffer van de band. ‘Dat is die van jou, Max!’ En nog voordat Max een hand kon uitstrekken naar zijn kleine koffer had zij die al voor hem te pakken. ‘Sorry, soms ben ik te snel.’
‘Geeft niets. Heel handig een hulpje voor zo’n oude man als ik.’
‘Jij en oud … die twee woorden passen niet bij elkaar.’
‘Maar soms … voel ik het toch wel dat ik wat ouder begin te worden hoor.’
‘Logisch. Je bent zeventig. Zou tijd worden ook.’ Samen liepen ze verder. ‘Weet je hoe Johan Hartman eruit ziet?’
‘Nee. We hebben afgesproken dat hij een bordje omhoog zou houden met de namen Harper en Drummond. Dat moeten we toch kunnen vinden?’ Ze liepen naar de aankomsthal.
Meteen bij binnenkomst liet Jocelyn haar blik door de hal gaan. Op enige afstand stonden mensen die waarschijnlijk reizigers kwamen afhalen. Ze zag bordjes met een naam erop maar niet met hun namen. Haar blik werd getrokken door een man die op een bankje zat en niet keek in de richting van de aangekomen passagiers. ‘Kijk eens daar,’ wees ze Max met haar vrije linker hand.
Max keek in de richting die hem aangewezen werd en bleef stilstaan.
‘Richard en dan een flink aantal jaren ouder. Zou kunnen toch? Die man heeft veel van hem weg.’
‘Ja. Vandaar dat ik ook even stil bleef staan. Er zijn duidelijke overeenkomsten. Zelfde kleur haar in elk geval. Dat bijzonder zwarte.’
‘Kijk, we hebben hem eerder gevonden dan hij ons,’ zei Jocelyn toen de man eindelijk oog had voor de aangekomenen en hij een bordje in de lucht stak. Hij bleef echter wel zitten. ‘Zullen we dan maar?’ Ze stevenden op hem af en bij hem aangekomen verontschuldigde de man zich meteen.
‘Professor Drummond, mevrouw Harper, het spijt me geweldig dat ik even niet goed oplette. En mijn verontschuldigingen dat ik blijf zitten. Ik heb een klein ongelukje gehad en kan daarom niet zo lang staan.’
‘Geen enkel probleem, meneer Hartman, wij hebben u gevonden en u ons. Maar noemt u mij liever geen professor.’
‘Maar ik heb u gegoogled en gezien dat u onder andere les hebt gegeven aan de universiteiten van Los Angeles en San Francisco.’
‘Dat klopt.’
‘Maar Max is bescheiden. Daarnaast heeft hij nog een eredoctoraat aan de universiteiten van Oxford, Johannesburg en Berlijn.’
‘Ja, en toch heb ik liever dat ik Max genoemd wordt. En mijn onvolprezen hulp heeft liever ook niet dat je mevrouw tegen haar zegt. Zij heet Jocelyn. Zullen we dus maar afspreken elkaar bij de voornaam te noemen?’
‘Oké. Duidelijk. En wat mij betreft prima. Ik heet Johan maar ik luister ook naar John. Vanwege mijn ongelukje kan ik niet autorijden en daarom heb ik mijn zoon Charles meegenomen. Kijk, daar komt hij aan met de krant waar ik om gevraagd had.’
Max en Jocelyn draaiden zich om en keken in de richting die Johan hen duidde. Beiden waren ze enorm verrast. Misschien beter gezegd onthutst. Waar ze al enige gelijkenis gemeend hadden te zien tussen Richard en Johan was de overeenkomst met Charles Hartman niet te beschrijven.
‘Alles goed? Pa? Heb ik iets van iemand aan of zo?’
‘Nee … euh nee, absoluut niet,’ was het Max die zich als eerste herstelde maar innerlijk moest hij enorm lachen. De woorden van de jongen waren helemaal juist. Hij had iets aan van iemand. ‘Dit is Jocelyn Harper en ik ben Max Drummond,’ stelde hij hen beiden voor. Er werden handen geschud. ‘En met je vader hebben we zojuist afgesproken
dat we elkaar bij de voornamen zouden noemen en wij vinden het prima als jij dat ook doet.’
‘Ik zou durven wagen om mijn vader bij zijn voornaam te noemen,’ lachte de jonge Hartman. ‘Hij zou spontaan een rolberoerte krijgen.’ Nogmaals een luide lach. ‘Maar als u beiden erop staat, dan doe ik dat natuurlijk.’
Johan had zijn gasten vreemd aangekeken nadat hij hen op zijn zoon had gewezen. Hun monden waren dan wel niet open gevallen maar het had weinig gescheeld, vertelde zijn gevoel hem. Wat was er aan de hand? Tijd om er nu over te praten was er niet want Charles was voortvarend en vroeg of hij de bagage van Jocelyn zou dragen.
‘Nee, dank je,’ wees Jocelyn het vriendelijke aanbod af. ‘Maar zou je misschien Max willen helpen?’
‘Natuurlijk. Ik dacht … nou ja … dat het goed was het eerst aan … ‘
‘Goed gedacht, jongen,’ complimenteerde Johan zijn zoon. ‘Dames eerst.’
Toen Max toch zijn eigen bagage op wilde pakken was Charles sneller en hem voor. ‘Gaan jullie met me mee? We kunnen langzaam lopen hoor, want mijn ouwe heer is niet zo snel. Hij dacht gisteravond dat hij al beneden was maar hij moest nog twee treden. Hij wilde te snel en nu zal hij een tijdje rustig aan moeten doen. Goed voor hem!’
‘Dank je, voor je bespiegelingen, Charles!’
‘Graag gedaan, Pa.’ Charles grinnikte.
Max genoot van de manier waarop vader en zoon Hartman met elkaar omgingen. Het was spontaan, plagerig maar wel op een goede en hartelijke manier. Het was net zoals hij met zijn eigen kinderen was omgegaan toen ze in die leeftijd waren. Ook meteen aanleiding voor hem voor een vraag. ‘Mag ik je vragen hoe oud je bent, Charles?’
‘Op 6 oktober word ik 21. Hoezo?’
‘Nee, gewoon interesse.’
‘Heeft het te maken met Richard?’
‘Ja. Wij zijn hier voor hem, nietwaar. Wij zijn hier gekomen als zijn vertegenwoordigers.’
‘Oké. Ik zal voor nu niet verder vragen, laten we gaan. De auto staat dichtbij.’
Max en Jocelyn lieten de Hartmans voorop gaan. Eindelijk tijd om even een blik met elkaar te wisselen zonder dat het op zou vallen. Jocelyn vormde met haar mond een geluidloos “Wauw” en Max knikte. Het was bijzonder. Heel bijzonder.
De rit naar het huis van de familie Hartman duurde zo’n drie kwartier. Eerst was het langs de stad Honolululu gegaan en daarna een tijdlang langs de kust. Een prachtig uitzicht hadden ze gehad vanuit de auto. Charles was een goed chauffeur.
‘De naam Hartman waar komt die vandaan?’ vroeg Max terwijl hij tussen de voorstoelen door iets naar voren leunde. De manier waarop je het schreef was Nederlands, zo wist hij. De Duitse variant schreef je namelijk met tweemaal de letter N op het eind. Maar de Nederlandse oorsprong kon hij niet helemaal rijmen met het uiterlijk van de twee voor in de auto en dat van Richard.
‘Ga je gang, Junior,’ zei Johan terwijl hij zijn zoon tegen de bovenarm tikte.
‘Hé!’ klonk het verontwaardigd uit de mond van Charles.
‘Sorry. Wil jij het vertellen, Charles, jij bent een tijdje terug begonnen met een onderzoek naar de oorsprong van onze families.’
‘Amateuristisch hoor, maar wel goed, zo denk ik.’
‘Nu is het mijn beurt om “Hé!” te roepen,’ was Johan van mening. ‘Je besteedt er heel veel van je vrije tijd aan, man! En je bent heel secuur in alles. Neemt niet alles zomaar aan maar wil meerdere bronnen hebben voor je iets voor zeker aanneemt.’
‘Dank je, Pa. De familienaam Hartman is afkomstig van Hartman Daniëlszoon uit Groningen in Nederland.’
Max hoorde namen voorbijkomen maar wist absoluut niet hoe hij dat zou moeten schrijven maar het belangrijkste voor hem was dat de Nederlandse oorsprong bevestigd werd. Even was er de neiging om ernaar te vragen maar in de stem van Charles klonk een enorm stuk enthousiasme door en dat wilde hij nu niet onderbreken met een vraag van zijn kant.
‘Deze Hartman, het was toen dus een voornaam, ging naar de kolonie Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Eerst werkte hij voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie maar later ging hij werken op een particuliere plantage. Daar werkte hij zich op en uiteindelijk kon hij het bedrijf overnemen. De Hartmans vermengden zich met de plaatselijke bevolking.’
‘Legaal, door huwelijken,’ voegde Johan toe.
‘Yep. Geen sprake van bijvrouwen of zo. Allemaal heel netjes. Een prima uitgangspunt om een goede relatie te blijven houden met de oorspronkelijke bewoners van het land.’
‘Is het daarom, die vermenging laat ik het maar noemen, dat jullie er niet helemaal Europees, Nederlands, uitzien?’ vroeg Max om bevestiging van dat wat hij gemeend had te zien.
‘Yep.’ Het antwoord van Charles was kort omdat hij even goede aandacht moest schenken aan het verkeer dat ineens erg druk was geworden om hen heen.
‘De ogen, de geringe lichaamslengte en de haarkleur, zijn duidelijk tekenen van onze deels Indonesische wortels,’ vulde Johan aan voor Charles. ‘Die trekken lijken zich vooral voort te zetten in mannelijke lijn. Als je een foto van mijn vader op twintigjarige leeftijd naast een foto van mij legt op die leeftijd en ook daar nog een naast van Charles dan zie je haast geen verschil.’
Charles lachte. ‘Heel vreemd zoiets! We zouden echt een drieling kunnen zijn. Alleen de kleren en de haardracht verschillen maar verder … haast niets.’ Hij gaf richting aan en verliet even later de snelweg. ‘De familie van zowel van Opa, de Hartmans, als die van mijn Oma, de Coens met een C aan het begin, komen dus oorspronkelijk uit Nederland. Van haar kant moet ik nog veel dingen onderzoeken. Er schijnt ergens de een of andere hoge hotemetoot te zitten maar die heb ik nog niet kunnen ontdekken.’
‘Geef het tijd, Charles! Je doet zoveel dingen naast je studie!’
‘Maar het is gewoon frustrerend om er niet achter te komen.’
‘Ik kan je vader alleen maar gelijk geven, Charles,’ merkte Jocelyn op. ‘Frustratie leidt tot niets. Zorgt alleen maar voor lijden.’
Charles zocht in de achteruitkijkspiegel het gezicht van Jocelyn en merkte dat zij ook oogcontact wilde op dat moment. Hij zag haar knipoog. ‘Dank je. Zoiets heb ik af en toe nodig. En mijn ouders en zusje steunen me enorm. Soms helpen ze ook mee met het zoeken.’
‘Prachtig,’ was Max van mening. ‘Een echt familieproject dus.’
‘Toen de Tweede Wereldoorlog was afgelopen hebben de families net als vele andere al hun bezittingen verkocht en zijn ze naar Nederland gegaan.’
‘Waarom?’
‘Het opkomend nationalisme was de voornaamste reden, denk ik. Onafhankelijkheidsstrijders wilden volledig af van de band met Nederland. Na de Japanners zouden de Nederlanders eraan moeten geloven.’
‘Maar de families hadden beiden toch banden met de lokale bevolking via huwelijken?’
‘Ja, maar vele nationalisten hadden extreme ideeën. Iemand die ging trouwen met een Nederlander werd gezien als een landverrader.’
‘Ah, jammer.’
‘In Nederland hielden de families contact met elkaar. De Hartmans gingen terug naar Groningen.’
‘Is dat een stad?’
‘Ja. Het ligt in het noorden van Nederland. Wennen in het nieuwe, oude vaderland was moeilijk. Het was koud, nat en de mensen waren zo anders. De Nederlanders hadden ook net een bezetting achter de rug en alles moest weer opgebouwd worden. Niet dat mijn voorouders daar niet aan mee wilden werken maar … ‘
‘Het wennen was erg moeilijk,’ begreep Max.
‘Ja. En daarom besloten een aantal families om gezamenlijk naar Amerika te emigreren. Er waren strikte regels voor die emigratie. Niet iedereen uit Indonesië mocht naar Amerika komen. De Hartmans en de Coens voldeden aan die regels. Eerst woonden ze een tijdje in Maryland maar later trokken zij en andere families naar Hawaï en daar wonen ze nu al weer een hele tijd naar volle tevredenheid. Mijn volle tevredenheid, in elk geval,’ zo besloot Charles zijn verhaal. ‘En precies op tijd beëindigd want kijk, rechts van u ziet u Residentie Hartman.’ Charles reed naar het hek toe, drukte iets in op zijn smartphone, die hij aan het begin van de rit in de carkit had gezet, en de toegang werd geopend.
De auto werd geparkeerd en de voordeur van het huis ging open. Een vrouw en een meisje kwamen naar buiten.
‘Welkom!’ luidde de begroeting. ‘Ik vind het heel fijn dat u gekomen bent beiden.’ De vrouw was tussen de veertig en vijftig zo schatte Jocelyn. Ze zag er mooi uit. Klein van stuk, net als haar man, zoon en dochter. Haar trekken waren duidelijk Polynesisch. Een kind van de eilanden? Ze stelde zich voor als Anouhea en benoemde haar dochter met de naam Haimi. Voor Jocelyn was haar vraag beantwoord. Ze vond het mooi klinkende namen. Naar de betekenis wilde ze niet raden. Dat was meer iets voor Max.
‘Wat doen we met de bagage?’ kwam een praktische vraag van Charles.
De volwassenen keken elkaar even aan zonder een woord te zeggen.
Anouhea nam het woord en zei: ‘Ik heb begrepen dat jullie een logeeradres hebben in Honululu.’ Ze zag dat er geknikt werd. ‘Maar ik heb ook begrepen dat jullie morgenvroeg weer weg zullen gaan. En daarom zou ik willen voorstellen dat jullie hier blijven logeren. ‘
‘Ruimte zat!’ kwam Charles ertussen en haalde zonder dat er een antwoord gegeven was alvast de koffers uit de laadruimte van de auto.
‘Het is gewoon handiger,’ ging zijn moeder verder. ‘We hebben dan alle tijd om goed met elkaar te praten. Daar zijn jullie tenslotte voor gekomen.’
‘Ja, maar … we willen jullie niet tot last zijn,’ verweerde Max zich.
‘Ha, mijn moeder vind het alleen maar leuk dat ze voor een groot gezin kan koken en zorgen,’ liet Charles zich horen terwijl hij al met de koffers naar de voordeur liep.
‘Ben ik gewend inderdaad. Niet hier hoor maar thuis vroeger wel.’
Even overlegden Max en Jocelyn zonder een woord te zeggen en toen zei zij dat het goed was, dat ze graag gebruik maakten van de geboden mogelijkheid.
‘Euhh … ‘ begon Max te stamelen. ‘Is het goed dat ik even mijn benen strek? Van al dat zitten begin ik wat stram te worden.
Geen enkel probleem,’ zei Anouhea, ‘het eten is nog niet helemaal klaar. Charles en Haimi willen best even met u beiden rondlopen over het terrein. Toch?”
Haimi knikte en toen haar broer het huis weer uitkwam, zei ze hem wat de bedoeling was.
Gevieren liepen ze van het huis weg in de richting van de zee. Daar aangekomen en lopend langs het strand vroeg Charles of ze het mooi vonden.
‘Prachtig,’ zei Jocelyn, ‘bijna of ik thuis ben.’
‘Woon je ook aan zee?’ vroeg Charles.
‘Ja. Monterey ligt aan zee. Max woont aan de zuidkant van de stad en ik meer in het noorden. Ik heb een huis direct aan zee en Max heeft vanuit zijn tuin een prachtig uitzicht over de Grote Oceaan.’
‘Voor ons voelt het zo gewoon. Het strand en de zee,’ verduidelijkte Haimi. ‘We hebben het altijd gekend. Toch? Charles?’
‘Ja. Tante Vicky heeft het huis gekocht. Met feestdagen waren we altijd met de hele familie hier. En wij twee waren er ook vaak in de weekenden.’
‘Hoe was Vicky voor jullie?’ probeerde Jocelyn te beginnen aan de opdracht waarvoor ze hier naar toe waren gekomen.
Broer en zus Hartman keken elkaar even aan en het was Haimi die het woord nam. ‘Tante Vicky was … geweldig. Wij kunnen jullie alleen maar vertellen hoe ze was in onze ogen. Hoe ze op ons overkwam. Meer niet.’
‘Dat is duidelijk. En ook genoeg. Jullie ouders, jullie grootouders zullen wellicht een ander beeld hebben en met al die beelden samen kunnen Max en ik voor Richard proberen iets van een totaalbeeld te maken.’
‘Het lijkt alsof je voorzichtig bent,’ concludeerde Haimi.
‘Dat ben ik ook. We kunnen plaatjes naast elkaar leggen maar … nooit een volledige beeld krijgen.’
‘Waarom niet?’ voor Charles was het niet helemaal duidelijk.
‘Omdat we Tante Vicky er zelf niet naar kunnen vragen, Charles. In principe is zij de enige die het antwoord op alle vragen die mogelijk gesteld worden kan geven. Alleen zij.’
‘Yep. Helemaal waar.’
‘Tante Vicky was een echte tante. Iemand die tijd voor ons had. Geen kwaad woord over onze ouders. Zij zijn ook geweldig maar … wij beiden hadden toch wel vaak het gevoel dat ze het eigenlijk veel te druk hadden om ons alle aandacht te geven. Als kind begrepen we dat niet echt goed. Nu beter. Maar toch … als we bij Tante Vicky waren dat was die aandacht er wel.’
‘En zo was dat ook bij Opa en Oma,’ gaf Charles een aanvulling.
‘Ja, alle aandacht voor ons en als kind heb je dat nodig.’
‘Nu niet meer?’ vroeg Max.
‘Voor mij wel,’ bekende Haimi ruiterlijk. ‘Ik blijf nog steeds iemand die veel aandacht wil. En als het niet spontaan komt, dan trek ik die aandacht wel naar me toe. Is dat erg?’
Jocelyn gaf aan dat het belangrijk was dat ze zich gedroeg zoals ze was. Een ander willen zijn dan je bent, was volgens haar niet goed. Zou alleen maar tot frustratie leiden. ‘Maar betekent het ook dat je druk bent?’
‘Yep. Heel druk soms. Te druk soms.’
‘In je doen en laten of ook in je hoofd?’
‘Op alle fronten. En vooral dat laatste is wel eens vervelend.’ Het gesprek bleek ze ineens ook vervelend te vinden want ze zette ineens de spotlights op haar broer. ‘Charles is niet zo. Hij is anders. Veel meer op zichzelf. Toch? Broer?’
‘Ja. Ik ben anders. Ik hoef al die drukte niet.’
‘Jij hebt meer rust nodig,’ concludeerde Max.
‘Herkent u dat in Richard?’
Ineens werd er een connectie gelegd door Charles en dat vonden Max en Jocelyn niet erg. En daarom werd er ook door Max open en oprecht geantwoord. ‘Ja. Ik herken dat bij Richard. Hij kan heel sociaal zijn. Maar af en toe trekt hij zich terug. Dan zie ik hem in de tuin zitten op het bankje met uitzicht op de oceaan en dan weten mijn vrouw en ik dat we hem met rust moeten laten.’
‘Wat doet hij daar dan?’ kwam de vraag van Charles.
‘Denken. Richard heeft het in zijn leven niet gemakkelijk gehad. Hij heeft moeten leren dat van zich af praten heel belangrijk is maar soms … soms zoekt hij de rust en de stilte op.’
‘Ik ook.’ Charles viel stil.
‘Hij mediteert,’ lichtte Haimi toe, ‘en dan zit hij een hele tijd stil en niets te doen. Ik zou er knettergek van worden.’
‘Ik niet, plagerige zus! Het geeft mij rust in het hoofd.’
‘Is er een reden waarom jij voor meditatie hebt gekozen?’ vroeg Jocelyn benieuwd als ze was vanuit haar professie. Een antwoord kwam er echter niet want op dat moment gaven de telefoons van de Hartmans tegelijkertijd aan dat er een berichtje binnen was gekomen.
Toen Haimi zag dat Charles niet reageerde op het signaal bekeek zij het bericht en kondigde vervolgens aan: ‘Ma geeft aan dat het eten bijna klaar is en vraagt of we terug komen.’
‘Doen we,’ zei Max. ‘Ik ben wel toe aan wat eten.’
‘Kijk,’ zei Charles toen ze terug begonnen te lopen, ‘daar kun je net het dak van het huis van onze opa en oma zien.’
‘Wonen ze hier op het terrein?’
‘Ja. Handig toch?’
‘Zeker. Hoe oud zijn ze?’
*