Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief


Forumindex  • Verhalen, gedichten en andere teksten  • Lucky Eye
 
Registreren
 
 
 

Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief

ANDERS ... een kerstverhaal

Plaats een reactie

Bericht ANDERS ... een kerstverhaal door Lucky Eye » dinsdag 25 december 2018 07:10

Een verhaal van Lucky Eye

Disclaimer:
Dit verhaal is niet gebaseerd op feiten. Elke overeenkomst met gebeurtenissen, personen, plaatsen en tijden berust dan ook op toeval.



ANDERS ... een kerstverhaal




Hoofdstuk 1

Het allereerste wat mij opvalt op de ochtend van 25 december is dat het anders is. De lucht in mijn slaapkamer voelt anders aan. Het geluid van de wind, of beter gezegd, het ontbreken daarvan valt me op. Een aantal dagen lang had de wind keihard uit de poolstreek geblazen en die had naast veel kou ook heel veel sneeuw gebracht in de hoofdstad en de rest van het land. Gelukkig was het kerstvakantie en van een ontwrichting van de samenleving was dan ook geen sprake geweest. De scholen waren al dicht en heel veel werknemers hadden vrije dagen opgenomen zodat ze samen met hun kinderen thuis konden zijn.

Als ik mijn neus echt onder het dikke dekbed vandaan haal heb ik zelfs het idee dat het een stuk minder koud is dan de vorige dagen maar … dat kan ook inbeelding zijn. Op mijn slaapkamer is het in de regel fris. Ik slaap als het enigszins kan met het raam open, de radiator van de centrale verwarming dichtgedraaid en van elektrische voorzieningen om mijn bed warm te houden maak ik geen gebruik. Alleen als het buiten meer dan vijf graden vriest draai ik de radiator iets open om te voorkomen dat er iets gaan knappen. Vraag me niet wat er kan gaan knappen want zo technisch ben ik niet.

Opstaan. Maar eigenlijk is er niet echt een aanleiding om uit mijn bed te stappen en dus kruip ik weer onder het dekbed in de hoop dat ik nog wat kan slapen. Maar – dat zul je altijd zien – juist op het moment dat er alle tijd is om nog weer wat in te dutten lukt dat niet. Bij mij niet in elk geval die morgen. Dat komt ook omdat het kerst is. Voor het eerst na twee jaar heb ik de afgelopen dagen weer iets van de kerstsfeer gevoeld in huis. Niet dat de plek vorig jaar en het jaar ervoor niet prachtig versierd was maar … ik had Olav zo vreselijk gemist. Olav was mijn vriend en twee jaar geleden was hij overleden. Een Noor in hart en nieren. En toch had ik hem voor het eerst ontmoet in Zweden. Mijn beroep brengt met zich mee dat ik een groot gedeelte van de wereld heb gezien. Na mijn opleiding aan de universiteit van Oxford – ik ben een Engelsman van geboorte – vond ik werk in de diplomatieke dienst. Eerst een paar jaar op het ministerie van buitenlandse zaken en daarna een aanstelling op de ambassade in Mexico. Ik was nog een broekkie. Was nieuwsgierig en leergierig genoeg en lette heel goed op mijn meer ervaren collega's. Langzaamaan begon ik het vak te begrijpen. En net toen ik doorhad hoe het werkte, volgens mij, werd ik overgeplaatst naar Chili. Het voelde voor mij alsof ik helemaal opnieuw moest beginnen. En ook al die andere keren daarna dat ik overgeplaatst werd had ik datzelfde gevoel. Elke nieuwe standplaats betekende echter ook dat ik opklom in de hiërarchie totdat ik ambassadeur werd in Iran. Een moeilijke tijd. De betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en Iran waren niet altijd even goed voornamelijk omdat wij vaak in het kielzog van de Verenigde Staten overal meenden te moeten optreden als de politieagent van de wereld. Maar … ik vond het vooral een uitdaging. Ik deed mijn uiterste best om gedurende de jaren dat ik daar stond er het allerbeste van te maken. En wonderwel lukte me dat ook nog. Vier jaar is meestal de periode dat je als ambassadeur van hare majesteit de Koningin ergens mag vertoeven. Dan is het inpakken, wegwezen en je inwerken op je nieuwe werkplek. Een regeling die er volgens mij voor bedoeld is dat je niet al te zeer geworteld raakt op de plek waar je staat.

Maar terug naar Olav en Zweden. Hij was daar voor zaken en de ontmoeting was geheel toevallig. Ik was een avondje uit met vrienden en hij was het zakendoen moe. De portier van het hotel waar hij verbleef had hem de uitgaansgelegenheid aangeraden omdat er volgens hem goede muziek werd gedraaid. Op een gegeven ogenblik stonden we tegelijkertijd aan de bar om een drankje te halen en … er was meteen een vonk die oversloeg. Meteen iets van elkaar leuk vinden. Toen ik in zijn ogen keek zag ik helder blauwe meren en hij zag – zoals ik later uit hem wist te krijgen – precies hetzelfde. Nou is hij, was hij, het type Viking: lichtblonde haren en blauwe ogen. Ik had die blauwe ogen ook maar ze zijn volgens mij niet zo sprankelend als de zijne en mijn haarkleur is blond maar niet zo licht als dat van hem. Een vonk. Iets wat ons naar elkaar toetrok en na een tijdje elkaar van wat afstand bekeken te hebben, stapte hij op me af en vroeg me of we samen wat konden praten op een rustig plekje. Ik vond het prima, nam afscheid van mijn vrienden en ging met hem verderop ergens zitten. Vanwege de muziek was het niet echt rustig maar het was wel één op één. Hoe het precies allemaal verder ging is niet van belang eigenlijk. Het leidde er uiteindelijk toe dat we een relatie begonnen. Een moeilijke relatie want hij woonde vlakbij Oslo en ik in Stockholm. Een afstand die te overbruggen was maar … het was toch vaak dat we elkaar alleen in de weekenden zagen. Onze liefde – want dat was het – was echter sterk genoeg. Maar … het gedonder in de glazen kwam toen ik door een oude mentor van mij gevraagd werd om Stockholm te verruilen voor een hoge post op het ministerie van buitenlandse zaken. Ik had natuurlijk kunnen weigeren maar ik was mijn oude leraar een gunst verschuldigd en vond het moeilijk om het voorstel af te slaan. Olav vond ook dat ik moest gaan en stelde voor dat hij met me mee zou gaan. Zijn voorstel verbaasde me enorm. Olav was namelijk een echt familiemens. Hoewel zijn familie klein was, waren ze wel heel hecht met elkaar. Hij had een broer, een schoonzus (die hij altijd benoemde als zijn zus) en hun beide kinderen: een zoon en een dochter. Olav en zijn broer leken als twee druppels water op elkaar maar ze waren geen tweeling. Twee jaar verschilden ze van elkaar maar toen ik aan Olan voorgesteld werd keek ik echt van verbazing van de een naar de ander. Ik had het idee dat er een grap met me werd uitgehaald en de familie vond het enorm leuk om mijn verbazing te zien. Ze lagen in een deuk. Maar … het verbaasde me dus dat Olav besloten had om met me mee te gaan. Nou bleek het niet zo zeer een plotseling besluit te zijn. Olav en Olan waren twee handen op één buik. En al heel snel nadat Olav mij had voorgesteld aan zijn kleine familie had zijn broer hem erop gewezen dat ik niet voor eeuwig in Zweden zou blijven. Dat het in mijn beroep vanzelfsprekend was dat ik ooit ergens anders gestationeerd zou worden. Olav had hem geantwoord dat daar nog geen sprake van was maar zijn broer was vasthoudend geweest en had hem aangespoord er alvast over na te gaan denken. Dat had hij gedaan. De twee waren close. Olan de oudste en Olav de jongste. De oudste de doener, de jongste de denker. Maar in dit geval was het dus anders geweest. Maar Olav had wel geluisterd naar zijn broer en toen het dus zover was, binnen mijn vier jaar trouwens, was hij bereid om met me mee te gaan.

Werken in de nieuwe liberale regering werd geen succes. Ik was de rechterhand van de minister en op zich was het een vreselijk goede baan. Zorgen om Olav hoefde ik me niet te maken want hij had het vreselijk goed naar zijn zin. Hij had zijn zakelijke belangen – handel in Scandinavië en de Baltische Staten – verkocht en startte iets nieuws op in Engeland. Het ging hem allemaal heel gemakkelijk af, zo leek het me toe. Waar hij al snel zijn draai vond was dat voor mij veel lastiger. Het leek alsof ik te lang weggeweest was uit mijn vaderland. En toch … toch voelde ik me in het buitenland altijd op en top een Engelsman. Maar … terug in Engeland, in London, in het centrum van de politiek voelde ik me ontheemd. Toen mijn minister na twee jaar en drie maanden in de problemen kwam en zijn portefeuille moest inleveren vond ik het geen enkel probleem om ook op te stappen. Zo maakte ik bovendien de weg vrij voor een nieuw bewindspersoon die zijn of haar eigen staf kon bemensen. Binnen de kortste keren zat ik in New Delhi. Daar hadden ze vanwege langdurige ziekte van de ambassadeur een plaatsvervanger nodig voor onbepaalde tijd. Ik vond het leuk om als een soort van crisismanager op te treden. Vier maanden later was ik weer in London en een maand later vulde ik een leemte op in Brazilië. Olav bleef bij die korte betrekkingen steeds in Engeland. We ontmoetten elkaar regelmatig ergens op de wereld. De liefde tussen Olav en mij was sterk genoeg maar op een gegeven moment begreep en voelde ik heel erg goed dat Olav Noorwegen begon te missen. Hij vloog vaak terug om bij zijn familie te zijn maar iedere keer dat hij terug was voelde hij meer en meer het gemis van die familie om hem heen.

Een vaste post had ik nog niet gekregen en toen de functie in Oslo vrij kwam en ik eventjes duimen aan het draaien was, reageerde ik meteen. Volgens velen om mij heen – diplomatieke collega's laat ik maar zeggen – was het onder mijn niveau maar om dat soort opmerkingen gaf en geef ik helemaal niets. Wellicht goed bedoeld advies maar Oslo paste prima in mijn straatje. Ik kon voor het eerst in onze relatie volledig bij Olav zijn en wist zeker dat dat voor ons beiden een enorm stuk rust zou geven. En dat deed het ook.

Wij hielden van elkaar. Zagen elkaar elke dag. Doordeweeks woonden we op de eerste verdieping van de ambassade en in de weekenden en vakanties waren we in het huis van Olav buiten Oslo. Een heerlijke tijd. Een tijd die voor mij voor eeuwig had mogen duren. En … weg uit Oslo, weg van Olav wilde ik ook echt niet meer. Af en toe keek ik om me heen of ik iets anders zou gaan kunnen doen maar mijn vak had iets bijzonders, iets speciaals, dat zomaar vertrekken voor mij onmogelijk maakte. Ik bleef zitten waar ik zat en zag het einde van mijn termijn steeds dichterbij komen. Gelukkig kwam er na die vier jaar geen bericht om ergens anders heen te gaan. Maar … uitstel zou geen afstel betekenen. Toen er in mijn zesde jaar het door mij inmiddels gevreesde bericht kwam, bewoog ik hemel en aarde om vertrek te voorkomen. Ik lobbyde bij collega's, sprak met mensen op hoge plaatsen bij buitenlandse zaken en kreeg het voor elkaar om te mogen blijven. Er was echter wel één voorwaarde: ik moest beschikbaar zijn om net zoals ik in het verleden gedaan had af en toe voor korte tijd ergens in te vallen. Geen probleem. Een tijdje zonder Olav moest kunnen en bovendien zouden we elkaar net als eerder gedaan ergens halverwege regelmatig kunnen ontmoeten.

Olav vond het prachtig. Enerzijds voelde hij zich enorm bezwaard dat ik vanwege hem in Oslo bleef hangen maar dat wees ik resoluut van de hand. Ik was niet alleen vanwege hem blijven hangen. Ik wilde het zelf ook. Ik had behoefte aan een echt thuis en dat had ik voor het eerst in mijn leven gevonden. Volgens velen – en ze hadden gelijk – kwam je vroeger alleen maar voor de diplomatieke dienst in aanmerking als je een titel had. Die titel had ik al vanaf mijn vierde jaar. Mijn vader overleed toen en ik erfde zijn titel. Nou kon ik de verplichtingen die daarbij hoorden niet uitvoeren. Ik was nog maar een kleuter! Gelukkig was er een oom aan de kant van mijn vader die de taken op zich wilde nemen. Later toen ik ging studeren koos ik niet de vakken die horen bij die van een landeigenaar. Ik had totaal geen interesse om in de voetsporen van mijn voorvaders te treden. Het leverde af en toe flinke strijd op met mijn moeder. Zij wilde dat ik mijn vader zou opvolgen en ik absoluut niet. Mijn oom volgde onze twist op de voet. Logisch ook natuurlijk want zijn toekomst zou er namelijk door bepaald worden. Nu vervulde hij in feite de functie van landheer. Zou ik mijn rechtmatige en door mijn moeder zo graag gewilde plaats innemen, dan zou hij hooguit als manager aan kunnen blijven. Ik sloot een deal met hem.

Ik was al vroeg op de hoogte van mijn seksuele voorkeur en voor mij was het duidelijk dat een vrouw en kinderen krijgen daarin geen rol zouden spelen. Ook niet voor de schijn. Want dat was wat mijn moeder me weken nadat ik uit de kast was gekomen voorstelde. "Als je dat dan moet zijn," zo waren haar woorden, "doe dat dan. Maar zorg er wel voor dat je een erfgenaam verwekt. Doe het buiten je huwelijkse leven om. Mannen gaan wel vaker vreemd!" Maar … dat ging voor mij niet op. Ik wilde het niet. Af en toe praatte ik met mijn oom. Hij probeerde soms ook wat te bemiddelen tussen mijn moeder en mij maar dat lukte lang niet altijd. Gewoon omdat wij beiden een standpunt hadden ingenomen en niet van plan waren daarvan af te wijken.

Op een gegeven moment kwam ik er heel toevallig achter dat hij en mijn moeder een relatie hadden. Niets mis mee. Mijn oom was al jarenlang weduwnaar en ook zij was vrij sinds het overlijden van mijn vader al heel wat jaren terug. Ik sprak hem aan en deed hem een voorstel: als hij zou zorgen dat mijn moeder me met rust zou laten dan zou zijn zoon na mijn overlijden de titel erven. Iets wat geen vanzelfsprekendheid was. Erfrecht van titels kan in Engeland van geval tot geval verschillen. Bij de een zijn vrouwen nog steeds uitgesloten, bij de ander niet, als er geen directe erfgenaam is vervalt soms een titel aan de Kroon, in het geval van mijn titel kon ik een erfgenaam aanwijzen. Mijn oom zag dat wel zitten en wat mij niet gelukt was, lukte hem gelukkig wel. Mijn moeder werd milder, begon in te zien dat ik anders was en verzoende zich met dat idee. En ik kan je vertellen dat onze band sindsdien veel beter is geworden.

Klaar met dit uitstapje en terug naar de werkelijkheid: Olav en het gemis van Olav. Toen het leek alsof ik alles voor elkaar had – een heerlijke relatie, een zo goed als definitieve standplaats in Noorwegen – toen sloeg het noodlot toe. Het was op een zondagochtend dat Olav met een lijkbleek gezicht uit de badkamer terug naar onze slaapkamer kwam. Hij stapte niet in bed maar bleef op de rand zitten. Dat zorgde ervoor dat ik meteen klaarwakker was. Olav hield ervan om juist op zondag lekker lang in bed te blijven liggen en uitgebreid seks met elkaar te hebben. En nu … nu bleef hij zitten op de rand van het bed. "Er is iets mis," had hij gezegd. En ik, waarschijnlijk omdat ik nog niet helemaal goed wakker was, herhaalde zijn opmerking en plaatste er een vraagteken achter. "Ja! Iets mis!" klonk het kriegel. Mijn tweede vraag was duidelijker: "Wat bedoel je, Olav?" In plaats van een antwoord te krijgen, trok hij me mee naar de badkamer en daar in het toilet zag ik wat hij bedoelde. Meteen was ik gealarmeerd toen ik het bloed in de toiletpot zag. Meteen ook was ik in staat van paraatheid. Ik schoot in mijn kleren, zorgde ervoor dat Olav in de kleren kwam en binnen drie kwartier zaten we tegenover een internist. De maandagochtend erop was het darmonderzoek waarbij een stukje uit de darm werd weggenomen. In het nagesprek werd al vastgesteld dat er een tumor zat maar er moesten nog meer onderzoeken gedaan worden en het was wachten op de uitslag van het weefselonderzoek. Het werd een vreselijke week.

Vaak hoor je dat mensen tot elkaar aangetrokken worden vanwege de verschillen tussen hen beiden. Dat gaat niet altijd op. Olav en ik waren wat karakter betreft aardig gelijk. Beiden waren we introvert, hielden we ervan om met een boek in een hoekje te gaan zitten en de wereld om ons heen te laten voor wat hij was. In die week werden we uit onze comfortzone getrokken. Niets terugtrekken. Niets lekker rustig lezen. We praatten en praatten en praatten. Elke minuut leek eraan op te gaan. Heel enkel leidde het tot heftige woordenwisselingen. Olav was vooral bezig met zijn afscheid en ik had het idee dat hij veel te grote stappen nam, dat hij zou moeten proberen om rustig de uitslagen van de onderzoeken af te wachten en dat zei ik hem ook. "Wat weet je nou precies?" En ik hoopte dat hij zou antwoorden dat er een tumor was geconstateerd en het daarbij zou laten. Maar hij had het sterke voorgevoel dat het echt mis zou zijn. En ik … ik was van ons beiden de meest naïeve op dat moment. Gewoon vanwege lijfsbehoud, zo denk ik erop terugkijkend. Ik had kunnen weten dat het gevoel van Olav juist was. Wat betreft gevoel en dingen inschatten had hij het bijna altijd bij het juiste eind. En toch … toch wilde ik dat niet zien toen.

De maandag erop gingen we met lood in de schoenen terug naar het ziekenhuis. Het was mis. Helemaal mis. De tumor was groot, er waren uitzaaiingen naar lever, longen, buikvlies en buikholte. Het enige dat nog gedaan kon worden was de zogenaamde palliatieve zorg die gericht was op het verlichten van klachten die zouden ontstaan. Genezing was niet mogelijk. Toen Olav vroeg hoeveel tijd hij nog had gaf de arts aan dat hij naar verwachting nog hooguit drie maanden had. Het werd veel en veel minder.

Olav had nooit eerder iets gemerkt. Darmkanker wordt niet voor niets vaak een sluipmoordenaar genoemd. Het hoofd in de schoot leggen deed hij echter niet. Iets wat ik wel deed. Ik droeg mijn werk over aan mijn tweede man omdat ik de tijd die wij nog hadden samen wilde doorbrengen. Olav verklaarde me voor gek: "Wil je echt al die tijd met me doorbrengen? Dat hebben we nog nooit gedaan! Denk je niet dat je gek van mij zal worden?" Onzin, zo vond ik. Maar hij had helemaal gelijk. Het werkte niet. Na een week ging ik toch andere dingen doen. Niet mijn werk. Dat zag ik even niet zitten. Toen Olav na twee weken zijn zakelijke dingen had afgerond, vroeg hij me toch of we samen zijn afscheid konden gaan inrichten. Ik was er blij om. Voelde me nuttig terwijl ik me dat in de twee weken daarvoor niet had gevoeld.

We hadden alles gepland wat betreft het afscheid toen Olav ineens vreselijk veel pijn kreeg. Ik wist wie ik moest bellen en de huisarts kwam meteen. Ook hij wist wat hij moest doen. Hij spoot Olav morfine in en na een tijdje was te zien dat de pijn afnam. Olav glimlachte naar me en zei dat het beter ging maar op dat moment was mijn gevoel beter en ik wist dat die drie maanden niet gehaald zouden worden. De huisarts moest vaker komen. Op het laatst zelfs meerdere keren op een dag. En op het feest van Lucia, 13 december, kwam Olav te overlijden. De arts was de eerste keer om zes uur 's ochtends al gekomen en daarna om twaalf uur nog een keer. Toen hij halverwege de middag zijn derde injectie klaarmaakte gaf hij ons – Olan, Elske, Niklas en Ilvy waren er ook – aan dat inspuiting waarschijnlijk zou leiden tot zijn overlijden. We zaten allemaal heel dicht bij hem. Olan en ik zaten op onze knieën naast zijn bed en hielden een hand van hem vast. De anderen hadden hun hoofd tegen zijn borst gelegd en ongetwijfeld hebben zij gevoeld hoe zijn adem oppervlakkiger werd en uiteindelijk stopte.

Het feest van Lucia, een feest van licht, is in de regel het begin van het Kerstfeest maar licht werd het na die dag voor mij niet. Ik viel in een donker gat en was blij dat Olav, ik en de anderen alles zo goed geregeld hadden. We konden ons houden aan het gezamenlijk opgestelde draaiboek. Een voor een werkten we de ons gestelde taken af. De afscheidsdienst werd enorm goed bezocht. Hoewel Olav, net als ik, introvert was werd hij door heel veel mensen enorm gewaardeerd. Uit de vele korte toespraakjes kwam steeds weer naar voren dat hij een goed luisteraar was en een bijzondere vriend. Een vriend die ik voor altijd zou moeten missen.

Overlijden op een feestdag heeft iets naars. Elk jaar als dat feest zich weer aandient, komt het weer naar boven. Extra naar boven. Het is niet zoiets als overlijden op 3 september. Overlijden op het Feest van Lucia is anders. Het Kerstfeest erna beleefden we met z'n vijven anders dan in andere jaren. Natuurlijk was het huis waar ik met Olav woonde versierd, daar had zijn familie voor gezorgd. Ze zorgden ervoor dat ik geen moment alleen was. Ze woonden bij mij in. En dat was iets dat Olav zo geregeld had. Hij had me op het hart gedrukt om niet alleen te zijn en zijn familie die opdracht meegegeven.

Dat was wijs van hem. Hij liet mij als nalatenschap een familie na. Een familie waar ik volledig deelgenoot van was. Iets dat ik van huis uit niet kende. Als ik terugkijk op mijn jeugd was het altijd koud en kil. Heeft waarschijnlijk ook te maken met dat grote, tochtige, voorvaderlijke landhuis. Mijn moeder was niet erg moederlijk. Ze liet de zorg voor mij grotendeels over aan kindermeisjes en later gouvernantes. Zijzelf hield zich volop bezig met allerlei goede doelen en zat overal in het bestuur.

Drie maanden lang woonden Olan, Elske en ik bij elkaar. Toen probeerde ik me weer op mijn werk te richten. Het mislukte. Ik raakte in een dip en ging op aanraden van mijn naasten naar een psycholoog. Zij hielp me enorm. Waar ik allerlei vooroordelen had over psychologen, haalde zij ze een voor een onderuit. Ze nam zichzelf, en haar beroep, ook niet zo serieus. "Ik kan proberen je te helpen, maar je zult het allemaal zelf moeten doen!" was een uitspraak van haar en in eerste instantie had ik het idee dat ik daar dus helemaal niets mee opschoot, want ik kon het niet alleen, dat mocht duidelijk zijn. Ik leerde in die tijd beter luisteren.

En met de tijd heelde de wond die geslagen was. Ik stelde mezelf geen grote doelen en toen ik in september weer aan het werk ging, was dat niet in mijn eigen functie. Ik hielp op vele fronten en oefende zo om weer te werken en het isolement – dat goed gevoeld had – achter me te laten. Half november had ik mijn kracht hervonden en ging ik weer dat doen waarvoor ik betaald werd. Het voelde goed. Ik voelde me goed. Op 13 december herdachten we Olav in familiekring. Ook dat was goed. Samen lachten we en samen hadden we verdriet. Ik begon mijn jaarlijkse Kersttoespraak te schrijven die ik op tweede Kerstdag zou voorlezen op de informele bijeenkomst op de ambassade voor buurtbewoners, personeelsleden en eventuele collega's: een traditie die ver voor mijn tijd was ontstaan. Staande voor de aanwezigen kwam ik niet verder dan de aanhef. Emoties die door mijn hoofd spookten zorgden ervoor dat de zorgvuldig gekozen en ingestudeerde woorden niet over mijn lippen kwamen. Ik gaf de A4'tjes aan mijn plaatsvervanger die naast me stond en verliet zonder me te verontschuldigen de hal van de ambassade. Meteen na de klapdeuren werd ik opgevangen door mijn familie en afgevoerd naar mijn vertrekken op de eerste verdieping. Er waren geen tranen bij mij. Alleen maar dat vreselijke gevoel dat ik dingen niet meer in woorden kon vervatten. Het leek alsof ik met stomheid was geslagen. Ik wilde alleen zijn maar goddank liet mijn familie dat niet toe. Er kwam geen woord over mijn lippen. Ook niet naar hen toe. Ik voelde alleen maar hun liefde om mij heen en hun niet aflatende zorg voor mij.

Tijdens die stille uren bleef het in mijn hoofd spoken. Olav had me in die laatste weken steeds voorgehouden dat ik niet alleen moest blijven, me erop gewezen dat ik daartoe niet de persoon was. "Sommige mensen kunnen dat," had hij gezegd, "maar jij absoluut niet." En … ja … hij had gelijk. Ik ben, ondanks dat ik heel introvert kan zijn en me daar vreselijk goed bij voel, een mensen-mens. Ik kan enorm genieten van mensen om mij heen. En ook in de wereld die helemaal van mij alleen is vind ik het fijn als er iemand voor mij alleen is. Olav had die rol jarenlang gespeeld en staande voor mijn publiek om mijn kersttoespraak te gaan houden had ik ineens gevoeld dat ik er helemaal alleen voor stond. Dat ik niemand had.

Niet waar natuurlijk. Ik had mijn familie. En die zorgde ervoor dat ik eerst de tijd kreeg om te herstellen maar op de dag na Kerst spoorden ze mij aan om te praten. En dat was goed. Heel goed. Hortend en stotend en met tranen in de ogen bracht ik onder woorden wat mij overvallen had. De tranen stroomden vrijelijk daarna. Het was een ontlading, iets wat ik nodig had. Ze waren er voor mij en dat voelde enorm goed. "En nu?" was toen mijn vraag aan hen geweest.

Hun antwoord was duidelijk. Overhaast niets. Laat dingen op je af komen. Kijk wat er gebeurt. En ja … dat heb ik vanaf dat moment gedaan. Maar ik wist ook wat ik wel en niet wilde. Ik hoefde geen relatie die alleen maar bestond uit seks. Ik wilde geen one-night-stands. Als iemand de plaats naast mij zou gaan invullen zou dat moeten zijn omdat er sprake was van liefde. Eeuwige liefde, en dat … dat klonk, gezien het overlijden van Olav een jaar eerder, dan weer heel wrang.



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



©Lucky Eye, december 2018
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 152
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 16:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 184 keer
Bericht Re: ANDERS ... een kerstverhaal door Lucky Eye » dinsdag 25 december 2018 07:11

Hoofdstuk 2

Die laatste gedachte blijft in mijn hoofd hangen als ik toch maar besluit om uit bed te stappen. Ik ga rechtop zitten en kijk op de wekker. Veel te vroeg eigenlijk nog op een dag dat je helemaal niets hoeft. Maar het maakt niet uit. Ik zet mijn voeten op het matje naast het bed en schrik dan op van het geluid van een enorme knal. Vervolgens hoor ik iets dat lijkt op een plotselinge windvlaag, dan een harde bonk en als laatste het geluid van versplinterend glas. Het komt van de ruimte schuin onder mij: de grote zaal besef ik. Vrijwel meteen begint mijn telefoon, die naast de wekker ligt, geluid te maken. Ik bekijk het nummer en herken het. Het is de alarmcentrale. 'Goedemorgen, met Edward Reighton.'

'Goedemorgen, Sir! Wij hebben een melding ontvangen en willen graag dat u zich onmiddellijk naar de safe room begeeft, zoals afgesproken is in het protocol.'

De safe room of paniekkamer is een versterkte kamer die is geïnstalleerd in een privéwoning of bedrijf om een veilige plek te bieden voor de bewoners in het geval van een inbraak, aanval, tornado, terreuraanval of andere bedreiging . Veilige ruimten bevatten meestal communicatieapparatuur, zodat contact met politie en ordediensten kan worden opgenomen. In de ambassade zijn er drie – op elke werkvloer één – gebouwd.

'Kom op, zeg! Ik heb het sterke vermoeden dat de grote oude eik is omgevallen en dat die met zijn ta… '

'Het spijt me dat ik u onderbreek, Sir, maar toch moet ik u verzoe… '

'En ik onderbreek u op mijn beurt.' Ik loop naar het raam en open het gordijn. 'Ik kijk nu naar buiten en zie dat mijn vermoeden juist is. Waar eens de grote oude eik stond, zie ik nu slechts een stukje van zijn stam staan. De rest van de boom ligt languit in de tuin in de richting van het huis en heeft daarbij de glaswand van de grote zaal vernield. Dus doe me een lol! Het is Kerst en ik ga echt niet naar de safe room. Ik weet dat er al een team onderweg is omdat jullie zullen komen kijken maar ik ga gewoon zelf naar beneden om de schade op te nemen. Prettige Kerst, trouwens!' Ik verbreek de verbinding voordat ze mij kan zeggen dat het door mij niet opvolgen van haar instructies de alarmcentrale ontslaat van elke verantwoordelijkheid. Dat weet ik wel. Stijfkoppig??? Recalcitrant??? Ik??? Jazeker! Ik weet het … veiligheidsmaatregelen zijn nodig. Al te vaak wordt er vanuit de een of andere hoek gedreigd maar dit keer is het absoluut niet zoiets, weet ik. Ik schiet snel een broek en dikke trui aan over mijn pyjama. Als ik dan mijn sokken heb aangetrokken en van plan ben om in mijn pantoffels te stappen, bedenk ik me. Gezien het door mij vermoedde glas beneden in de grote zaal kies ik toch maar voor laarzen. Op een drafje verlaat ik de slaapkamer. Eerst de lange gang door naar de trap aan het eind. Dan naar beneden. In de hal blijf ik toch even voor de dubbele deur naar de grote zaal staan. Ik hoor niets en open de deuren. Inderdaad, het is zoals ik had verwacht. De grote oude eik is omgevallen – hij stond op de nominatie om door een boomchirurg behandeld te worden – en heeft zich met zijn takken door de glaswand geboord. Normaal kun je vanuit de zaal de tuin bewonderen maar nu is het zicht danig beperkt. Ineens hoor ik stemmen.

'Buurman! Alles goed!'

Ik zie het hoofd van mijn buurman links, Nils, verschijnen. En even later komt aan de andere kant van de boom nog een hoofd tevoorschijn: de andere buurman.

'Ja. Alles goed. Nu hoeft hij in elk geval niet meer geopereerd te worden,' merk ik op. 'De boom heeft het eerder begeven dan ze hadden verwachtt.' Voorzichtig lopend over het glas baan ik me een weg naar hen toe en als ik bij hen ben, schud ik hen de hand en wens hen een prettige kerst.

'Wil je de hulpdiensten inschakelen, zal voor het vervangen van het raam sowieso moeten gebeuren, of gaan we zelf aan de slag?' vraagt Ivan, mijn college van de Russische ambassade.

We kijken elkaar even aan en besluiten om dat wat we zelf kunnen doen aan te pakken. Ik haal een dikke jas uit de garderobe en vervoeg me weer heel snel bij hen beiden. Inmiddels zijn er meer mensen aangekomen. Het geluid blijkt in de hele straat te horen te zijn geweest. Ook de nieuwkomers schud ik de hand en de wensen voor een prettige kerst gaan over en weer. De mensen van de beveiliging komen even later ook aan. Ik hoef hen niet binnen te laten. Ze nemen met mij de schade op: de boom moet weggehaald worden, het glas vervangen en de alarminstallatie – die op de ruiten en de tuindeuren zat – opnieuw aangebracht worden. Bovendien moeten ze straks buiten de camera's controleren. Ik geef aan dat wij als buurtbewoners zelf met de boom aan de slag zullen gaan. Zij zullen op hun beurt de rest in gang zetten.

Het wordt een heel bijzondere kerstochtend. Het kerstontbijt is een gezamenlijk festijn. De buurvrouwen zorgen ervoor terwijl de mannen met kettingzagen en bijlen de grote oude eik te lijf gaan en de kinderen de klein gezaagde restanten op sleetjes de tuin in transporteren. Tegen tien uur onderbreken we onze werkzaamheden om hongerig aan te vallen op alle lekkernijen die bijeen gebracht zijn in de Russische ambassade. De boom is inmiddels uit de grote zaal verdwenen en de glaszetter net gearriveerd maar hij en zijn mannen schuiven eerst ook aan. Ondanks het onverwachte – iets waar ik het vaak niet zo op heb – geniet ik toch. Alles is anders dan gepland. Geen rustige dag zonder doel. Ineens vult die kerstochtend zich als vanzelf in. En dat alles dankzij die grote oude eik.

We zitten met heel veel mensen, groot en klein, aan het ontbijt. De kinderen uit de straat helpen allemaal mee en als we klaar zijn trekt een van hen me aan mijn arm.

'Meneer, mogen we straks al schaatsen?'

De ambassade is gevestigd in een oud en groot herenhuis. Het huis is, net als de andere in de straat, ooit gebouwd voor de gegoede inwoners van Oslo en beschikt over veel kamers en een grote tuin. Voor de functie van ambassade werd het na de Tweede Wereldoorlog grondig verbouwd. Later vestigden ook een paar andere landen hun ambassade in deze straat. De linkerkant de straat – waar ik woon – grenst aan een park met daarin een grote vijver. In de winter wordt daar door kinderen uit de wijde omgeving geschaatst. Mijn tuin heeft als enige een eigen vijver en de kinderen uit de straat verkiezen die vaak boven de vijver in het park. Een van de redenen daarvoor is dat de baan altijd geveegd wordt voor hen. Hun ouders verkiezen mijn vijver ook omdat er altijd toezicht gehouden wordt op de schaatsende en spelende kinderen. En nu wil Igor al schaatsen terwijl … maar ja zoals ik al eerder zei, vandaag lijkt alles anders te zijn.

'Ja! Prima idee! Maar de baan is nog niet geveegd, is dat een probleem?'

'Doen we zelf! Dank u!'

En weg is Igor. Ik roep hem na dat er wel gezorgd moet worden voor toezicht door een volwassene. Hij draait zich om en steekt een duim in de lucht. Duidelijk. Hij heeft het begrepen.

In de middag komt mijn familie. Het was de bedoeling dat we met z'n vijven zouden eten die avond maar vandaag loopt alles anders. Ik leg hen uit wat er is gebeurd en krijg het lichte verwijt dat ik had moeten bellen! Ja, ze hebben gelijk. Maar door alle drukte is dat er gewoon bij ingeschoten, heb ik er helemaal niet aan gedacht. Voor hen is het geen probleem dat de plannen gewijzigd worden. Eerst zijn we 's middags lang in de tuin. Velen wagen zich op de ijzers maar ik kijk – samen met anderen die ook niet (meer) zo sportief zijn – vanaf het overdekte terras van het tuinhuisje naar de vijver waarop lustige geschaatst wordt. Ik ben zelf geen schaatser. Olav vond het prachtig om te doen en was er goed in. Veel Noren hebben dat. Ik heb wel geschaatst maar dat was altijd één doffe ellende. Ik kan niet recht op de dingen blijven staan. Ik sta of met O-bonen of met X-benen op het ijs. Mijn enkels lijken van elastiek en zwiebelen echt alle kanten uit. Logisch gevolg was dat ik na een tijdje schaatsen dagenlang pijn in mijn onderstel had. Nee, liever zit ik op het terras en verheug me erover dat anderen er zoveel plezier aan beleven terwijl ik mezelf tegoed doe aan warme chocolademelk met een flinke scheut rum. Dat laatste om te zorgen dat ik in de kou warm blijf.

De moeder van mijn Russische buurman maakt een praatje met mij. Ik ken haar van gezicht omdat ze vaker logeert bij haar zoon, schoondochter en kleinkinderen. "Gaat het weer goed met je?" was haar openingszin geweest toen ze naast me plaatsnam en ik heb aangegeven dat het inderdaad beter met me gaat. Dat ik weer werk en er net als tevoren weer veel plezier aan beleef.

'Heel belangrijk,' is zijn van mening. 'Maar het moet wel te doen zijn.'

'Jazeker!'

'Vorig jaar was te vroeg, nietwaar?'

Ik beaam dat. 'Ik wilde waarschijnlijk te snel. Dacht dat ik alles al volledig verwerkt had.'

'Maar dat was nog niet zo. Soms duurt het lang. Mijn man is jaren geleden overleden en ik heb er heel lang over gedaan om het te verwerken. Op een zondagochtend lag hij dood naast me in bed. Bij het wakker worden in het weekend vond ik het altijd fijn om een tijdlang naar zijn rustige ademhaling te luisteren. Igor was altijd de rust zelve. Ik ben de stresskip in de familie, ik ren, ik vlieg, ik regel, ik bemoei me overal mee … maar hij … hij was altijd heel rustig. Liet me mijn gang gaan en glimlachte altijd. Ach … ik moet niet doen alsof hij perfect was, want dat was hij niet! Hij had zijn buien. Was soms flink chagrijnig en dan glimlachte ik. Zo vulden we elkaar prima aan. Maar … soms mis ik hem nog steeds. Maar ik weet ook, en dat is volgens mij het belangrijkste dat ik geleerd heb, dat ik alleen verder kan. Heb jij dat ook zo ervaren?'

Het antwoord op die vraag is moeilijk omdat het voor mij twee kanten heeft. In mijn werk, in mijn dagelijkse routine kan ik alleen verder. Verder zonder Olav, en dat vertel ik haar ook. 'Maar … op relationeel vlak mis ik hem nog steeds enorm. En … ik weet … verstandelijk gezien … dat ik zonder hem verder moet. Maar het is een moeten.'

Ze pakt mijn hand, knijpt er stevig in en schenkt me een lieve glimlach. 'Het komt. Het heeft net als alle andere dingen tijd nodig. Wees gerust. Blijf kalm. Gun jezelf die tijd. Mag ik … '

Ik zie haar aarzelen, kijk haar in de ogen en vraag om vooral die vraag te stellen die ze op haar lippen had liggen.

'Ik wil graag je hand lezen, als het mag,' fluistert ze me in mijn oor.

Ik ben verbaasd.

'Iets wat ik mijn levenlang al doe. Ik heb het geleerd van mijn oma. Zij was een wijze vrouw. Niet heilig of zo … dat niet. Wel wijs. Wijs geworden in haar leven. Ik zou het graag bij je willen proberen, als je het toestaat tenminste.'

Een probleem ermee heb ik niet. Ik weet dat er meer is tussen hemel en aarde en het niet snappen is voor mij niet een reden om te zeggen dat het niet bestaat, dat het niet kan. Ik probeer juist open te staan voor de dingen die mijn pet te boven gaan en daarom reik ik haar mijn hand met de handpalm naar boven. Zij legt haar hand onder die van mij en buigt zich naar voren toe.

'Bijzonder.'

Inwendig begin ik te glimlachen. Tja … die opmerking snap ik wel. Je kunt mij nou niet bepaald een standaard persoon noemen. Ik heb mijn afwijkingen.

'Ben je verliefd?'

'Ik!!! Nee … echt niet!!!' Ik voel dat ik ondanks de kou enorm begin te blozen. Of … is het de rum … 'Nee, ik ben niet verliefd. Ik … '

'Je hebt je er nog niet echt voor open gesteld, bedoel je dat?'

Ik zucht diep. 'Ik … nou ja … Olav heeft me gezegd dat ik niet alleen moet blijven, dat het voor mij niet goed is. Maar … ik wil hem niet vervangen. Zo voelt het nog voor mij. Ik … heb … een tijdje contact met iemand gehad … een dikke maand terug … het was kort maar … nou ja … hij wilde uiteindelijk maar één ding en dat wilde ik zeker niet.'

'Seks?'

Opnieuw bloos ik. Het is echt blozen. De rum voel ik in mijn maag branden en dat is een goed teken. 'Ja. Hij wilde alleen maar seks en verder niet en voor mij … vroeger had ik gewoon seks zonder dat … nou ja … hoe zeg ik zoiets.'

Ze glimlacht en zegt dan: 'Gewoon seks voor de lol! Omdat het lekker is!'

Ze vat het prima samen en ik heb niet de behoefte er iets aan toe te voegen. Wel om uit te leggen waarom ik dat nu niet wil. 'Voor mij moet er nu meer zijn. Ik vind dat seks alleen in schril contrast staat tot dat wat Olav en ik gehad hebben.'

'Liefde.'

'Ja. Liefde. Dat was het en … daarvoor wil ik open staan. Als ik iemand tref op wie ik verliefd wordt en hij ook op mij dan … dan wil ik ervoor gaan. Dan sta ik ervoor open.'

'Wijs. Heel wijs,' zegt ze en vouwt mijn hand dicht.

'Maar …,' begin ik omdat ik verbaasd ben, 'heb je niet meer gezien?'

'Oh ja … dat wel … maar niet altijd is alles heel erg duidelijk. Soms zie ik dingen en vind ik het beter om er niets over te zeggen. Soms zie ik dingen waarvan ik zelf niet weet hoe ik ze onder woorden moeten brengen en dan … ook dan is het beter om te zwijgen. Het zou iemand alleen maar in verwarring brengen.'

Enerzijds snap ik het. Maar anderzijds ben ik nieuwsgierig genoeg om te willen weten wat ze bij mij heeft gezien.

'Tenzij je het natuurlijk wilt weten,' vraagt ze terwijl ik nog aan het denken ben.

'Ja. Graag. Ik ben gewoon nieuwsgierig.'

'Niets mis mee, hoor! Ik zag dat het anders gaat worden.'

Dat ene woordje raakt me: anders. Meteen al aan het begin van die dag had ik opgemerkt dat dingen anders waren. De hele dag was anders verlopen dan gepland was. En … nou ja … 'Dank je,' zeg ik. Ik heb liever niet dat ze me nog meer gaat vertellen over wat ze heeft gezien. Het lijkt me beter om met dat ene woord verder te gaan.

Als het echt donker geworden is, en dat is het in Noorwegen al vroeg eind december, verzamelen we ons in de Russische ambassade om aan te schuiven aan een uitgebreide feestmaaltijd die de vrouwen, moeders en oma's klaar hebben gemaakt. Traditioneel wellicht maar zo waren die dag de taken verdeeld. Ik laat het allemaal over me heen komen. Geniet van het eten en het grote gezelschap. De kinderen zijn enthousiast en hebben al plannen om morgenvroeg weer meteen te gaan schaatsen. Ik vind het prima en zal overleggen met de tuinman dat er iemand is om de poort in de achtermuur van de tuin te openen en toezicht te houden.

Tegen acht uur ga ik net als alle anderen terug naar huis. Onze gastvrouw en gastheer waren gastvrij genoeg om iedereen al eerder aan te sporen weg te gaan maar dat liet niemand zich gezeggen. Het motto "samen uit, samen thuis" indachtig was ervoor gezorgd dat alles netjes opgeruimd, afgewassen – met behulp van een supersnelle vaatwasser – en terug in de juiste kasten was gezet. Van ons samenzijn bleef alleen maar de herinnering over in onze harten en gedachten. Voor de deur van mijn huis neem ik afscheid van mijn familie met een omhelzing en kussen.

'Kom je straks nog even langs?' vraagt Olan als ik hem omhels en kus. 'Het is al tijden geleden en je zult er geen spijt van hebben.'

Met onze handen nog op elkaars schouders kijk ik hem in zijn ogen. De overeenkomst met die van zijn broer zijn enorm groot. Alles aan Olan doet met denken aan Olav. lk schud me los van de herinnering. Olan heeft gelijk. Het is echt al heel lang geleden dat ik langs ben geweest in zijn cafeetje. Maar het laatste gedeelte van zijn opmerking snap ik niet. De uitleg komt zonder dat ik erom vraag.

'De drankjes zijn na negen uur vanavond gratis.' Hij lacht en ik beloof hem dat ik langs zal komen.

Eerst ga ik naar boven naar de badkamer en douche me snel. Dat voelt beter. Even dreig ik in de verleiding te komen om mijn pyjama alvast aan te trekken maar belofte maakt schuld en daarom trek ik toch maar iets aan waarmee ik straks naar buiten kan voor een wandeling naar het café van Olan. Als ik in mijn gemakkelijke stoel zit merk ik dat ik iets teveel gegeten heb. Het was ook allemaal veel en veel te lekker. Ik maak mijn riem los en doe hem af. Het is niet zo dat mijn broek nu zal afzakken. Ik zucht. De dag heeft me geraakt. Het is allemaal zo anders … weer dat ene woordje … gelopen. Een planning is soms mooi, maar is het niet veel leuker om alles gewoon te laten komen zoals het komt? Een traan ontspringt aan mijn oog. Ik voel hoe hij over mijn wang naar beneden glijdt. Olav had dat ook vaak gezegd op het eind. En het is een waarheid als een koe maar soms … soms is dat wat komt wel erg hard. Te hard om mee om te gaan. Ik heb geen zin in melancholie nu en besluit om nu maar meteen aan mijn wandeling te beginnen. Een flinke wandeling zodat ik niet al te vroeg bij Olan aankom en niet het risico loop te veel te drinken. In de kamers op de bovenverdieping gaan alle lichten uit en ook de kerstboom. Dan loop ik naar beneden. Vanuit de werkruimte van de portier regel ik het zo dat alleen de kerstboom in de hal blijft branden. Dan controleer ik of ik mijn sleutels bij me heb, voer de veiligheidsroutines uit en sluit als laatste de voordeur van de ambassade goed af.

Ik loop een heel eind door het centrum van Oslo. Het doet me goed. Het opgeblazen gevoel in mijn lijf trekt weg en voel ik nou toch mijn broek afzakken? Ik grinnik om mijn eigen gedachten en sjor mijn broek omhoog. Ik loop door een park en merk op dat ik hier niet de enige wandelaar ben. Er zijn er meer die na een dag niets doen waarschijnlijk toch nog even in beweging willen zijn voor dat ze hun bed opzoeken. Bij een bankje aangekomen ga ik even zitten. Ik strek mijn benen voor me uit en geniet van het uitzicht op de grote vijver. Waarschijnlijk zullen hier morgen ook weer schaatsers actief zijn. En gelijk hebben ze natuurlijk. Ik voel een sneeuwvlok op mijn neus vallen. Begint het nou opnieuw te sneeuwen? Ik kijk naar de lantaarn naast het bankje en zie in het schijnsel ervan hoe die ene vlok niet de enige is die naar beneden komt. Dan toch maar opstaan en naar Olan's cafeetje gaan.

Olan heeft een bruin café in een klein steegje in het centrum van Oslo. Een gezellige plek met ouderwets authentiek meubilair, donker hout op de wanden en schaars verlicht. Samen met zijn broer had hij het gekocht en opgeknapt. Olav zorgde daarna voor de dingen achter de schermen terwijl Olan achter de bar stond. Een prima oplossing voor hen beiden. Na het overlijden van Olav heeft Niklas de zakelijke leiding op zich genomen. Iets waar Olan niet echt verstand van heeft en daarom is het verstandig dat hij het ook niet doet. Olan is de gezellige huisvader waar bij velen zich thuis voelen. Hij weet wanneer het goed is om alleen maar te luisteren. Te luisteren naar dat wat anderen kwijt willen aan de kroegbaas. Vaak is dat genoeg. Een antwoord daar zitten ze vaak niet op te wachten. Een stilzwijgende luisteraar is voldoende. En zo'n figuur is Olan. Natuurlijk … als je een antwoord van hem wilt kun je daarom vragen en dan krijg je hem ook. Ongezouten. Olan is niet diplomatiek. Hij geeft zijn mening duidelijk weer en ik heb vaak genoeg mogen meemaken dat zijn antwoorden mij prima pasten.

Tijdens het lopen naar "Bij O" is het sneeuwen toegenomen. Het lijkt erop alsof de winter zijn terughoudendheid van deze eerste kerstdag heeft laten varen en weer koning wil spelen. Wel waait de wind nu uit het oosten, zo merk ik op. Als ik de deur open waait een flinke hoeveelheid vlokken mee naar binnen en hoor ik Olan bars roepen: "Doe snel dicht die deur, man!"

'Oh, jij bent het!'

Hij heeft mij me herkend. Wat gerust een wonder mag heten want als ik in de spiegel naast de kledinghaken aan de wand mezelf opneem herken ik mezelf haast niet. Ik lijk meer op de verschrikkelijke sneeuwman of een sneeuwpop die uit wandelen is gegaan. Voorzichtig begin ik de sneeuw van mijn jas te kloppen maar Olan neemt die taak met een zachte veger al snel van me over.

'Service van het huis, meneer,' grapt hij.

'Jaja, maar doe je wel voorzichtig met me, ik moet nog langer mee!'

Hij laat een luide lach horen, helpt me uit mijn jas, haalt een rek tevoorschijn en zet dat naast twee andere voor de ouderwetse, zwarte kachel om daar vervolgens mijn jas over te hangen om te drogen. Met mijn jas hangen er nu drie. Een is van Olan, de ander van mij en de derde is van iemand die achter in de zaak zit en een fort van boeken om zich heen heeft gebouwd.

'Niet druk dus?'

'Niet echt. Eerder vanavond was het wat drukker maar ja … wat wil je … het is eerste kerstdag. Veel mensen zijn thuis.'

'Maar waarom sluit je dan niet gewoon de tent?'

'Ik wil er zijn voor degenen die behoefte hebben om er even uit te zijn,' zegt hij en voegt er dan met een knipoog aan toe: 'Zoals jij.'

'Vaste recept dan maar, broer,' zeg ik en wil me op een kruk aan de bar hijsen maar Olan stelt iets anders voor.

'Drankje oké. Het is van het huis vanavond maar laten we gezellig aan een tafeltje gaan zitten. Plaats zat, nietwaar?'

Hij heeft gelijk. Het zit beter en zo kunnen we ook – zittende tegenover elkaar – beter met elkaar praten. Als hij voor ons beiden iets ingeschonken heeft neemt hij tegenover me plaats. Al snel zijn we in een diep gesprek verwikkeld. Hoofdthema was de bijzondere dag van vandaag. Hoe gezellig het was en wat graag hij mee had willen helpen met het verwijderen van de grote oude eik. Ik bied hem opnieuw mijn verontschuldigingen aan maar die wuift hij meteen weg.

'Daarom zei ik het niet, broer! Ik vind het gewoon fijn om iets omhanden te hebben. Ik houd niet zo van deze dagen. Het is mij allemaal te lamlendig. Gelukkig houden Elske en de kinderen van lange wandelingen en hebben we vanmorgen dan ook al heel vroeg gedaan.'

'En dan beroof ik jullie morgen opnieu… '

'Niet zeiken, Edward! Sinds jij met Olav bent zijn we er altijd geweest op tweede kerstdag en dat doen we nu ook. En bovendien … als het na die ellendige toespraak van jou net zo gezellig wordt als vandaag … dan teken ik daarvoor.'

Opnieuw hoor ik hem lachen. Achter in de zaal wordt even opgekeken.

'Een vaste klant? Student?' vraag ik Olan.

'Twee keer ja. Ik weet niet precies waar hij woont maar wel dat hij de meeste avonden hier zit. Ik vind het prima zolang hij elk uur een consumptie afneemt, en dat doet hij keurig. En af en toe, zoals vanavond, knijp ik een oogje toe.'

'Wat studeert hij?'

'Hé, ik werk niet bij de inlichtingendienst! Ga het hem zelf maar vragen als je wilt, dan begin ik vast met opruimen want ik ga straks toch echt sluiten. En voordeel voor jou … je kunt hem aanspreken in je eigen taal.'

Ik kijk Olan vreemd aan maar krijg geen antwoord. Hij staat op, draait zijn rug naar me toe en begint met opruimen. Even weet ik niet wat ik moet doen maar als ik langer blijf zitten blijkt de twijfel alleen maar groter te worden. Zou de gast het niet vreemd vinden als ik hem aanspreek? Maar … wat bedoelde Olan nou precies met aanspreken in mijn eigen taal? Ik sta op, neem mijn glas mee en loop naar achteren toe. Als ik vlakbij ben, kijkt hij naar me op. Op zijn tafeltje liggen allemaal boeken met Engelse titels. Een Engelsman? Iemand die Engels studeert? Als ik zijn gezicht snel in me opneem, herken ik geen Scandinavische trekken. 'Goedenavond,' open ik, 'vind je het goed dat ik even bij je kom zitten? Als ik je stoor in je werk moet je het me ook zeggen, dan ga ik weer terug naar mijn eigen tafeltje.'

'Geen probleem,' zegt hij en veegt met een snel armgebaar een gedeelte van de boeken naar een andere plek op het tafeltje om plaats te maken voor mijn glas.

'Dank je,' reageer ik en ga zitten. 'Studeer je Engels?' Zijn antwoord is duidelijk en wordt meteen gevolgd door een lange uitleg. Aangezien ik hem aansprak in het Engels, antwoord hij ook in die taal maar aan het gemak waarmee hij spreekt en de perfecte uitspraak hoor ik dat hij van geboorte Engels is. Een landgenoot dus. En op de een of andere manier voelt dat heel bijzonder: Op de avond van eerste kerstdag een ontmoeting met een landgenoot, een jonge landgenoot. Maar … waarom zit hij hier, helemaal alleen, in Noorwegen Engels te studeren? Een vraag die ik nadat hij klaar is met zijn uitleg ook meteen verwoord.

'Waarom niet?' zegt de jongen en kijkt mij met grote open aan.

Ik slik. Die ogen. Ze zijn zo vreselijk mooi. Groen van kleur … ik slik opnieuw. Toen waren die ogen blauw maar werd ik er ook meteen door aangetrokken. De herinnering doet pijn. Vreselijk veel pijn en met enorm veel moeite lukt het mij om me groot te houden en als een dwaas – zo voelt het in elk geval voor mij op dat moment – te lachen om zijn antwoord. 'Ja, je hebt helemaal gelijk,' zeg ik dan om dat dwaze gelach in elk geval te stoppen, 'waarom niet.'

'De universiteit hier heeft een prachtige verzameling originele stukken van heel veel Engelse schrijvers, wist je dat?'

Ik schud mijn hoofd.

'En dat zou al reden genoeg zijn om hier te gaan studeren. Het is gewoon heerlijk om in de bibliotheek rond te lopen en je ogen uit te kijken naar al dat moois!'

Ik kijk ook goed uit mijn ogen. Ik neem het gezicht van de jongen – kan totaal niet schatten hoe oud hij is – heel goed in mij op. De ogen blijven me fascineren. Zijn haar is ravenzwart, zoals dat heet. Hij heeft een kleine neus en mooi gewelfde wenkbrauwen die tijdens zijn spreken steeds lijken te bewegen en andere vormen aannemen. Het maakt dat ik me vrolijk begin te voelen. Of … is het de whiskey die na eerdere alcoholische versnaperingen van deze dag net iets te veel is voor mij?

'En wat doe jij?'

In gedachten verzonken hoor ik de vraag in eerste instantie niet. Pas als hij tegen mijn arm tikt schrik ik op uit mijn overpeinzingen. 'Sorry. Ik heb iets gemist.'

'Geeft niets. Wat doe jij in Oslo want jij bent geen Noor. Ik hoorde je Noors praten met de barman, die je aansprak met "broer" maar jullie lijken totaal niet op elkaar en het is mij duidelijk dat je Engels beter is dan je Noors.'

'Je oren zijn prima en je bent een goed waarnemer. Ik werk hier al jaren. Af en toe ben ik een tijdje in het buitenland maar steeds kom ik weer terug.'

'Wat doe je voor werk?'

Ik vind zijn doorvragen leuk. Het houdt het gesprek gaande. 'Ik werk op de ambassade,' houd ik het opzettelijk – echt? – wat vaag.

'Ben jij de ambassadeur?'

Tijd om te antwoorden krijg ik niet.

'Toen ik in september hier kwam, nadat ik alle papieren vanuit Nederland had geregeld, heb ik de ambassade bezocht maar sprak ik met een ander. Ene … '

Als ik de naam van mijn vervanger wil noemen steekt hij zijn hand op om mij het spreken te beletten, pakt zijn smartphone en zoekt er iets in op.

'Anderson. Hij zei dat hij je vervanger was. Ik had vooraf op de site van de ambassade gekeken wie de ambassadeur was. Jij bent … euh … Reighton … '

Ik steek hem mijn hand toe en zeg: 'Ja, we hadden ons nog niet aan elkaar voorgesteld. Ik ben Edward Reighton en met wie heb ik het genoegen?'

Weifelend steekt hij mij zijn hand toe. 'Tim … , Sir.'

Zijn antwoord verbaasd op tweeërlei manier. Als eerste alleen die voornaam, die naar ik aanneem ook nog eens een verkorte vorm is van een officieel langere naam. Als tweede begint hij me ineens "Sir" te noemen, terwijl we elkaar daarvoor gewoon tutoyeerden. 'Niet om het een of ander maar waarom noem zeg je ineens "Sir" tegen me?'

'Omdat ik weet dat u een titel hebt, Sir. En ik ben goed opgevoed.'

'Die titel kan me wat!' merk ik schamper op. Ik hoor hem iets mompelen maar versta het niet. 'Dat heb ik niet goed verstaan, zou je het willen herhalen voor mij?'

'Laat maar. Sorry. Laat maar, Sir!'

'Zeg, doe mij een lol! Die titel van mij is totaal niet belangrijk. Ik heb hem geërfd maar vind het een vreselijk iets. Ik gebruik hem nooit. Je hebt waarschijnlijk gekeken op internet en daar mijn naam gevonden met die verdomde titel maar … ik vind het fijner als wij met elkaar praten op de manier zoals we net deden, voordat we ons aan elkaar voorstelden. Zullen we opnieuw beginnen?'

Hij knikt. 'Mij prima. Makkelijker ook.'

'Maar wat zei je nou net?'

'Ik zei dat we elkaar een hand konden geven.'

Nog steeds begrijp ik hem niet en het moet van mijn gezicht af te lezen zijn want hij komt meteen met een uitleg.

'Ook mij zeggen titels helemaal niets. Ooit krijg ik er zelf ook een maar ... het is totaal niet belangrijk. Lastig alleen zelf.'

'Echt?'

'Yep.'

'Wacht,' zeg ik. Er begint mij iets te dagen. Nou ken ik heus niet de namen van alle staatsburgers van het Verenigde Koninkrijk in het Koninkrijk Noorwegen maar natuurlijk ben ik wel door Anderson en anderen op de hoogte gehouden en heb ik namen voorbij zien komen tijdens de periode dat ik me weer aan het inwerken was. 'Tim … ' Het wil nog niet lukken. Het zit klem ergens.

'Probeer je nou mijn naam te vinden in je hoofd?'

Ik knik en tik vervolgens zachtjes tegen de zijkant van eerder genoemd lichaamsdeel.

'Niet te hard hoor,' grapt hij en glimlacht breed waarbij hij een stel mooie tanden laat zien.

'Tim … '

'Zover was je al. Het schiet niet echt op maar … als ik even graaf ik mijn geheugen ben jij 52 en ja … dan mag ik je niets kwalijk nemen. Dan begi… '

'Hé, snotneus,' reageer ik ferm terug, 'met mijn geheugen is nog helemaal niets mis! Timothy Balden. Dat is je naam. En ja, er is een titel maar die ligt nog in het verschiet. Pas als je vade… '

'Alsjeblieft zeg, laat die er buiten!'

Ik zie dat het glimlachende gezicht tegenover mij ineens vertrokken is. Zijn ogen, die net nog zo rustig leken, spuwen nu vuur en het glimlachende boogje van zijn mond is verworden tot een streep. 'Het spijt me. Het lijkt erop dat ik te ver ben gegaan.'

'Ligt niet aan jou. Ligt aan mij. Of misschien beter gezegd aan hem. Nou ja … het ligt gevoelig inderdaad.'

'Maar nog één opmerking, als het mag, en dan laten we namen en titels achter ons. Oké?' Ik zie zijn knikje en ga verder. 'Volgens mij is het eerder aan mij om "Sir" tegen jou te zeggen dan andersom.' En daarmee doel ik op het feit dat ik officieel een burggraaf (viscount in het Engels) ben en zijn vader een graaf (earl). Ik zie dat hij het begrijpt. De strakke lijn van zijn mond wordt weer tot een boogje gevormd.

'Maar dan weet je ook heel goed dat de titel niet van mij is. Dat ik officieel niet eens van adel ben. Blijkt weer eens. Allemaal flauwekul. En goed dat je aangegeven hebt dat we er over op houden nu. Ik ben Tim. Jij bent Edward. En je bent homo nietwaar?'



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



©Lucky Eye, december 2018
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 152
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 16:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 184 keer
Bericht Re: ANDERS ... een kerstverhaal door Lucky Eye » dinsdag 25 december 2018 07:12

Hoofdstuk 3

Directer kan haast niet. 'Over gevoeligheden gesproken.'

'Kom op zeg! Ik heb op het internet kunnen lezen dat jij een relatie hebt gehad en dat die … shit. Sorry. Inderdaad ongevoelig van mij. Het spijt me.'

'Het geeft niets, Tim. Je opmerking is juist. Ik ben homo. De gevoeligheid ligt aan mijn kant. Twee jaar geleden overleed mijn vriend. Hij was ernstig ziek.'

'Kanker?'

'Ja. Hij heeft gelukkig maar kort geleden. Olan daar,' en ik wijs naar mijn broer die druk bezig is alles af te ronden, 'is zijn broer.'

'Dat wist ik niet.'

'Olan praat er ook niet snel over, denk ik.'

'Maar waarom noemde je hem dan bij je begroeting broer?'

Ik legde uit hoe dat in de familie van Olav werkt. Daar wordt heel bewust geen onderscheid gemaakt tussen familie en aangetrouwde familie.

'Ik heb heel vaak met Olan gepraat. Maar … nee … hij heeft er nooit iets over gezegd.'

'Hij is een goed luisteraar, nietwaar?'

'Ja. Hij laat me in elk geval altijd in de waan dat het belangrijk is wat ik allemaal vertel.'

Daar gaat Tim de fout in. 'Hij vindt het belangrijk,' verbeter ik hem. 'Er is geen sprake van dat hij doet alsof. Acteren kan Olan heel erg slecht.'

'Dank je.'

Snappen doe ik zijn bedankje niet en dat geef ik hem dan ook aan.

'Even was ik mezelf aan het afkraken. Zocht ik naar een stukje zelfmedelijden, denk ik. Laat ik het zo zeggen … ook al is het voor niemand anders belangrijk wat mij in het verleden is overkomen … voor mij is het dat wel. En soms … soms heb ik het daar verrekte moeilijk mee.'

Voor het eerst lijkt het me alsof het fort dat om hem heen gebouwd was – en nu bedoel ik niet de boeken – aan het afbrokkelen is. Ik zie hem zoals hij echt is. Heel even echter maar want al snel verbergt hij zich weer door er een grap van te maken.

'Moet je mij horen! Op de avond van eerste kerstdag zit ik een beetje moeilijk te doen.'

Zijn glimlach is breed maar bij zijn ogen trilt er iets. Mijn eerste ingeving is om zijn opmerking te pareren maar ik bedenk me. Diplomatie vereist soms dat je even je mond houdt. En daar kies ik voor op dit moment. Vervolgens werp ik het over een andere boeg. 'Ben jij ook homo? Heb je een vriend?'

'Een keer ja, een keer nee.'

Het korte antwoord zet me aan het analyseren. Hij heeft duidelijk twee kanten. Soms kan hij praten als een waterval en op andere momenten beperkt hij zich erin. Maar … het gesprek met hem doet me goed. 'Wil je nog wat drinken?'

'Euhh … volgens mij wil de barman dat we opstappen. Hij is aan het heen en weer drentelen zonder nog iets nuttigs te doen, zo heb ik het idee.'

'En dat drentelen doet hij omdat hij ons niet wil storen. Zo ken ik hem. Olan?' zo richt ik me tot mijn hem, 'Wil je dat we opstappen?'

'Euhh … nou ja … '

'Prima. Dan stappen we op. Tenminste ik neem aan dat het voor jou geen bezwaar is, Tim?'

'Het is prima. Tijd om op huis aan te gaan.'

Hij veegt zijn spullen bijeen en propt ze in zijn rugzak. Ik pak een boek dat op de grond gevallen moet zijn op en geef het aan hem. Het is geen studieboek maar een roman. En hij heeft meteen het gevoel dat hij zich moet verontschuldigen.

'Voor de afwisseling. Ik kan niet constant bezig zijn met studeren.'

'Waarom geef je me een uitleg?'

'Tja … nou ja … laat maar.'

'Is goed.'

Bij de kachel, die Olan al een tijdje terug had uitgezet, trekken we onze jassen aan en vervolgens leidt Olan ons naar de achterdeur van het pand. Buiten sneeuwt het nog steeds. Olan omhelst en kust me, zoals we gewend zijn bij een begroeting en afscheid, en zegt: 'Tot morgen.' Dan loopt hij bij ons weg.

'Familiebijeenkomst morgen?'

'Een feestje voor buren, vrienden en familie op de ambassade. Een traditie die al in de negentiende eeuw is begonnen.'

'End terug dus.'

'Dat kun je wel zeggen. Ik moet die kant op,' en ik wijs de richting aan. 'Jij?'

'Ik ook.'

We lopen gezamenlijk weg en de eerste tijd praten we niet. Het voelt goed. Ik heb niet de behoefte om de stilte te verbreken en hij waarschijnlijk ook niet. Het is opmerkelijk rustig in het centrum. Iedereen thuis of al in bed. Ik voel me totaal niet moe. Ben de hele dag al in touw maar toch ben ik zo helder als wat. Hoelang we precies in stilte gelopen hebben weet ik niet maar eensklaps merk ik dat ik alleen maar mijn eigen voetstappen in de sneeuw hoor. Ik draai me om. Tim wijst naar een pand. 'Je woont hier?'

'Ja. Helemaal bovenin.'

'Veel trappen op en af elke dag dus.'

'Zorgt dat ik enigszins getraind blijf.'

'Volgens mij zie je er prima uit,' zeg ik zonder reden maar gewoon om weer te geven wat ik heb geconstateerd.

'Zonder kleren ben ik een mager scharminkel.'

'Je hoeft jezelf niet zo af te kraken hoor!'

'Dit keer is het geen zelfmedelijden maar realiteit. Ben niet een sportief type.'

'Met zoveel trappen elke dag is dat ook niet nodig,' grap ik en hij moet erom lachen. Gelukkig maar.

'Heb je zin in een kop koffie of iets anders?'

Het voorstel overvalt me. Maar zoals gezegd, ben ik totaal niet moe en dus loop ik even later met hem de trappen op naar de zolderverdieping. We hebben beneden onze schoenen uitgetrokken om de slapenden in het huis niet wakker te maken. Dat maakt echter wel dat ik me balorig begin te voelen. Alsof ik een stiekeme insluiper ergens ben. Tim maant me tot stilte als ik mijn gegrinnik niet meer in kan houden. Maar mijn ingehouden gelach werkt aanstekelijk op hem. De laatste trap nemen we beiden proestend.

'Idioot!' zegt hij en geeft me een stomp tegen mijn arm.

'Auw! Voor iemand die niet zo sportief is heb je een flinke mep in huis.'

'Kom op zeg! Zo hard was het niet.'

'Je hebt gelijk. Ik stel me aan.'

'Wat wil je drinken?'

Ik vraag hem of hij whiskey heeft en na enig zoeken diept hij een fles ergens op. Ik houd mijn jas, net als hij, aan. Het is vreselijk koud in zijn flat. Ik noem het maar zo maar eigenlijk mag het die naam niet hebben. Het is één grote ruimte. Met een bed, een eetkamertafel met vier stoelen, een bank, een keukenblok met kraan en in een hoek een douchegordijn waar zich naar alle waarschijnlijkheid een douche achter bevindt. Ik krijg het nog kouder als ik denk aan douchen bij deze temperatuur. Het tocht ergens vandaan.

'Ga zitten,' spoort Tim me aan, reikt mij een goed gevuld glas en gaat zelf op de bank zitten.

Ik ga in een stoel zitten maar spring snel weer op omdat ik boven op een paar boeken heb plaats genomen.

'Sorry. Mijn boeken laat ik altijd overal slingeren. Valt het je tegen?'

Even volg ik hem niet.

'Mijn flat.'

'Ah. Euh … tja … ik heb flats gezien die er beter uitzien. De kinderen van Olan en Elske wonen ook op zichzelf en die … nou ja … je vroeg om een vergelijking.

'Ja. Eigen schuld, dikke bult.'

'Als jij hier met plezier woont is het goed toch?'

'Ik ben hier meestal alleen 's nachts. Om te slapen.'

Hij had dan wel geen vriend, geen vaste vriend neem ik aan, maar ik vraag me af of hij af en toe hier iemand mee naar toe neemt. Op dit moment moet ik een open boek zijn.

'En mocht je eraan denken, nee ik neem hier nooit iemand mee naar toe.'

'Oh. Dus ik ben een uitzondering?'

'De bekende die de regel bevestigt. Proost!'

We heffen onze glazen naar elkaar en nemen een slok. De smaak is prima. Het verwarmt me opnieuw goed van binnen en met de kou hier is dat geen overbodige luxe. Plotseling hoor ik iets tikken. Zoekend kijk ik om me heen.

'Niet op letten. Is een van de vele drups hier boven.'

'Drups?' Herhaal ik het mij onbekende woord.

'Ja. Lekkage. De sneeuw op het dak drupt langzaamaan naar binnen en op die plekken heb ik een pannetje of emmertje staan. Zolang ik de kachel uit laat is het prima maar als ik het hier iets probeer te verwarmen krijg ik die drups.'

Ik sta op en loop in de richting van het geluid om meteen te constateren dat ik ook op andere plaatsen eenzelfde soort geluid hoor. 'En hoeveel pannetjes en emmertjes heb jij inmiddels moeten aanschaffen?'

Hij lacht. 'Ik weet het niet.'

Snel om me heen kijkend en goed luisterend kom ik tot zeker zeven verschillende drups. 'Dit is te gek, man! Dit is geen flat, dit is een krot!'

'Dankjewel!'

'Nee, geen verwijt naar jou toe maar … zoiets zou gewoon niet verhuurd mogen worden. Ik neem aan dat je hier nog fors voor moet betalen ook!'

'Ja ik betaa… '

'Nee. Niet belangrijk. Heb je erover geklaagd bij je verhuurder? Wil je dat ik iets voor je doe?' En meteen ik dat ik te ver ben gegaan. STOM!

'Ik kan me zelf prima redden. Dank je! Ik heb daarvoor niemand nodig en zeker niet de ambassadeur van mijn thuisland!'

'Mijn excuses. Oprechte excuses. Ik had het niet moeten zeggen. Je bent volwassen en ja … dan kun je jezelf redden maar … sorry dat ik toch verder ga … met kerst zou je niet in zo'n krot moeten zitten.'

'Oh … alleen met de kerst niet?'

'Alle dagen niet maar … Waarom ga je niet met mij mee naar mijn huis?'

'De ambassade?'

'Ja. Daar woon ik. Heb eigen vertrekken op de eerste verdieping waar het in elk geval niet lekt.'

'Maa … '

'En ga me niet vertellen dat die drups je vertrouwd in de oren klinken, dat het iets huiselijks heeft.'

De serieuze trek op zijn gezicht toen hij meende zich te moeten verdedigen verdwijnt langzamerhand maar nog niet geheel als hij zegt: 'Maar dit is wel mijn stek.'

En dan begrijp ik het ook nog. Een plek van hemzelf. Iets dat hij zelf gevonden heeft of op aangeven van iemand op de universiteit want ik hoop van ganser harte dat niet iemand op de ambassade hem dit heeft genoemd.

'Snap je?'

'Ja. Maar … het tocht hier, het is hier stervenskoud, zo koud dat we nog steeds onze jas aan hebben, er zijn heel veel drups,' en ik schiet in de lach als ik het woord dat hij bezigde gebruikt, 'snap je mij ook? Snap je als ik dit vreselijk rot vindt?'

Zijn lach bevriest op zijn gezicht. De kromming van zijn mond zie ik, net als eerder, tot een rechte streep worden. Zijn ogen schieten vuur. 'Ik wil geen medelijden!'

'Sorry. Zo is het ook niet bedoeld. Dit is jouw stek. Prima. Maar … op de een of andere manier … noem me maar een oude dwaas … heb ik het idee dat wij elkaars gezelschap vanavond op prijs stellen. Toch?' Hij reageert niet, staat op, draait zijn rug naar mij toe en kijkt naar een raam. Een raam waardoor hij niets kan zien vanwege het duister buiten. Ik sta ook op. Voel me onhandig. Ik dacht dat de kou uit de lucht was maar toch nog niet dus. Zijn rug naar me toe, voelt alsof hij me afwijst, alsof ik niet meer gewenst ben. 'Als je wilt dat ik ga, dan ga ik.'

'Nee, dat is het niet.' Dan draait hij zich om.

Ik zie de tranen over zijn wangen biggelen en heel snel ben ik bij hem om dan … me toch in te houden.

'Kom op, lul! Troost me! Ik heb dat nodig! Nu nodig! Op eerste kerstdag nodig!'

Snel sla ik mijn armen om hem heen. Het is niet dat het niet goed voelt, maar het is vooral dat ik weet dat hij nu iemand nodig heeft. Ik ben er voor hem. Niet voor mezelf.

'Dank je, Edward! Ik moet me niet zo aanstellen,' zegt hij als hij wat rustiger is geworden.

'Hé, volgens mij is dit geen aanstellen maar gewoon jezelf zijn.'

'Kerst is iets geks,' mompelt hij tegen mijn schouder, 'ineens lijkt alles anders te voelen. Ineens wil ik dat thuisgevoel dat ik niet heb. Hier niet heb. Al jaren niet heb. En ja … ik ga graag met je mee.'

Ik ben verbaasd.

'En niet voor de seks of zo, want dat kun je wel vergeten! Ik wil gewoon kijken of het bij jou huiselijker is. Of jij wel een kerstboom hebt staan.'

Ik kan er niets aan doen maar schiet in de lach. Opnieuw krijg ik een stomp. Opnieuw roep ik "Auw". En dan vraagt hij me of ik hem eindelijk eens wil loslaten. Het eerste wat in me opkomt is me verontschuldigen maar ik doe het niet. Ik meen heel goed aan te kunnen voelen dat hij me plaagt en als ik zijn blik opzoek, weet ik dat ik het bij het rechte eind heb en laat ik hem nog niet los. 'Wil je echt mijn kerstboom bekijken?'

'Dus je hebt er echt één staan?'

'Wel twee! Een beneden in de hal van de ambassade en een boven in de woonkamer.'

'Die in de hal telt niet. Dat is iets zakelijks!'

'Ben jij gek! Die heb ik samen met mijn secretaresse versierd!'

'Echt? Dat doe je toch niet? Daar heb je toch personeel voor?'

'Adelijke kwast,' nu verontschuldig ik me wel meteen maar krijg voor de – de tel kwijt – zoveelste keer een stomp, 'het personeel en ik, wij werken samen.'

'Maar jij bent de baas.'

'Overal waar ik als ambassadeur heb gewerkt, heb ik meteen duidelijk gemaakt dat ik niet als baas gezien wil worden. Ik voer mijn taken uit, net als alle anderen.'

'En noemen ze je dan ook gewoon bij je voornaam?'

'Ja.'

'Niet Sir Edward? Of Lord Reighton? Mylord' [NAKIJKEN]

'Kom op zeg! Dat is toch geen samenwerken. Die woordjes voor mijn namen gebruik ik, misbruik is een beter woord, alleen maar op bepaalde plaatsen.'

'Zoals.'

'In hotels werkt het heel erg goed. Soms doen ze moeilijk als je niet gereserveerd hebt. Dan hebben ze geen enkele kamer beschikbaar. Maar zodra ik dan mijn titel laat vallen, dan is er net iets beschikbaar gekomen.'

Tim lacht. Ik voel dat het mij goed doet. Dan zegt hij dat hij dat van die hotels moet zien te onthouden en dat ik hem nu werkelijk los moet laten omdat hij anders die kerstbomen van mij nooit te zien zal krijgen.

Giechelend lopen we op onze sokken naar beneden. Raar dat je ineens zo aan het giechelen kunt slaan. Buiten sluit hij de voordeur heel voorzichtig. De omzichtigheid waarmee hij dat doet geeft mij het gevoel dat hij anderen absoluut niet wil storen. Logisch wellicht ook want het moet al tegen middernacht zijn. Ik merk dat het buiten nu veel kouder aanvoelt dat eerder. De sneeuwval is heviger geworden en de wind die ons recht in het gezicht blaast waait harder. Voorovergebogen ploegen we ons een weg door het zo goed als verlaten centrum. Bij de klok op het plein kijk ik omhoog en zie dat het al één uur geweest is: al tweede kerstdag. Een voorbijrijdende taxichauffeur remt, rijdt iets terug en vraagt ons of hij ons ergens heen kan brengen. "Gratis, heren, omdat het kerst is!" We kijken elkaar aan en overleggen even. Als ik Tim vertel dat het nog zeker een half uur lopen is, stapt hij zonder me verder iets te zeggen achter in de taxi. Als ik naast de chauffeur zit, voel ik me ineens heel erg moe en als ik achterom kijk merk ik dat dat voor Timoty ook zo is. Hij zit met zijn armen om zich heen geslagen in een hoekje van de achterbank, zijn ogen gesloten.

'Hebt u uw zoon opgehaald van het station? Toch nog met de laatste trein thuisgekomen voor de kerst?'

Het voelt voor mij goed om het fijne idee dat de man heeft niet te verstoren en knik.

'Altijd fijn om te weten dat ze graag weer naar huis willen. Op zichzelf wonen prima, maar nergens is het beter dan thuis.'

Opnieuw kijk ik achterom. Ik vraag me af om Tim dit zou kunnen onderstrepen. Ik heb het gevoel van niet. Helaas.

Bij de ambassade aangekomen fluit de chauffeur tussen zijn tanden. 'Wauw, heb ik zomaar zonder het te weten een ambassadeur vervoert?'

Ik klop hem op de schouder, wens hem een prettige tweede kerstdag en leg een biljet naast hem op de stoel. Hij wil er niets van weten maar Tim en ik zijn al uitgestapt en het kleine bordes opgelopen. Ik steek de sleutel in het slot en open de deur voor mijn gast waarbij ik hem vraag naar binnen te gaan maar niet meteen verder te lopen.

'Waarom niet?'

'Veiligheidsprocedures,' verklaar ik en sluit de deur achter me door eerst de sleutel om te draaien en vervolgens een grendel boven en onder dicht te schuiven. In de kleine ruimte tussen de voordeur en de deur erachter brandt altijd een zwak licht. Ik til het klepje van een kastje aan de wand links op, toets een code in en vervolgens steek ik twee sleutels in de sleutelgaten waar ze bij horen van de tweede deur. De onderste draai ik als eerste om en dan pas de bovenste.

'Moet dat echt zo precies?' wil Tim weten.

'Ja.'

'En wat als je dat niet zo doet?'

'Dan gaat er een stil alarm af bij de alarmcentrale en wemelt het binnen tien minuten van de veiligheidsmensen.'

'Wauw. Dus nooit met een dronken kop thuiskomen voor jou! Heb je het wel eens verkeerd gedaan?'

'Nee, grapjas, nog nooit. Maar ik moet je eerlijkheidshalve wel zeggen dat mijn secretaresse toen ik hier voor het eerst was heel lang met me heeft geoefend.'

'En die code? Verandert die regelmatig?'

'Elke dag.'

'Man! Niet te doen!'

'Echt wel. Er zit een systeem in die ik jou niet aan je neus ga hangen, maar laten we doorlopen want ik moet nog een laatste ding doen.' Ik ga hem voor en loop naar de portierslogé. Hij is echter afgeleidt, volgt me niet maar loopt met versnelde pas door de hal naar de kerstboom die links van het reeds opgestelde spreekgestoelte staat. 'STOP!' schreeuw ik hem achterna. Als bevroren blijft hij staan.



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



©Lucky Eye, december 2018
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 152
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 16:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 184 keer
Bericht Re: ANDERS ... een kerstverhaal door Lucky Eye » dinsdag 25 december 2018 07:13

Hoofdstuk 4

'Heb ik iets stoms gedaan?' zegt hij zachtjes maar wel zodanig dat ik het goed kan horen.

'Rustig blijven staan. Sensoren hebben jouw beweging nu opgepikt terwijl ik de laatste handeling nog moest verrichten.'

'Waarom heb je mij dat niet vertelt, dude!'

Ik moet lachen om het woordje waar hij me mee aanspreekt. 'Omdat jij, toen jij die kerstboom zag, zowat wegrende! Maar nu blijven staan en laat mij mijn ding doen.'

'Wemelt het nu binnen tien minuten van de veiligheidsmensen?' vraagt hij benepen.

'Wacht maar af!' Ik ontsluit de werkplek van de portier door opnieuw een code, een andere natuurlijk, in te toetsen. Binnen knipperen er nu twee lampjes op het controlepaneel. Normaal zou dat er één zijn, die ik met een 4-cjferige code kan uitzetten. Ik toets de code in en zie één van beide lampjes doven. Voor de tweede moet ik een telefoontje plegen. Ik krijg de alarmcentrale aan de lijn en krijg door een dame twee vragen voorgeschoteld. Het antwoord op de tweede zorgt ervoor dat de vrouw in de alarmcentrale weet met wie zij van doen heeft. Als ik beide antwoorden gegeven heb, lijkt het alsof de stem aan de andere kant van de lijn ineens vriendelijker klinkt.

'Goedemorgen … euhh … een wel heel vroege goedemorgen, meneer Reighton, kunt u mij zeggen wat er aan de hand is?'

Eigenlijk vind ik het privé. Het is mijn zaak dat ik iemand mee naar huis heb genomen en daar heeft niemand iets mee te maken. Maar … ik weet ook dat ik daar nu niet om moet malen. Gewoon eerlijk antwoord geven zorgt ervoor dat alles snel opgelost kan worden. Door het raam kijk ik naar Timothy die nog steeds stokstijf stil staat en dat zorgt ervoor dat ik bijna in de lach schiet. 'Een gast van mij vergat de veiligheidsinstructies. Mijn fout natuurlijk ik had betere instructies moeten geven.'

'Geen probleem, meneer. Als u even wacht zal ik alles regelen.'

Als de vrouw zich opnieuw meldt, bedank ik haar en ga ik terug naar de hal. 'Beweeg maar weer, Tim, alles is veilig nu.' Ik hoor hoe hij een diepe zucht slaakt en dan verder naar de kerstboom loopt.

'Vind je dit nou echt mooi?'

'Nee. Niet echt. Mijn persoonlijke smaak is anders.'

'Maar waarom heb je hem dan zo opgetuigd met je secretaresse?'

'Deze boom maakt deel uit van de ambassade. Daarom. De piek en heel veel ballen zijn al jaren oud. Ooit door mijn voorgangers aangeschaft. Traditie dus.'

'Saai, noem ik het.'

'Ieder zijn smaak, Tim.'

'Ja. Laten we het daarop houden.'

'Maar als je het niet erg vind, ga ik nu graag naar boven want ik moet heel nodig naar het toilet.' Wachten op antwoord doe ik

'Moet je boven ook weer allerlei sleutels en codes gebruiken?'

Ik lach om de verontruste blik op zijn gezicht. 'Vind je dit allemaal niet voldoende veiligheid?'

'Ik wel! Moet er niet aan denken dat ik die hele rimram zou moeten onthouden! Vreselijk gewoon!'

'Valt reuze mee. Ben eraan gewend.' Timothy bromt iets maar ik kan hem niet goed verstaan. Omdat ik geen zin heb hier een discussie te gaan voeren en omdat ik echt nodig moet, pak ik hem bij de arm en neem hem mee de trap op.

'Hé, laat me eens los, man! Ik kan zelf wel lopen hoor!'

Mijn handeling was vriendelijk bedoeld en opnieuw besluit ik niet te praten maar laat ik hem wel los. Als ik al door de dubbele deur naar mijn privévertrekken ben, staat hij er nog voor te dralen. 'Kom je?' probeer ik hem aan te sporen.

'Werkt dat echt?'

'Wat?'

'Dat lullige bordje met "Privé" erop.'

'Ja, dat werkt echt en kom nu verder want ik moet hoognodig naar het toilet.'

'Je mag ook wc zeggen hoor. Toilet vind ik kakkerig klinken. Nou ja … misschien moet je ook niet altijd je afkomst verloochenen. Wat jij?'

'Ik wil niet discussiëren, makker! Ik wil plassen!'

Hij schiet in de lach en volgt me. Ik duw de deur van de woonkamer voor hem open, duw hem haast naar binnen omdat hij weer op de drempel staat rond te kijken, ren naar de wc – hij zijn zin – en leeg mijn blaas. Als ik opgelucht terug naar de woonkamer ga, zie ik dat hij niet vlak na de drempel is blijven staan. Gelukkig niet. Hij voelt zich thuis, zo heb ik het idee. Hij heeft twee schemerlampen aangeknipt en ook de schakelaar voor de lichtjes van de kerstboom gevonden.

'Deze vind ik prachtig!' klink het verrukt. 'Dit doet me denken aan mijn kerstboom van vroeger.' Zijn gezicht betrekt weer. De gelukzalige blik van zo-even is weer verhard. 'Thuis hadden wij er ook twee. De ene was, net als die van jou beneden, voor de traditie. Allemaal antiek. Hartstikke duur. Ik mocht er van mijn vader op twee meter afstand en met de handen op de rug naar kijken. Dat maakte dat ik die boom vreselijk vond. Er zaten bovendien geen echte dingen in … vond ik. Het leefde niet. Natuurlijk was het wel een echte boom. Geen kunst maar … '

'Ik denk dat ik je snap.' Ik loop naar mijn boom toe en haal er iets uit. 'Kijk, dit is gemaakt door Niklas, en dit,' ik wijs iets anders aan, 'door Ilvy.'

'De kinderen van Olan en zijn vrouw.'

'Ja.'

'Dat bedoel ik. Zelfgemaakte dingen in een boom zorgen ervoor dat hij leeft. En dan maakt het geen klap uit dat het niet allemaal bij elkaar past. Sommige mensen noemen zoiets een kermisboom maar daar heb ik lak aan. Mijn boom van vroeger leefde en deze van jou ook.'

Ineens staat hij vlak bij mij en kust me op mijn linker en rechter wang.

'Bedankt dat je me mee hebt genomen naar je huis, dat je niet hebt opgegeven na mijn moeilijk doen.'

Antwoorden kan ik nog niet. Ik voel nog steeds zijn lippen op mijn wangen en ben even helemaal van de wereld. Maar snel daarna ruk ik me ook weer los uit deze dagdroom – beter gezegd nachtdroom. Hij staat nog dicht bij me.

'Als je vanmiddag ook zo achter dat spreekgestoelte staat, is het officiële gedeelte snel afgelopen. Beter misschien ook om maar meteen met de feestelijkheden te beginnen! Zeg eens wat, dude!'

'Sorry … ik was even de kluts kwijt.'

'Omdat ik je op je wangen kuste?' klinkt het met groot ongeloof uit zijn mond. 'Volgens mij heel normaal onder homo's hoor!'

'Ja. Ik … ,' ik zoek een uitweg, 'ik bedoel … ik vind niet dat het nodig is dat je mij bedankt. Jij hebt er zelf voor gekozen om met mij mee te gaan. Na een aarzeling, dat wel, maar toch komt het helemaal vanuit jou.'

'Volgens mij is het iets anders en speld je me nu wat op de mouw. Althans, dat probeer je. Maar … laten we het daar bij laten. Ik ben moe. Jij?'

Ik knik maar blijf staan waar ik sta.

'Moe zijn betekent in mijn optiek dat ik naar bed wil. Heb je ook een bed hier? Kan ook zelf op onderzoek uitgaan hoor!'

'Nee, niet nodig. Sorry.' En nog steeds blijf ik staan waar ik sta. Hij pakt me bij de hand, trekt me mee naar de bank en duwt me erop neer.

'En nu gaan we, moe of niet, toch eerst praten.' Hij ploft naast me neer. 'Wat is er nou ineens aan de hand? Wat heb ik gedaan dat jij ineens alle woorden kwijt lijkt te zijn? Ik tref op de avond van eerste kerstdag een leuke gesprekspartner en ineens … geen woord meer bijna! Heb ik iets verkeerd gedaan of gezegd? Is dat het? Vertel het me dan!'

'Nee. Sorry.'

'Niet doen. Niet steeds sorry zeggen. Allemaal flauwekul. Zeg me gewoon wat er is.'

Met grote moeite herpak ik me en dan zijn de woorden er gelukkig wel. 'Het zijn je ogen. Het waren je ogen. En die kussen.'

'Ik heb je niet eens op je mond gekust, dude!'

'Nee. Maar toch. Het voelde zo vreselijk goed en tegelijkertijd … weet ik dat … '

'Ah, de ook mij overbekende twijfel heeft toegeslagen. Wat weet je, Edward! Vertel het me!'

'Ik heb het gevoel dat het nooi… '

'Oh. Dat het nooit iets zal kunnen worden tussen ons.'

Hij was de bekende goede verstaander die maar een half woord nodig had. Ik knik want ik kan me gewoon niet voorstellen hoe het ooit iets tussen ons kan worden. Wat leeftijd betreft kan ik zijn vader zijn! Ik ben veel en veel te oud voor hem!

'Leeftijd, want ik denk dat het daarom gaat, doet er niet toe, Edward! Niet voor mij. En haal het stomme idee uit je hoofd dat je een pedofiel zou zijn!'

Opnieuw haalt hij uit mijn stilzwijgen, uit de woorden die ik niet uitgesproken heb, dat wat mij werkelijk bezighoudt. Hij is bijzonder.

'Een pedo heeft belangstelling voor kinderen. Ik ben een man! Ik ben bijna twintig jaar oud. Ik ben volgroeid. Wat mager, omdat ik het laatste jaar flink afgevallen ben, maar wel volgroeid en dus kan nooit iemand jou een pedofiel noemen! En voor mij zou ook dat er niet toe doen. Ik maal er niet om wat anderen denken. Ik heb belangstelling in jou omdat ik iemand zoek. Iemand die mij een beetje begrijpt en … ik heb het idee dat jij dat goed kunt. Je bent net als Olan een goede luisteraar maar in tegenstelling tot hem geef jij wel heel duidelijk je eigen mening ook als ik daar niet om gevraagd heb. Ik zoek iemand die mij een beetje een thuisgevoel kan geven omdat ik dat mis. Ik … ik zwerf al een aantal jaren van de ene naar de plaats. Ben mijn rust kwijt. Mis mijn ijkpunt. Ben uit het lood geslagen en geloof me, dat voelt heel erg rot. Ik … ik wil weer tot mezelf komen. Mezelf weer vinden, mezelf weer ontdekken, ik wil weten wie ik ben. En het maakt me niet uit dat jij met je eigen mening me af en toe iets te snel bent, meent iets voor mij te moeten regelen. Ik fluit je wel terug, ik zal je duidelijk aangeven wat ik wel en niet pik van je. En geloof me, ik wil absoluut niet meteen seks. Ik … ik … ik vind … ik wil … shit … nou begin ik zelf ook nog te hakkelen met woorden.'

Ik begrijp dat hij het moeilijk heeft met dat wat hij wil zeggen en daarom pak ik zijn hand beet en knijp ik er zachtjes in. 'Woorden zijn soms moeilijk. Neem de tijd, geef ze een kans om eruit te komen en daarbij maakt het niet uit hoe ze eruit komen,' zeg ik goedbedoelend terwijl ik zojuist zelf niet uit mijn woorden kon komen, niet de juiste woorden kon vinden.

'Gelukkig. Je hebt weer woorden gevonden. Daar ben ik blij om, Edward.'

'Ik was even heel erg stom bezig. En dat is niet handig. Ik moet leren om open naar jou toe te zijn want ik kan ook heel goed iemand gebruiken in mijn leven. Ik wil jou ook graag als vriend. En ook ik ben niet op zoek naar seks. Hoe mooi seks ook kan zijn, het mag voor mij niet de basis zijn van iets dat ik met iemand anders wil beginnen. Eerst moet er iets anders zijn.'

'Vriendschap?'

'Ja. Dat lijkt mij een goede basis om mee te beginnen.'

'En vandaar uit kijken wat ervan komt. Is dat jouw bedoeling?'

'Ja. Voor mij zou het zo goed werken. Voor jou?'

'Ja, ook voor mij. In mijn verleden heb ik stomme dingen gedaan. Niet te hard knijpen in mijn hand om me gerust te stellen want ze waren echt enorm enorm enorm enorm stom. Ik … heb een probleem. Ik … ik …'

Een diepe zucht volgt en hij valt stil. Ik zie op zijn gezicht dat hij het opnieuw moeilijk heeft. 'Het maakt niet uit wat je me wil zeggen, Timothy, je kunt alles bij me kwijt. Ik ben je vriend, jij bent mijn vriend. In een echte vriendschap werkt het zo dat je alles bij elkaar kwijt kunt. Dus kom op, laat het me horen wat je dwars zit. Dan kan ik naar je luisteren. En geloof me ik zal alleen maar luisteren en … wellicht iets opbeurends spreken omdat ik niet zal toestaan dat jij jezelf de grond in trapt.'

Een glimlach breekt door op zijn bedrukte gezicht. 'Volgens mij schat je me aardig goed in. Weet je wat ik mezelf vaak aandoe. Oké, daar komt ie dan … ik kan heel erg snel verliefd worden. Te snel verliefd worden. En dat is dan vaak een verkeerd soort van liefde: blinde liefde. Ik zie dan alleen maar het goede van de ander. Terwijl iedereen, zo weet ik nu uit ervaring, ook een andere kant heeft. Maar … als ik verliefd ben … dan … zie ik dat niet meer. Ik wil dus oefenen. Ik wil opnieuw leren wat het is om verliefd te worden. Maar dan wel op een andere manier. Realistischer. Niet met de bekende roze bril op. Is dat stom?'

Ik ben blij dat hij onze vriendschap als een beginpunt wil zien. Hij heeft het over verliefdheid en mijn hart sprong op toen hij dat woord uitsprak. Ik zeg hem dat dat absoluut niet stom is. Dat het juist heel fijn voor hem is dat hij inzicht verkregen heeft in dat wat er in het verleden op het gebied van liefde voor hem niet goed is gegaan.

'Dank je. En jij? Wat over die ogen van mij … van die ander?'

Ik vertel hem over mijn ontmoeting met Olav. Dat er door het kijken in de ogen van elkaar eigenlijk meteen een band was tussen ons beiden. Dat die band er niet meteen toe leidde dat we seks hadden. Dat er eerst vriendschap was, die leidde tot verliefdheid en resulteerde in een relatie. 'En toen ik jou in je ogen keek, voelde ik precies hetzelfde als zoveel jaren geleden. Een verbintenis tussen jou en mij. Noem me maar gek! Verliefd op het eerste gezicht? Wie weet. Ik weet het even niet maar ik wil, zeker vanwege jouw woorden van zo-even, alles een kans geven.'

'Daar ben ik blij om, Edward! Dat doet me echt goed!'

Hij opent zijn armen en ik nestel me erin. Het voelt zo ontzettend goed. Ik heb dat stukje geborgenheid nodig op dit moment.

'Eén ding moet je me wel beloven,' zo begint hij na een poosje.

'En dat is?'

'Dat je vanwege mij of wat wij mogelijk met elkaar gaan krijgen Olav nooit mag vergeten.'

'Dat beloof ik je. Kan ik ooit niet.'

'En ik wil heel graag van jou weten wat jullie voor elkaar betekend hebben. Niet om het te kopiëren maar om er mogelijk van te leren. Ik ben een oen in de liefde, zoals ik al zei. Heb het tot nu toe vanwege mijn eigen kortzichtigheid steeds verknald en me in de nesten gewerkt.'

'En ik, op mijn beurt, wil heel graag van jou weten hoe dat allemaal precies zit. Maar … ik kan me heel goed voorstellen dat het een gevoelig onderwerp is, en daarom vraag ik je om er alleen met mij over te praten als je eraan toe bent. Geen seconde eerder. Beloof je me dat?'

'Ja. En ik zal je meer vertellen. Over mijn vader, mijn tante, mijn vlucht weg van huis. Dat heb ik een plaats kunnen geven allemaal. Dat zal ik je allemaal vertellen. Maar niet nu. Mijn ogen vallen zowat dicht.'

Het valt me op dat hij in het rijtje genoemde familieleden het niet over zijn moeder heeft. Hebben we nog een overeenkomst: een ouder die ons te vroeg ontvallen is? 'Kom,' zeg ik en sta op van de bank, 'dan laat ik je de logeerkamer zien en maken we samen het bed op.'

'Geen denken aan. Veel te veel werk. Ik heb even een blik in jouw slaapkamer hiernaast geworpen en gezien dat daar een tweepersoonsbed staat en daar kan ik prima in slapen. Niet moeilijk doen, Edward.'

Moeilijk doen daar heb ik geen zin in. Ik ga hem voor naar mijn slaapkamer en laat hem de aangrenzende badkamer zien. Ik haal een tandenborstel voor hem op uit de kast op de gang en daarna poetsen we staande naast elkaar voor de dubbele wasbak onze tanden. Ik trek mijn pyjama aan en hij trekt zijn trui, broek en sokken uit. We kijken naar elkaar en glimlachen om ons beider nieuwsgierigheid.

'Je ziet er mooi en mannelijk uit,' zegt hij als hij naast me in bed ligt.

'Ik heb gezien dat jij mooi bent, zonder dat ik alles van je heb gezien.

Hij lacht. 'Van jou heb ik ook nog niet alles gezien, dude!'

'Hé, even alle gekheid op een stokje, morg… nee, later op de dag heb ik die toespraak maar daar hoef je niet bij aanwezig te zijn hoor.'

'Wil je niet dat ik daar bij ben?'

'Als je wilt ben je van harte welkom maar ik kan me voorstellen dat je heel erg moe bent en zie het dus niet als een verplichting. Schrik trouwens niet van de geluiden van de voorbereiding. Ze beginnen al op tijd met het een en ander.'

'Jij ook?'

'Nee. Ik kan zeker tot een uur of tien … '

'Zo kort maar?'

'Lang genoeg voor mij. Dan moet ik een paar telefoontjes plegen en nog wat zaken afhandelen. Om half één begint mijn speech.'

'Slaapverwekkend neem ik aan.'

'Dat niet. Ik gooi het over een andere boeg dit keer en ga het anders doen.'

'Lekker vaag! Wat bedoel je daar nou weer mee?'

'Als je dat wilt weten, als je nieuwsgierig genoeg bent, moet je maar komen luisteren.'

'Heel vervelend, Edward! Wel een tipje van de sluier oplichten maar niet echt zeggen wat je van plan bent.'

'Zijn we klaar om nu echt te gaan slapen?'

'Nee. Nog niet helemaal. Wat doe ik verder de rest van de dag.'

'Je mag natuurlijk komen luisteren naar mijn, zoals altijd, veel te lange en saaie toespraak,' kan ik het niet laten hem te plagen.

'Als je het dan anders wil doen, zorg er dan voor het dat niet saai is, dude!'

'Ik zal het proberen. Daarna … daarna is er voldoende te eten. Je zou je tussen de gasten kunnen mengen maar … Olan is er natuurlijk ook. Die kent je.'

'No way dus!'

'Nee. Kan ik me voorstellen. Maar … soms gebeurt het dat mijn familie na de feestelijkheden blijft hangen. Wat doen we dan?'

'Oh.'

'Misschien … ' even raak ik aan het denken en vergeet ik te praten.

'Zeg het hardop, dude! En anders doe ik het wel. Als dat zo mocht zijn, dan neem ik het zoals het komt. Dan stel ik me gewoon aan jouw familie voor.'

'Echt?'

'Ja, in tegenstelling tot jou verkoop ik niet altijd onzin!'

Ik moet om hem lachen. Vreselijk lachen en gelukkig lacht hij met me mee. 'Trouwens, als je je niet onder de gasten mengt, in mijn kleine keukentje is eten genoeg. Zorg ervoor dat je niet verhongert want je moet niet nog magerder worden.'

'En ik was mooi volg… '

'Sttt … laten we gaan slapen. Welterusten, Tim.'

'Welterusten, Edward.'

En zo moeten we in slaap gevallen zijn want na die woorden kan ik me niets meer herinneren. Niet eens dat ik me omgedraaid heb of zo of … nou ja … gewoon helemaal niets. Gewoon helemaal op.



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



©Lucky Eye, december 2018
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 152
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 16:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 184 keer
Bericht Re: ANDERS ... een kerstverhaal door Lucky Eye » dinsdag 25 december 2018 07:14

Hoofdstuk 5

De volgende ochtend word ik met een duf gevoel in mijn hoofd wakker. Even blijf ik recht op mijn rug liggen en staar naar het plafond. Buiten is het al duidelijk licht … SHIT … veel te licht al en dus later dan tien uur! Dan pas word ik me gewaar van de persoon naast me. Als ik naar hem kijk schieten de hoeken van mijn mond vrolijk omhoog dat omdat het gezicht van Timothy gesierd wordt door een brede glimlach. Hij ziet er heel mooi uit. Ik ruk me los van het schitterende tafereel en verdrijf allerlei gedachten die mijn hoofd binnenstromen door me te richten op dat wat ik moet doen. Wassen, scheren, douchen, aankleden en ontbijten. Dat gedaan hebbende ga ik naar mijn werkkamer en bel met twee ambassadeurs in Oslo. Hij vertegenwoordigt China en zij Australië. Beiden zijn ze nog maar kort in Noorwegen, vrijgezel, en wisten ze twee weken geleden – toen ik hen bij een ontmoeting trof – nog niet of ze naar huis zouden gaan met de kerst. Toen heb ik hen beloofd om op tweede kerstdag even met hen te telefoneren en dat doe ik dus. Ik krijg hen aan de lijn en het blijkt dat ze in Oslo gebleven zijn en niets op het programma voor die dag hebben staan. Daarom nodig ik hen uit om naar de ambassade te komen voor mijn toespraak en de festiviteiten daarna. Mijn uitnodiging wordt aangenomen.

Dan zoek ik mijn secretaresse op beneden. Ik weet dat zij er als eerste is geweest die ochtend. Doet ze altijd. Ze wil er toezicht op houden dat alles wat gepland is, ook werkelijk zo uitgevoerd wordt. Als we elkaar in de hal ontmoeten, omhelzen en kussen we elkaar. Gebruikelijk tussen ons.

'Volgens mij wordt het een prima feest vanmiddag,' verklaart Anna stellig.

'Niets mis gegaan?'

'De cateraar heb ik de dag voor de kerst nog flink achter zijn broek moeten zitten, maar dat doe ik graag!' lacht ze.

De cateraar is haar echtgenoot die een eigen bedrijf heeft. En af en toe, als het kan en niet te veel op vriendjespolitiek lijkt, worden hem opdrachten geschonken. Hij krijgt dus niet alle opdrachten. We maken ook gebruik van andere bedrijven.

'Heb je de speech goed in je hoofd kunnen krijgen?'

'Ja. Geloof me het gaat goed worden maar wel anders?'

'Dat is niet duidelijk, Edward!'

Dat heb ik eerder te horen gekregen. 'Nee, hè! Leuk toch?'

'Euh … je gaat toch geen stomme dingen doen, hè!'

'Wie ik?'

'Hmmm … die blik in je ogen vertrouw ik niet helemaal. Maar … ik weet ook dat als jij iets niet wilt vertellen, je het ook niet zult doen en dus dring ik verder niet aan.'

Een verstandig besluit van haar. 'Euhh … ik weet dat het op het laatste moment is maar er zijn nog een paar dingen die ik graag gedaan wil hebben. Ik help je waar ik kan.' Ze luistert goed naar me, stelt nog een wijziging voor en dan gaan we aan het werk. Ik houd van de manier waarop Anna werkt.


***


Als de eerste gasten tegen het middaguur binnenlopen staan drie rijen stoelen klaar voor de palm in zijn immense pot. Op elke stoel ligt een kaartje. Ik begroet ze voor de portierslogé en schud alle binnenkomers de hand en maak een kort praatje met hen. Een half uur later neem ik plaats achter het spreekgestoelte, vouw mijn op schrift gestelde toespraak uit en voel hoe de zenuwen door mijn keel gieren. Zou ik toch niet beter … "Nee!" spreek ik mezelf ferm toe. Dit jaar doe ik het anders! Het enige dat ik niet anders doe is de traditionele opening.

'Lieve buren, collega's, familie, vrienden!' meteen nadat ik deze woorden heb uitgesproken zie ik vanuit een ooghoek dat er ergens achter de rijen met stoelen nog een deur open en dicht gaat. Een laatkomer? Iemand die nu al genoeg heeft van mijn toespraak? 'Hartelijk welkom bij deze kerstviering op de ambassade van het Verenigd Koninkrijk. De formaliteiten heb ik uitgesproken en vanaf nu zal ik mij tot jullie richten zonder me te houden aan mijn keurig voorbereide speech omdat ik het vandaag anders wil doen.'

Ik kijk mijn bezoekers aan vanaf het iets verhoogde katheder en stap er dan vanaf. Ik heb mijn tekst nog steeds in mijn rechterhand. Demonstratief maak ik een prop van de A4'tjes en gooi die over mijn schouder. Ik hoor Igor "OHHH" roepen en stel hem gerust door te zeggen dat ik het straks zelf zal oprapen en opruimen.

'Ik doe het anders, dit jaar,' ga ik verder. 'Anders omdat er sinds gisteren voor mij allerlei dingen anders zijn gegaan. Waar het erop leek dat het een kerst zou worden net als alle andere jaren met op de eerste dag de familie en de dag erna deze bijeenkomst, werd het anders. Heel anders. En dat omdat de grote oude eik op zijn hoge leeftijd waarschijnlijk geen zin had om meteen in het nieuwe jaar geopereerd te moeten worden. Hij moet gedacht hebben "Aan mijn lijf geen polonaise!". Ik denk dat hij er genoeg van had. Hij was oud, moe, liet het hoofd erbij hangen en stortte zich ter aarde.'

Ik hoor wat gegniffel bij mijn toehoorders.

'En die val … zorgde er dus voor dat mijn dag anders begon. Of nee, misschien moet ik nog iets verder terug. Liggend in bed merkte ik al op dat de dag anders was. Het sneeuwde niet meer, de wind was afgenomen en ik had het idee dat het in mijn slaapkamer niet meer zo koud was als de vorige dagen.'

'Moet je ook eens gewoon 's nachts je raam dicht doen!' wordt er vanuit mijn publiek geroepen.

'Dank je, Olan!' spreek ik mijn broer aan die ik aan zijn donkere bas heb kunnen herkennen. 'Ook dat is dus anders aan deze toespraak. Hij blijkt interactief te zijn.'

Ik heb de lachers op mijn hand en dat zorgt ervoor dat Olan een hoofd als een boei krijgt.

'Anders. Nog maar eens een keer gezegd. De grote oude eik viel en wel zodanig dat hij de ruiten van de grote zaal vernielde en deels naar binnen drong. Veel lawaai, grote schrik bij mij en meteen had ik de alarmcentrale aan de lijn. Of ik maar meteen naar de veilige kamer wilde gaan. Niet dus. Geen zin in. Ik was ervan overtuigd, zeker toen ik een blik door het raam naar buiten had geworpen en de boom languit zag liggen, dat het niets met terrorisme of iets dergelijks te maken had en ging goed aangekleed naar beneden. Meteen na binnenkomst zag ik mijn beide buurmannen. Meteen werd er hulp aangeboden en meer helpende handen meldden zich al heel snel. De eerste kerstdag die in de ochtend voor mij heel rustig zou zijn geweest werd meteen heel anders.'

Ik verplaats me en loop naar de deuren van de grote hal.

'Gisterochtend lag daar de grote oude eik. En straks kunnen jullie met eigen ogen zien dat er helemaal niets meer te zien is. Nou ja … niets meer te zien van de grote oude eik in elk geval. Er is genoeg te zien straks … maar dat doen we later. Gisteren werkten we met vereende krachten om een klus te klaren. Daarbij werd er niet gekeken naar … naar wat dan ook. Het was niet van belang dat mijn buurman Nils, hoewel hij een echte Noor is, Franse voorouders en dus een Franse achternaam heeft. Er werd niet gelet op het feit dat mijn andere directe buur uit Rusland komt. Iedereen hielp. De hele straat liep uit. Kinderen staken hun handen uit de mouwen en zorgden ervoor dat de klein gezaagde takken op sleetjes naar achter in de tuin werden getransporteerd. En ondertussen werd er door anderen aan de innerlijke mens gedacht. Werken vergt energie en dus moest er gegeten en gedronken worden. Samen hadden we een laat ontbijt en sloten de dag af met een gezamenlijke maaltijd op de Russische ambassade hiernaast. De maaltijd was een soort van, en met mijn verwoording wil ik helemaal niemand en geen enkel gerecht beledigen, een soort van samenraapsel. Iedereen nam dat mee wat op het menu stond voor die dag en alles werd gezamenlijk ingebracht en genuttigd. En er waren ook gasten van buiten de straat. Mijn eigen familie reken ik daar niet bij. Die zijn hier kind aan huis. Maar wel die glaszetter die het zo vreselijk gezellig vond en maar wat graag wilde blijven eten en zijn gezin belde om hierheen te komen. En die twee beveiligers, die ook de hele dag hard hadden gewerkt, bleven eten. We deden het samen en dat zorgde ervoor dat ik mijn toespraak besloot te veranderen.'

Heel even neem ik de tijd om op adem te komen. Ik vind het nog steeds spannend om het zo te doen. Langzaam loop ik terug in de richting van mijn vertrekpunt.

'Samen kunnen we dingen doen, zo is mij gebleken. Samen staan we sterk. Is een grote klus redelijk snel geklaard. En daarbij hoeven we helemaal niemand uit te sluiten. Niemand uit te sluiten op grond van land van herkomst, grootte van je neus, kind of volwassene, man of vrouw, kleur van je huid, religie, kleur van je haar, cultuur of wat dan ook. En als wij dat hier op kleine schaal kunnen. Als wij hier, op kleine schaal, die verschillen kunnen overstijgen waarom kan dat dan straks, na de kerst, niet meer?'

Opnieuw las ik een rustmoment in en daarin loop ik verder naar de kant van de straat om op de lege stoel naast Igor te gaan zitten. Zachtjes begint de muziek te spelen en op de muur verschijnt een tekst.

Imagine there's no heaven
It's easy if you try
No hell below us
Above us only sky
Imagine all the people
Living for today...

Imagine there's no countries
It isn't hard to do
Nothing to kill or die for
No religion too
Imagine all the people
Living live in peace...

You may say I'm a dreamer
But I'm not the only one
I hope someday you'll join us
And the world will be as one

Imagine no possessions
I wonder if you can
No need for greed or hunger
A brotherhood of man
Imagine all the people
Sharing all the world...

You may say I'm a dreamer
But I'm not the only one
I hope someday you'll join us
And the world will live as one

Tekst: John Lennon


Stel je voor er is geen hemel
Het is simpel als je het probeert
Geen hel onder ons
Boven ons alleen lucht
Stel je voor dat alle mensen
Leven voor vandaag

Stel je voor er zijn geen landen
Het is niet moeilijk te doen
Niets om voor te doden of te sterven
Ook geen geloof
Stel je voor dat alle mensen
Samenleven in vrede

Je zou kunnen zeggen dat ik een dromer ben
Maar ik ben niet de enige
Ik hoop dat op een dag je bij ons komt
En de wereld zal een eenheid zijn

Stel je voor geen bezitten
Ik vraag me af of jij het kan
Geen lust naar hebzucht of honger
Een gemeenschap van mensen
Stel je voor dat alle mensen
De wereld samen delen

Je zou kunnen zeggen dat ik een dromer ben
Maar ik ben niet de enige
Ik hoop dat op een dag je bij ons komt
En de wereld zal een eenheid zijn


Als de muziek wegsterft sta ik op en loop ik terug naar het spreekgestoelte. Niet om er weer op te stappen maar om ervoor te blijven staan. 'Soms kan ik een dromer zijn. Dat mag je gerust van mij zeggen. Want ik ben van mening dat heel veel prachtige dingen ooit als droom begonnen zijn. Een droom die een mens tot werkelijkheid maakte. Makkelijk? Soms wel. Soms kost het wat meer moeite. Soms heel veel moeite.'

Het is enorm stil in de hal. Zo stil dat ik een speld zou kunnen horen vallen.

'Maar … laat het niet alleen maar een droom blijven. Gisteren voelde voor mij als een prachtige dag en … daarom zou ik zo graag willen dat wij … dat wij … dat wij dat wat wij gisteren met elkaar hebben laten zien, hier in Oslo, in Noorwegen, voortzetten. Dat het niet een eenmalige gebeurtenis is omdat de grote oude eik omviel. Ik wil graag dromen dat het een vonk is die ervoor zorgt dat het overal anders zal worden. Dat we eindelijk eens ophouden met het kijken naar de verschillen die ons van elkaar scheiden. Dat we oog leren hebben voor het gemeenschappelijk, dat wat ons met elkaar verbindt. En … dat begint vaak met verder kijken dan onze neus lang is. Op jullie stoel lag een kaartje. Niklas, mag ik jou vragen wat er op dat kaartje staat?'

Niklas kijkt op, haalt zijn kaartje tevoorschijn en zegt: 'Merry Christmas and a Happy New Year natuurlijk.'

"Nee!" hoor ik iemand roepen.

'Wie riep daar nee?'

'Ik,' zegt Francine en ze gaat staan. 'Er staat Merry Everything and a Happy Always.'

'Juist, Francine. En Niklas, ga nu niet denken dat je een analfabeet bent. Toen dit kaartje op de ambassade was binnengekomen zei Anna tegen mij dat ze de tekst op dat kleine kaartje zo mooi had gevonden. Ik was verbaasd. Hoezo mooi? En dat zei ik haar ook letterlijk zo. Ze haalde het kaartje van de wand in mijn kantoor, legde het voor me neer en vroeg me er nog eens naar te kijken. En … ik zag het nog niet. Pas toen ze het mij voorlas, zag ik waar ik de fout was ingegaan. We kijken vaak niet goed genoeg. We herkennen een paar woorden en menen te weten wat er staat. En … dat doen we niet alleen met lezen zo. We nemen veel te vaak een standpunt in zonder alle kanten van een probleem goed bekeken te hebben. We menen het zo vaak zeker te weten! Maar wat weet je nou zeker? Vraag het je eens af of het wellicht anders zou kunnen zijn, dan jij meent te zien! En geloof me … we gaan vaak met dat zeker weten van ons de fout in. Net als ik en Niklas, met de tekst van het kaartje. We oordelen, we veroordelen, we splitsen ons af, we gaan onderscheid maken en … dat terwijl we dat gisteren niet hebben gedaan. Toen … was het anders!'

Iets van een euforisch gevoel begint zich meester van me te maken. Het is me gelukt! Ik ben er bijna!

'Ja … noem mij maar een dromer. Maar ik weet zeker dat ik niet de enige dromer ben. Ik hoop dat jullie je op dag als dromers bij deze dromer,' ik wijs daarbij naar mezelf, 'zullen aansluiten zodat de wereld een eenheid zal zijn.'

Pffff … niemand hoort mijn zucht van opluchting. Ik maak een klein knikje en laat het applaus over me heen komen. Als mijn toehoorders gaan staan slaat de verlegenheid in me toe maar ik laat dat gevoel komen zoals het komt. Het is goed. Ook dat is goed op dit moment. Ik laat mijn blik over allen glijden en glimlach. Van achter de palm komt een tot vuist gevormde hand tevoorschijn waarvan de duim omhoog gestoken wordt. Nu weet ik wie als laatste binnengekomen is. Het applaus lijkt maar niet op te houden en als ik even later opnieuw in de richting van de grote palm kijk zie ik nog net de deur erachter dichtvallen.

EINDE



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



©Lucky Eye, december 2018
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 152
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 16:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 184 keer
 

Plaats een reactie

Terug naar Lucky Eye

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 0 gasten


cron