Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief


Forumindex  • Verhalen, gedichten en andere teksten  • Lucky's Corner
 
Registreren
 
 
 

Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief

MISJA


Verhalen vanLucky Eye

Plaats een reactie

Bericht MISJA door Lucky Eye » woensdag 18 november 2015 19:39

Een verhaal van Lucky Eye

Dit verhaal is niet gebaseerd op feiten. Elke overeenkomst met gebeurtenissen, personen, plaatsen en tijden berust dan ook op toeval.

©Lucky Eye, september 2015 (gereviseerde versie)
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk

Mijn grote dank gaat uit naar EP die ook dit verhaal heeft gescreend en zodoende de schrijver dezes heeft behoed voor allerlei fouten die tijdens het schrijven in een verhaal sluipen. Ook zijn andere nuttige aanbevelingen, tekstvoorstellen en reflectie heb ik enorm op prijs gesteld.


MISJA


Hoofdstuk 1

Op zaterdag 24 juli vertrek ik om 4.00 uur voor een veertiendaagse vakantie naar Oostenrijk, helemaal alleen. Een vrijwillig gemaakte keuze want ik wilde het nou eenmaal zo. Maart jongstleden ben ik negentien geworden en sinds januari van dit jaar heb ik mijn rijbewijs. De afgelopen maanden heb ik flink wat rijervaring opgedaan maar mijn ouders waren er alles behalve gerust op dat ik mijn plannen door wilde zetten. Op een gegeven moment stelden ze zelfs voor dat ze hun vaste vakantie in Robertville (België) zouden annuleren om met mij samen naar Oostenrijk te gaan. Iets waarvan ik dus niets wilde weten. Achter mijn rug om hebben ze daarna mijn vrienden gepolst of die niet met mij mee wilden hetgeen ik hen zeer kwalijk heb genomen en wat leidde tot een heftige woordenwisseling. Het ligt niet aan mijn vrienden hoor! Die wilden best mee! Maar om de een of andere reden wil ik dit jaar gewoon even helemaal alleen zijn voor een paar weken. Reden: onbekend.

Ik begrijp de zorgen van mijn ouders best wel. Met geen broers en zusters om me heen hebben ze mij altijd heel beschermd en beschermend opgevoed maar ik vind dat ze me nu ook eindelijk wel eens wat los mogen leren laten. Ik ben tenslotte negentien, toch?
De reis verloopt voorspoedig, afgezien van een paar kleine files, en tegen vier uur ‘s middags ben ik in Innsbruck. Ik check in aan de balie van Gasthof Rechenhof en iemand gaat me voor naar mijn kamer op de tweede verdieping. Het is een niet al te groot hotel waar ik voor gekozen heb dat aan de rand van de stad ligt. Gezien mijn beperkte budget was mijn keuze beperkt en het plaatje in de gids stond mij het meeste aan. Het uitzicht vanaf mijn balkon, aan de achterzijde van het hotel, is prachtig: ik kijk onbelemmerd uit op de groene alpenweiden met daarachter eerst uitgestrekte bossen en daarna de besneeuwde toppen van de Alpenreuzen van het Karwendelgebergte. Dit wordt een prachtvakantie, denk ik bij mezelf. Alleen op mijn kamer stap ik meteen onder de douche. Het water is verkwikkend maar toch niet zo dat ik daarna bruis van energie en daarom besluit ik om na het avondeten maar meteen naar bed te gaan. De vermoeidheid moet bijzonder groot geweest zijn want op zondag slaap ik een gat in de dag en mis zodoende het ontbijt. Het blijkt echter geen probleem te zijn want vanaf elf uur ’s ochtend tot twee uur ’s middags staat er een uitgebreide brunch klaar. ’s Middags loop ik een klein eindje door het bos dat achter het hotel ligt en bij terugkomst vraag ik bij de receptioniste naar een geschikte wandelkaart. Zij verkoopt mij een zeer gedetailleerde en daarmee trek ik me op mijn kamer terug. Na het avondeten stippel ik de route voor de volgende dag uit. Ik houd van wandelen: een afwijking die ik heb overgenomen van mijn ouders.

De volgende ochtend zit ik al om zeven uur aan het ontbijt. Met een lunchpakket en drinken in mijn rugzak, begin ik drie kwartier later aan mijn eerste wandeling van deze vakantie. De omgeving is echt prachtig en ik geniet met volle teugen. Het weer werkt ook prima mee want hoewel het niet echt zonnig is, droog is het wel in elk geval. En bovendien moet je bij het wandelen niet al te veel warmte hebben.

Tegen vier uur in de middag kom ik bezweet terug. Het is een ontzettend mooie route geweest die ik gevolgd heb. Ik heb bossen, meertjes, watervallen en wat al niet gezien. De dagen daarna begint het weer steeds beter te worden maar ook warmer dus en al snel zit de temperatuur tegen de 30 graden Celsius. En dat is nou niet echt geschikt om hele dagen te gaan lopen. Voor donderdag spreek ik met de keuken af dat ik al om zes uur kan ontbijten zodat ik vroeg op pad kan gaan. Maar dat is dan ook voorlopig de laatste wandeldag. Vrijdagochtend wil ik eigenlijk uitslapen maar dat komt er niet van. Mijn ritme thuis en het strakke schema van de vorige dagen maken het gewoon onmogelijk om langer in bed te blijven liggen dan strikt noodzakelijk. Al om acht uur zit ik aan het ontbijt en daarna vraag ik aan de receptie of er misschien ergens een goed zwembad is. Ik blijk keus te hebben. Er is een subtropisch zwembad met een aantal buitenbaden (Erlebnisbad), er zijn een paar gewone recht-toe-recht-aan zwembaden en vlak buiten de stad zijn er dan ook nog een paar meertjes waarin gezwommen kan worden (Freibad). Ik kies voor de eerste en ga met het foldertje van ‘Cascade’, waarop de receptioniste de te gebruiken buslijnen geschreven heeft, terug naar mijn kamer. Ik pak mijn rugzak, vul deze met zwembroek, handdoek en lunchpakket en rijd dan naar Arzl (het dorp dat het dichtst bij ligt) en ga dan met de bus verder omdat de receptioniste het mij afgeraden heeft om met de auto Innsbruck zelf in te rijden. Met lijn 25 ben ik binnen twintig minuten bij het Centraal Station en dan is het met lijn 8 nog een kleine tien minuten om bij het zwembad te komen.

Het is net half tien als de bus in de buurt van het zwembad stopt. Witte borden met daarop blauwe letters wijzen mij naar de juiste plek en bij aankomst zie ik dat het zwembad pas om 10.00 uur zal openen. Moet ik dus nog even wachten! Er zijn al meer wachtenden: groepjes kinderen, families, jonge stelletjes die nu al erg klef zijn en ... op een bankje zit een jongen - van naar schatting mijn leeftijd - breeduit het hele bankje in beslag nemend. Iets aan hem intrigeert me. En eventjes weet ik niet wat het nu is: zijn uiterlijk, zijn nonchalante houding of toch iets anders? Hij ziet er goed uit: mooi gebruind, zwart krullerig kort haar, groene ogen. Hij gaat gekleed in een zwarte tanktop en een witte driekwart broek. Zijn gezicht staat strak en straalt iets uit dat ik zou willen omschrijven als onwerkelijk. Op de een of andere manier lijkt hij hier aanwezig te zijn en tegelijkertijd ook niet. Ben ik nog te volgen?

Omdat ik het vertik te blijven staan, loop ik op hem toe en vraag hem in mijn beste Duits (ervan uitgaande dat hij tot de plaatselijke bevolking behoort dan wel een Duitse toerist is) beleefd of hij wellicht wat wil opschuiven. Zonder zijn hoofd te bewegen, slaat hij zijn ogen naar me op. Ik zie heel donkere wenkbrauwen die in elkaar overlopen en de starende - opnieuw onwerkelijke - blik in zijn ogen. Maar … hij schuift op en maakt plaats voor me zonder ook maar één woord te zeggen! Tjonge wat een eikel, is mijn eerste gedachte maar ik weet dat je mensen niet op een eerste indruk moet beoordelen en dus geef ik me nog niet gewonnen. Misschien kan ik hem wel manieren bijbrengen.

“Danke schön,” reageer ik beleefd. Zijn ogen zijn opnieuw op mij gevestigd maar ook nu kan ik er geen enkele emotie of gevoel in lezen. Misschien is zijn gezicht toch het beste te omschrijven als chagrijnig.

“Bitte.”

Het is verrekte kort maar hij kent in elk geval het spel van ‘dankjewel’ en ‘alsjeblieft’. Om precies 10.00 uur gaan de deuren open en terwijl ik me opstel in een rij voor de kassa, gaat hij met een kaartje door het klaphekje het zwembad binnen. Vaste klant waarschijnlijk. Terwijl ik sta te wachten, denk ik na over de blik in de ogen van de jongen en kom tot het inzicht dat mijn eerdere conclusie - chagrijnig - niet juist is. De blik zou ook uitgelegd kunnen worden als die van iemand die ontzettend veel verdriet heeft. Ja, laat ik het daar maar op houden. Als ik aan de beurt ben betaal ik voor drie uur en krijg een kaart overhandigd. Ik steek de plastic kaart in een automaat en krijg hem meteen weer terug. Het licht springt van rood op groen en ik kan door de tourniquet. In een kleedhokje kleed ik me in mijn strakke, zwarte zwembroek met korte pijpjes en berg daarna mijn kleren op in een kluisje om vervolgens met de handdoek over de schouder verder te gaan. Na een korte douche (het water is steenkoud) kom ik in het eigenlijk bad uit. Er zijn diverse glijbanen. Ik zie een stroomversnelling, een paar hottubs en daarnaast ook nog een groot aantal plaatsen waar je je onder warme lampen kunt laten drogen. Een overbodige luxe eigenlijk op zo’n warme dag als vandaag! De temperatuur van het water is prima maar van de jongen zie ik niets. Op mijn rondgang door het bad heb ik naar hem gezocht maar hij is nergens te zien. Waarom ik hem gezocht heb? Ik weet het niet. Op de een of andere manier voel ik me tot hem aangetrokken. Op zoek naar een lekkere jongen, zul je nu misschien van mij denken maar dan heb je het mis. Ja … homo ben ik wel maar ik val meer op innerlijk dan op uiterlijk heb ik inmiddels ontdekt. Net na mijn zestiende ben ik uit de kast gekomen en voor mijn ouders was het eerder verbazing dan schok. Ze hadden het totaal niet verwacht. En al degenen die ik nadien confronteerde met mijn homo-zijn reageerden op precies dezelfde manier: ‘Nee, dat kan niet!’ … ‘Jij toch niet?’. Kortom ik heb geen vrouwelijke uitstraling, niet de maniertjes van een relnicht, draag geen handtasje, maak me niet op en draag ook geen hoge hakken! En ik wil ook absoluut niet beweren dat homo’s zo zijn zoals ze vaak door hetero’s neergezet worden en ik net aanhaalde. Het zijn allemaal stereotiepe beelden die helemaal nergens op slaan! Ik ken nu een aantal homo’s en aan geen van hen kun je het aan de buitenkant zien. Homo’s zijn heel gewone jongens en ik ben er het sprekende voorbeeld van.

Al heel snel na mijn coming out ging ik zelf ook uit en op zoek naar het beleven van mijn homoseksualiteit maar al gauw kwam ik erachter dat dat niet mijn wereldje was. Misschien gaat het op andere plaatsen er anders aan toe hoor maar waar ik kwam was het heel klef, meteen elkaar vol op de mond tongen en elke avond toch minimaal iemand pijpen of zelf gepijpt worden. En dat … dat ging me allemaal gewoon veel te snel. Na een paar maanden hield ik er mee op. Dit was niet wat ik wilde. Wat wil ik dan wel? Ik wil gewoon een leuke jongen ontmoeten. Samen leuke dingen doen zonder dat dat meteen seks moet zijn. Maar in mijn omgeving vond ik zoiets niet. En dus heb ik mijn zoeken maar even uitgesteld.

Nadat ik een tijdje wat heb rondgedobberd in het binnenbad ga ik naar buiten. Het is prachtig mooi weer en buiten zwemmen er inmiddels meer mensen dan binnen. Geen wonder natuurlijk! Ik loop langs het 25-meter bad in de richting van de ligweide als mijn oog ineens op de jongen van vanmorgen valt. Hij zit stilletjes voor zich uit te staren en heeft al gezwommen. Het zonlicht dat prachtig breekt in de waterdruppeltjes op zijn lichaam en haren geeft hem iets van een aureool dat hem helemaal omgeeft. Even blijf ik staan kijken naar deze engel, naar ik hoop niet met open mond en de tong ver naar buiten. Wow, een prachtig plaatje zo. Dan loop ik verder. Eerst loop ik langs hem heen maar dan draai ik me op mijn schreden om en als ik bij hem ben, vraag ik of hij er bezwaar tegen heeft dat ik mijn handdoek naast de zijne leg. Er zijn nog wel andere plaatsen maar toch is het behoorlijk druk dus misschien is de vraag niet zo gek. Ik hoop tenminste dat hij het niet vreemd vindt. Hij kijkt me op dezelfde manier als vanmorgen aan en zijn blik die me eerder al intrigeerde begint nu haast pijnlijk te worden. Op de een of andere manier raakt deze knaap mij enorm.

“Ga je gang,” zegt hij kalm.

“Dank je.” Ik spreid mijn handdoek uit en ga op mijn buik naast hem liggen. “Het is behoorlijk druk, hè?”

“Ja, dat krijg je met dit weer.”

“Kom je hier vaak?”

“Als het weer het toelaat bijna elke dag.”

“Woon je hier of ben je ook op vakantie?”

“Ik woon in Igls, een klein dorpje ten zuiden van Innsbruck.”

Even is het stil omdat ik die stilte bewust laat vallen. Natuurlijk kan ik wel doorgaan met het stellen van vragen in de hoop dat hij blijft antwoorden maar ik zou het leuker vinden als …

“En jij?”

BINGO.

“Ben jij hier op vakantie?”

“Ja.” Ik ga rechtop zitten en steek mijn hand naar hem uit. “Frank Reuvers. Ik kom uit Nederland.” Hij neemt mijn hand aan.

“Michael Weber, maar mijn vrienden noemen me Misja.”

Zijn handdruk is stevig en terwijl we elkaar eventjes vasthouden, laat ik mijn blik over zijn lijf glijden. Hij is echt heel erg mooi. Goed gespierde armen. Lekker strakke buik en een mooie, geheel gladde borstpartij. “Kan ik jou dan Misja noemen?” zeg ik met een glimlach naar hem.

“Ja hoor. Je mag mij beschouwen als je vriend.”

De blik op zijn gezicht verandert eindelijk. Voor het eerst zie ik beweging komen in zijn lippen en wangen en ook zijn ogen beginnen iets te stralen. Dan draait hij zich op zijn buik en ik ga ook zo naast hem liggen. Ik moet echter nog meer weten! “Leuke meisjes daar, nietwaar?” zeg ik terwijl ik met de vinger een groep meisjes een eindje voor ons aanwijs. Hij kijkt me van opzij aan en lijkt me te taxeren. Het droevige lijkt nu helemaal te zijn verdwenen.

“Ik interesseer me niet zo voor meisjes,” verklaart hij nuchter om vervolgens verder te gaan, “en jij volgens mij ook niet. Maar het is een goede opening om erachter te komen of iemand homo is.”

Ik begin hevig te blozen en nu is hij helemaal ontdooid.

Hij laat een luide lach horen. “Niet zo verschrikt kijken man! Als ik het fout heb, moet je het me zeggen hoor dan bied ik je meteen mijn verontschuldigingen aan maar … denk niet dat ik het fout heb!”

“Oké, wist gewoon geen andere manier zo snel om erachter te komen,” geef ik toe. “En ik wilde het graag weten.”

“Waarom?”

Tja, daar zit ik even met de mond vol tanden. Waarom wilde ik graag weten of hij net als ik homoseksueel is. Hij laat me rustig denken maar ik merk dat hij mij nu ook heel aandachtig bestudeert. Ik ga rechtop zitten om hem een goede blik te gunnen. “Vooropgesteld,” begin ik eindelijk, “ik ben niet iemand die gaat voor een vluchtige seksuele ontmoeting. Een snel nummertje in het badhokje en dan zien we elkaar nooit weer, dat hoef ik dus niet!”

“Dat komt dan mooi uit want dan zou je bij mij ook echt aan het verkeerde adres zijn.” We wisselen een nieuwe glimlach uit. “Maar wat zoek je dan? Een vriend voor een relatie?”

“Dat weet ik niet. Ik zoek nu gewoon iemand om plezierig mee om te gaan.”

“Maar ben je dan helemaal alleen op vakantie hier?”

Ik knik.

“Zonder je ouders?”

Ik knik opnieuw.

“Zonder vrienden?”

Voor de derde keer knik ik.

“Waarom?”

“Ik weet het niet. Noem het maar een ingeving. Toen ik deze vakantie plande wilde ik gewoon helemaal alleen hier naar toe.”

“Hoe oud ben je?”

Ik antwoord dat ik negentien ben en hij vertelt dat hij net zo oud is. “Mijn ouders zijn het er ook helemaal niet mee eens.”

“Dat kan ik me voorstellen, man! Wie laat nou zijn negentienjarige zoon alleen naar Oostenrijk gaan.”

“Die van mij, want ze hadden gewoon geen keus.”

“Ben je altijd zo drammerig dan?”

Eerst begrijp ik hem niet want hij gebruikt een Duits woord dat ik niet goed ken. Als hij dan een toelichting geeft is het mijn beurt om hard te lachen. “Nee, normaal niet maar om de een of andere reden moest het ervan komen. Ik weet nog steeds niet waarom maar …”

“Mijn ouders zouden me nooit alleen zo’n lange reis hebben laten maken.”

“Het ligt ook echt niet aan mijn ouders hoor,” leg ik nogmaals uit en ik vertel hem dat zij zelfs aangeboden hebben met me mee te gaan. “Maar we houden wel elke dag telefonisch contact,” besluit ik, “en op de heen- en terugreis moet ik me bij elke stop melden.”

“Dat is ook wel het minste dat je kunt doen!” vindt Misja. “Je bent een rare!” reageert hij dan met een glimlach. “Maar nu je hier bent, voel je je toch een beetje alleen?”

“Euh, nee.”

“Maar waarom zoek je dan contact met mij?”

De blik die hij nu op mij werpt interpreteer ik als nieuwsgierig en ik ben reuzeblij dat ik erin geslaagd ben hem van dat droevige af te helpen. Misschien zit ik er helemaal naast en is hij niet echt verdrietig maar toch … “Ik ben niet naar het zwembad gegaan om bewust contact met iemand te zoeken maar toen ik jou daar op dat bankje zag zitten, was er iets dat me als het ware naar je toetrok.”

“Je vertelt het spannend, Frank.”

“Heb je nooit zoiets gehad?”

“Jawel, maar dan was het omdat die ander er gigantisch lekker uitzag en dat kun je van mij niet zeggen.” Een brede glimlach ligt om zijn lippen.

“Daar moet ik tactisch op antwoorden,” zeg ik.

Hij lacht opnieuw.

“Ten eerste heb je wel een lekker lijf maar dat was het niet dat me intrigeerde. Ik kijk liever naar het innerlijk van iemand.”

“Kom op zeg! Je ziet mij zitten op een bankje en meteen kun je wat over mijn innerlijk zeggen!” groot ongeloof spreekt uit zijn reactie.

“Ooit gehoord dat ogen de spiegels van het innerlijk zijn?”

“Ja maar …”

“In jouw ogen las ik iets dat ik niet helemaal thuis kon brengen.” Razendsnel besluit ik bij mezelf om absoluut niet te zeggen wat ik nou precies gezien heb of, beter gezegd, gedacht heb te zien want ik wil niet dat hij zich verplicht voelt zijn verhaal te vertellen als hij daar zelf niet aan toe is.

“En daarom maak je dan contact met mij?” En gelukkig vraagt hij ook niet verder.

“Ja!”

“Je had het toch ook kunnen laten rusten.”

“Ja, misschien wel. Maar misschien ben ik hierin inderdaad wel wat drammerig.” We blijven een tijdje zitten en elkaar aankijken. Dan vraagt hij of ik mee ga zwemmen. Het water is heerlijk verkoelend en als we een half uurtje later weer terug komen bij onze handdoeken drogen we ons eerst een beetje af. Hij begint zich in te smeren met zonnebrandcrème en dan realiseer ik me dat ik daaraan niet gedacht heb vanmorgen. “Mag ik wat van jou gebruiken?” Hij vindt het goed en ook ik begin me in te smeren. Echt wel nodig met dit weer want voor je het weet, ben je verbrand.

“Toch wel handig dat je me aangesproken hebt.”

“Hoezo?”

“Kun je mooi mijn rug even insmeren.” En dat gezegd hebbend, draait hij zijn rug naar me toe.

Ineens voel ik me ontzettend zenuwachtig en ik merk dat mijn handen trillen. Vermanend spreek ik mezelf tot dat ik niet zo onnozel moet doen. Ik smeer zijn rug in! Verder niets! Maar hoe ik ook op mezelf inpraat, ik krijg mezelf niet meer onder controle. Ik spuit wat crème in mijn handen en laat ze dan over zijn rug glijden. Het voelt enorm goed aan. Voor de eerste keer in mijn leven laat ik mijn handen over het lichaam van een andere jongen glijden. Ja, ik weet het, ik ben een groentje! Kan ik er wat aan doen? Als ik op een gegeven moment wat te lang aarzel, kijkt Misja achterom en glimlacht naar me.

“Het voelt lekker, Frank. Weet je,” voegt hij er fluisterend aan toe, “ik krijg er zelfs een harde van.”

Ik glimlach naar hem en zeg hem dan eerlijk dat ik zulk lijfelijk contact nog nooit gehad heb.

“Ik ook niet,” reageert hij, “maar ik weet wel dat het heel goed voelt. Vind je het erg dat ik dit zo zeg.”

“Nee, natuurlijk niet. Ik ben blij dat je zo openhartig bent want dan kunnen we er ook rustig over praten.”

“Heb jij ook een stijve nu dan?”

“Dat niet maar ik voelde me net wel geweldig zenuwachtig toen ik jou zo aanraakte. Man, ik beefde als een rietje.”

Misja lacht en zegt dat hij nu mijn rug zal doen. Hij gaat achter me zitten en even later voel ik zijn handen over mijn schouders en rug gaan. Oh wow, dat voelt enorm lekker en ook bij mij begint iets te groeien. Hij kijkt over mijn schouders naar mijn kruis. “Gaat ie goed?”

“Aan het werk jij!”

De rest van de tijd liggen we in de zon te bakken terwijl we rustig met elkaar praten. We lijken in veel dingen op elkaar. Beiden volgen we de opleiding tot leraar basisonderwijs en beiden zijn we enig kind. Beiden hebben we dus ook overbezorgde ouders. Heel veel anekdotes delen we met elkaar en veel te snel gaat de tijd om. Tegen enen stappen we op om weg te gaan. Als we buiten het zwembad afscheid nemen, heb ik het idee dat het hem net zo moeilijk valt als mij.

“Ben je morgen weer hier?” vraagt hij.

“Ja. Maar alleen als jij belooft er ook te zullen zijn.” Het klinkt slijmerig wellicht maar ik meen het vanuit het diepst van mijn hart. Nog nooit heeft een jongen zo’n diepe en bijzondere indruk op mij gemaakt. Misja is het helemaal. Voor mij is hij de ware, zeker weten!

“Oké, ik zal er zijn en een plaatsje vrij houden op het bankje voor je.”

Om nog wat langer van elkaars gezelschap te genieten stappen we niet in bij de dichtstbijzijnde halte maar lopen we samen naar het Centraal Station. Daar nemen we ieder een bus in tegenovergestelde richting.

Op de rit terug ben ik in de zevende hemel. De hele tijd zie ik Misja voor me en daardoor stap ik een halte te laat uit waardoor ik zowat drie kilometer terug moet lopen. Maar ja, wat geeft het. Het lijkt wel of ik verliefd ben. Voor het eerst in mijn leven heb ik dit soort gevoelens en weet haast niet hoe er mee om te moeten gaan. Terug in mijn hotelkamer ga ik languit op het bed liggen en staar ik naar het plafond. Regelmatig laat ik zijn naam over mijn tong rollen en verbeeld ik me dat hij heel dicht bij me is. Dan rinkelt mijn mobiele telefoon. Snel pak ik hem op. Het zijn mijn ouders.

Lucky Eye
Berichten: 88
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 15:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 101 keer
Bericht Re: MISJA door Lucky Eye » woensdag 18 november 2015 19:52

Hoofdstuk 2

Zaterdag ben ik al in alle vroegte wakker. Ik heb uitstekend geslapen maar zodra ik wakker ben, zie ik ook Misja weer voor me. Ik zie de lachende versie van de jongen maar heb er ook nog zeer zeker wel weet van waarom hij me in eerste instantie zo intrigeerde. Ergens in mijn achterhoofd blijf ik me afvragen of zijn blik echt verdriet uitstraalde, en zo ja dan waarom, of dat ik me vergist heb. Ik blijf niet lang in bed liggen maar sta op, was en scheer me, kleed me aan en ga dan naar beneden voor het ontbijt. Ik ben de eerste maar daar ben ik de afgelopen dagen al gewend aan geraakt. Ook na het eten kan ik niet de rust vinden om zomaar ergens rond te hangen en daarom rijd ik al op tijd naar Arzl en pak daar een bus eerder dan gisteren. Het gevolg zal zijn dat ik veel te vroeg bij het zwembad zal aankomen maar dat maakt me niet uit. Het is mooi weer buiten.

Als ik bij het zwembad aankom, blijkt er iemand nog vroeger aangekomen te zijn. Misja zit op hetzelfde bankje als gisteren maar niet zoals ik hem gisteren aantrof. Ditmaal neemt hij niet meer dan een plek in beslag. Een zwarte rugzak staat bij zijn voeten. Als ik op hem toeloop, begint hij te glimlachen.

“Zo, jij bent vroeg?” zegt hij.

“Moet jij nodig zeggen.” Ik ga naast hem zitten. “Hoelang ben jij hier al?”

“Weet het niet maar zit al wel een tijdje te wachten, geloof ik.”

Als onze blikken elkaar treffen zie ik heel eventjes maar ook heel duidelijk iets van verdriet in zijn ogen. Het is er heel even maar ik heb het opgemerkt en echt ik vergis me niet! Hij slaat zijn ogen neer en als hij me dan weer aankijkt, is het verdwenen.

“Heb je me gemist?”

Zijn vraag verrast me maar ik ben er niet door uit het veld geslagen. “Ja,” antwoord ik meteen naar volle eer en geweten. “Ik heb onze ontmoeting van gisteren ontzettend leuk gevonden en toen je weg was, heb ik je heel erg gemist.”

“Ik jou ook, man. Al in de bus naar huis miste ik je. Heb je een mobiele telefoon?”

Natuurlijk heb ik die en we wisselen onze nummers uit.

“Mooi dan kan ik je bellen als ik het wil.” En snel voegt hij eraan toe: “En jij mij ook natuurlijk.”

De drie kwartier die we moeten wachten tot het zwembad opengaat vullen we door verder te gaan met ons gesprek van gisteren. We bespreken de voor- en nadelen van het enig kind zijn en komen tot de conclusie dat de voordelen best wel opwegen tegen de nadelen. Als dan het zwembad om tien uur opengaat, maken we geen haast om naar binnen te gaan. Na overleg met hem besluit ik een kaartje te nemen voor vier uur en hij blijft bij me totdat ik aan de beurt ben. Als we dan door het automatische toegangspoortje naar binnen gaan, vraag ik hem naar zijn kaart.

“Oh, die heb ik van mijn vader gekregen. Hij heeft een hotel hier in de buurt van Innsbruck en net als zoveel andere hoteleigenaars sponsort hij dit zwembad. Als tegenprestatie krijgen ze dan een aantal seizoenkaarten. En dan is het makkelijk dat je dicht bij het vuur zit.”

“Waar heeft je vader een hotel?”

“Bij Arzl, ten noorden van Innsbruck.”

“Gasthof Rechenhof, misschien?”

“Hoe weet jij dat? Of noem je er zomaar eentje?”

“Het is het enige hotel dat ik hier ken, suffie. En daar logeer ik dus. Maar wel heel toevallig dat die van jou vader is.”

“Inderdaad. Geloof je in het toeval?”

“Weet niet. Heb er nooit echt over nagedacht. Soms gebeuren er wel eens toevallige dingen maar soms lijkt het ook wel of dingen gewoon op een bepaalde manier moeten gebeuren, snap je.”

Hij knikt begrijpend.

We kleden ons om en als we elkaar dan weer zien, draagt hij een rode zwembroek en ik dezelfde als gisteren. “Deze staat je ook goed,” zeg ik met een knipoog.

“Dank je. Mijn zwarte moest nodig in de was. Maar even nog over het hotel, hè. Het is niet alleen van mijn vader hoor. Mijn ouders werken er beiden hard voor.”

We praten verder terwijl we onder de douche stappen. Opnieuw is het water ijskoud.

“Maar waarom wonen jullie dan in Igls? Is dat niet te ver weg dan?” Snel gaan we onder het koude water vandaan en betreden het binnenbad.

“Wil je binnenblijven of gaan we naar buiten,” vraagt hij eerst voordat hij mijn vraag beantwoordt.

We besluiten om maar meteen naar buiten te gaan. Het is nog steeds mooi weer en daar willen we van profiteren. Als we onze handdoeken hebben neergelegd en zijn gaan zitten, komt hij terug op mijn eerdere vraag.

“De eerste jaren van hun huwelijk woonden ze naast het hotel. Maar toen ik twee was, zijn ze bewust gaan verhuizen. Privé en zaak liepen teveel door elkaar en ze hadden amper tijd voor elkaar en voor mij. Ik werd opgevoed door jan-en-alle-man en dat wierp slechte vruchten af.”

“Echt?”

“Ja, joh. Ik was een verwend nest en wist precies hoe ik bij iedereen mijn zin kon krijgen. Die verhalen doen tenminste nog steeds de ronde. Zij het met een glimlach.”

“Kan me echt niet voorstellen dat jij een vervelend kind geweest bent.”

“Toch was ik dat maar dat kwam gewoon omdat iedereen zich met me bemoeide. Toen we eenmaal in Igls woonden ging het een stuk beter. Er waren vaste tijden voor van alles en nog wat en die regelmaat deed wonderen. Ben nog steeds iemand die een zeker schema nodig heeft. Jij?”

“Ja, zo zit ik ook wel in elkaar. Ik mag graag gebruik maken van alle uren die een dag heeft. Zal nooit echt een gat in de dag slapen, tenzij ik echt doodop ben natuurlijk.”

“We hebben behoorlijk veel dingen gemeen, Frank.”

“Dat lijkt er verdacht veel op, Misja. Hoe kom je trouwens aan die naam?”

Uitgebreid begint hij me uit te leggen dat hij aan die naam gekomen is omdat dat de eerste vorm was waarin hij zijn eigen naam had uitgesproken. Michael was te moeilijk geweest voor hem en hij had het verbasterd tot Misja. “En vanaf dat moment is het altijd ‘Misja’ gebleven. Maar wel voor een gereserveerd aantal mensen hoor. Van leraren op school pik ik het niet dat ze me zo noemen. ‘Misja’ is echt voor mijn ouders, oude getrouwen in het hotel en goede vrienden.”

“Waarom heb je mij dan meteen toegestaan je zo te noemen?” Hij antwoordt niet gelijk en ik dring niet aan omdat ik soms ook wel eens even na moet denken voor ik reageer op een vraag van een ander.

“Lastige vragen stel je hoor,” is dan het eerste dat hij zegt.

“Als de vraag te moeilijk is laat je het antwoord maar zitten hoor.”

“Nee, ik kom er wel uit. Het heeft te maken met de indruk die je op mij maakte.”

“Dat moet dan wel een heel goede zijn geweest,” concludeer ik hardop.

“Ja, dat was ook zo. En ook ik bekeek meer dan alleen maar je knappe buitenkant.” Hij maakt me aan het lachen maar gaat serieus verder. “Nee, echt. Je ziet er goed uit, Frank.”

“Dank je. Ik kan niet zo goed omgaan met complimenten.”

Ook dat blijken we beiden dus niet te kunnen, zo vertelt hij. “Maar ik stond toe dat je mij meteen Misja noemde omdat je de moeite nam me aan te spreken. Ik zat daar, bewust of onbewust ik weet het niet, heel uitdagend gewoon dat hele bankje in beslag te nemen. Soms waren er wel mensen die langs liepen en eigenlijk wel wilden gaan zitten maar ze durfden er niets van te zeggen tegenover mij. Anderen stonden in groepjes bij elkaar te praten en ik wist dat ze het onder andere ook over mij hadden. De gebaren van handen en hoofden, hoe subtiel ook, waren duidelijk merkbaar. En toen kwam jij. Je bedacht je niet maar kwam gewoon op me af en vroeg mij de meest normale vraag die er te stellen was, eigenlijk. En dat sprak in je voordeel. Want je nam moeite voor mij.”

“Wow, een heel diepzinnige uitleg, Misja.” En dat meen ik heel oprecht.

De rest van de ochtend vliegt om. We zwemmen, smeren ons in tegen de zonnestralen (ook weer elkaars rug) en praten de tijd vol. We praten echt over van alles en nog wat. De Amerikaanse politieke carrière van Arnold Schwarzenegger (Oostenrijker van geboorte), de onbenullige uitspraak van het Engels door de Nederlandse Harry Potter (de weledelgeleerde heer J.P. Balkenende, premier van het Koninkrijk der Nederlanden), het Eurovisie Songfestival maar ook meer serieuzere onderwerpen zoals de oorlog in Irak, het standpunt van de Rooms Katholieke Kerk (Misja is Rooms maar gelukkig geen naprater van de Paus en zijn Middeleeuwse boodschap) in zake homoseksualiteit en het verstrekken van condooms om HIV-infectie te voorkomen gaan over de tong. Om 12.00 uur halen we onze rugzakken op voor onze lunch. Ik heb een pakket meegekregen vanuit het hotel en Misja heeft thuis brood gesmeerd. Hij moet vreselijk lachen als ik met mijn handen in de papieren zak ga en ze er onder de chocola weer uithaal. “Wat zit je nou te lachen, joh. Dit is toch niet leuk meer.”

“Prachtige Oostenrijkse gewoonte. Een stukje chocola voor de lunch.” Hij klapt zowat dubbel van het lachen.

“Shit man! Ik zit er helemaal onder. Vanwege het bruine, plakkerige goedje aan mijn handen moet ik naar binnen om mijn handen te wassen. Als ik terugkom, is meneer iets gekalmeerd maar zodra ik hem weer aankijk, schatert hij het opnieuw uit. “Leuke gewoonte hoor, maar niet met dit warme weer!”

“Je bent toch niet echt kwaad, hè,” verbreekt hij na een tijdje de ingevallen stilte met een ernstig gezicht.

“Nee, natuurlijk niet. Ik deed maar alsof.” Ik geef hem een vette knipoog en zijn gezicht klaart meteen op. Zo is het beter. Zo zie ik hem graag. Terwijl we eten, trekken dikke wolken zich samen boven de stad en we hebben net alles achter de kiezen als de blikken stem uit de omroepinstallatie de ‘buitengasten’ oproept om naar binnen te gaan vanwege een naderend onweer. In een mum van tijd is de buitenboel verlaten. Heel veel gasten verlaten meteen ook het zwembad maar Misja en ik gaan naar binnen en blijven daar staan kijken naar wat er staat te gebeuren. De inmiddels pikdonkere hemel wordt doorklieft door bliksemschichten. Het is dat ik weet hoe gevaarlijk onweer kan zijn anders zou ik er echt van kunnen genieten. Misja staat naast me en heeft ondanks de hoge temperaturen binnen toch iets van kippenvel. “Bang?” vraag ik hem.

“Ontzag is een betere omschrijving, denk ik,” luidt zijn reactie.

Dat kan ik me voorstellen. Met de natuur valt niet te spotten, zeker niet als ze zich van haar kwade kanten laat gelden. Een kwartiertje duurt de onweersbui en dan klaart het ook meteen weer op. Het gras en de paden buiten zijn behoorlijk nat geworden van de regen maar wij laten ons er niet door weerhouden om naar buiten te gaan. We leggen de handdoeken weer op ons plekje op het gras neer en springen dan als eersten in het water.

Als we een tijdje later weer gaan zitten, zijn onze handdoeken natuurlijk doornat van het natte gras. Hadden we kunnen weten. Maar ja, het drukt de pret niet. Het weer dat meteen na de bui zijn zonnige karakter volop had laten gelden, begint nu toch echt wel duidelijk te veranderen. Er zijn veel meer wolken gekomen.

“Mag ik je nog wat vragen?” zo begint Misja een nieuw gesprek.

“Hangt ervan af wat?” zeg ik. Verbaasd kijkt hij me aan. “Toe maar, joh. Ik plaag je alleen maar wat.” Ik zie hoe hij zijn schouders ophaalt en vervolgens zijn hoofd schudt omdat hij de humor van mijn opmerking waarschijnlijk niet inziet en dan slaat hij zijn ogen neer. Waarschijnlijk een lastige vraag. Als hij echter lang met het hoofd gebogen blijft zitten, leg ik mijn rechter wijsvinger onder zijn kin en duw zijn hoofd langzaam omhoog zodat ik zijn ogen kan zien. “Moeilijke vraag?” Hij knikt en aan de druk op mijn vinger voel ik dat hij eigenlijk opnieuw zijn hoofd wil laten zakken maar dat laat ik niet toe. “Ook moeilijke vragen mag je gerust stellen hoor.”

“Je bent echt lief, weet je dat?” zegt hij dan. Nu laat hij mij blozen. “Ik wilde je vragen of je ooit …” Hij blijft steken, waagt nog een poging maar komt ook daarmee niet verder. Dan maak ik de zin maar voor hem af.

“Je wilde me vragen of ik ooit seks heb gehad met een jongen?” Mijn vinger is verdwenen van onder zijn kin en meteen zakt zijn hoofd op zijn borst. “Kom, Misja. We hebben al over zoveel dingen met elkaar gepraat, dan moet dit toch ook kunnen.”

“Misschien wel, maar het blijft altijd toch een bijzonder onderwerp.”

“Ja, daarin heb je gelijk. Een onderwerp waarover je niet met iedereen praat. Maar wij kunnen daar toch samen wel over praten? En ik zou het heel prettig vinden als we ook bij dit soort onderwerpen elkaar recht in de ogen kunnen kijken.”

“Vanwege de spiegel van mijn innerlijk?”

“Ja, ik mag graag lezen in iemands ogen wat er in hem of haar omgaat.”

“Je hebt gelijk. Ik ben van mezelf nogal verlegen en wend inderdaad vaak mijn blik af terwijl dat eigenlijk niet nodig is. Slechte gewoonte.”

“Maar …”, ga ik verder met het antwoord op de uiteindelijk door mijzelf gestelde vraag, “…ik heb nog geen seks gehad. Nog helemaal niets. Noch met meisjes noch met jongens.” Als ik nu zijn blik zou moeten uitleggen, zou dat neerkomen op opluchting. “Chat je wel eens?” Hij knikt. “Ik ook. Best wel vaak eigenlijk en als je dan al die verhalen hoort, vraag ik me altijd af of ik soms op een andere planeet woon. Heel veel hebben al heel vroeg iets gehad met een buurjongen of een oudere neef. Zijn eerst begonnen met samen aftrekken en dan verder gegaan. Ik heb zoiets nooit gehad. Heb het ook nooit gedurfd. Misschien wel eens aan gedacht bij een vriend maar … het is er nooit van gekomen.”

“Bij mij ook nooit. Ik heb het altijd iets heel bijzonders gevonden. Iets dat je niet zomaar doet met een ander.”

Ik haak erop in en vertel hem van mijn ervaringen in het uitgaansleven. Waarschijnlijk is het voor hem herkenbaar want hij glimlacht bij mijn omschrijving.

“Voor mij geldt hetzelfde,” zegt hij als ik uitgesproken ben. “Ik heb begin dit jaar mijn ouders pas verteld dat ik wat voor jongens voel en daarna wilde ik het ook meemaken, weet je. Dus ik stappen. Achteraf gezien had ik veel beter naar de werkgroep van jonge homo’s in onze kerk kunnen gaan maar omdat die door een priester geleid werd, had ik het idee dat het zijn bedoeling was om ons ervan te overtuigen dat homo-zijn slecht was. Maar ik ging dus hier naar een bekende gay-disco. Ik trof dezelfde taferelen aan als jij. Helemaal verward kwam ik thuis. Als dit homo-zijn is, dacht ik bij mezelf, dan wil ik geen homo zijn. Gelukkig zijn mijn ouders een heel goed klankbord voor me geweest en hebben ze mij ervan overtuigd dat dit geen werkelijk beeld was.”

“En heb jij ooit seks gehad?”

“Een keertje met een meisje. Ik was zestien en zij ook. Ze heeft mij gepijpt en ik haar gelikt. Verder zijn we niet gegaan.”

“En?”

“Ik vind jongens gewoon veel mooier,” is zijn simpele commentaar. “Van jou bijvoorbeeld krijg ik gewoon een heel apart gevoel van binnen. Je laat vlinders in mijn buik ontstaan en dat niet alleen vanwege je uiterlijk, geloof me!”

“Maar ik ben helemaal nie…”

“Ja, dat ben je wel! Je ziet er echt goed uit! Je hebt heel mooi blond haar. Je bent goed gespierd en dat haar op je borst. Wauw, ik wou dat ik dat had. Ik ben zo kaal als wat,” zegt hij terwijl hij met z’n rechterhand aan zijn niet bestaande borsthaar plukt. Hij lacht luid en ik lach met hem mee.

“Tja, smaken verschillen nou eenmaal, lieve Misja.” Heel eventjes leg ik mijn hand op zijn onderarm en streel ik hem. Zijn ogen zijn gericht op die van mij en stralen intens geluk uit. Dit is een prachtig moment.

“Dank je, Frank. Zoiets voelt echt heel goed.”

We blijven nog even in het zwembad. Zoeken nog een keer verkoeling in het koele nat maar pakken dan onze spullen op om weg te gaan. Opnieuw lopen we samen naar het Centraal Station om maar zo lang mogelijk bij elkaar te blijven. Daar wachten we op onze bussen.

“Wat ga je de rest van de middag doen?” vraag hij mij.

“Weet het niet. Luieren denk ik.”

“Ja, daar heb je vakantie voor.”

“Jij?”

“Ik ga mezelf nuttig maken. Ik heb mijn moeder beloofd dat ik de ramen zou lappen.”

In de stilte die volgt vraag ik me af of we al zover zijn dat ik zou kunnen aanbieden met hem mee te gaan. Vergeefse moeite want de vraag van zijn kant komt meteen daarna.

“Heb je soms zin om mee te gaan naar mijn huis en me te helpen?”

Mijn hart springt op. Wauw, we zijn inderdaad dus al zover. Ik wilde het heel graag en hij dus ook. En zo rijden we samen terug naar Igls. Van de bushalte naar zijn huis is het nog een behoorlijk eindje lopen. De familie Weber woont aan de rand van Igls in een prachtig huis met drie etages. Misja leidt me rond. De eerste etage bevat de normale vertrekken zoals keuken, bijkeuken, woonkamer en noem maar op. Op de eerste verdieping zijn de slaap- en badkamers. Misja’s kamer heeft een eigen aangrenzende badkamer, heel luxe dus. Er hangen posters van Brad Pitt aan de wand. Wel een beetje oud, volgens Misja, maar wel heel lekker. Als hij mij vraagt wie er bij mij de wanden sieren noem ik Orlando Bloom en Elijah Wood. Beiden kunnen zijn goedkeuring wegdragen. Helemaal bovenin het huis is er dan nog de zolder maar die laat hij me bewust niet zien, vanwege de rommel. Aan de voorkant loopt om de eerste verdieping een balkon. Nadat we wat gedronken hebben beginnen we met ons karwei. Misja heeft het vaker gedaan, zo blijkt en werkt heel systematisch. Eerst doen we de ramen op de eerste verdieping aan de voorkant vanaf het balkon. Dan de ramen voor beneden. Dan haalt hij uit de bijkeuken de tuinslang en sluit deze aan op de kraan. Hiermee besproeien we de ramen aan de beide zijkanten van het huis zowel boven als beneden. Met een ragebol worden dan de ramen schoongemaakt en vervolgens weer afgespoten. De onderramen natuurlijk netjes afgezeemd. Dan gaan we de tuin in voor de ramen aan de achterzijde. Het is vanwege de verschenen wolken broeierig geworden. Misja haalt een fles cola en glazen naar buiten en zittend op het gras drinken we beiden nog wat. Als we dan weer aan het werk gaan, trekt hij eerst zijn T-shirt uit en ik volg hem. Als Misja de tuinslang oppakt, heb ik al het gevoel dat dit donderen gaat worden en … ik krijg gelijk. Meteen richt hij de waterstraal op mij en in een enkele tel ben ik compleet doorweekt. Hij lacht een gemene lach en terwijl hij mij blijft besproeien doe ik grote moeite om hem de sproeier afhandig te maken met als gevolg dat ik nog veel natter word. Als het me dan eindelijk lukt, krijgt hij meteen daarna natuurlijk de volle laag. Drijfnat zijn we beiden als ik na een tijdje de sproeikop dichtdraai. Drijfnat maar ontzettend vrolijk want we blijven maar lachen.

“Zullen we ons eerst maar even omkleden?” stelt Misja voor.

Ik knik. We lopen via de bijkeuken het huis binnen. Daar staat de droogtrommel zo blijkt. Misja begint zich uit te kleden en opnieuw volg ik zijn voorbeeld. Geheel bloot staan we naast elkaar onze kleren uit te wringen boven de gootsteen. Dan doet Misja het natte spul in de droger en stelt het apparaat in. Hij gaat me voor naar boven. Als hij zo voor mij loopt, kan ik natuurlijk mijn ogen niet van hem afhouden. Waar had ik ook anders moeten kijken. Hij is ontzettend mooi om te zien. In zijn kamer pakt hij handdoeken voor ons beiden. En als we dan zo, nat en bloot tegenover elkaar staan met de handdoeken in onze handen zegt hij opnieuw dat hij me mooi vindt.

“Jij bent ook mooi, Misja.” De kleine afstand tussen ons is met een enkele stap van beiden overbrugd. Opnieuw raak ik met mijn hand zijn arm aan. Hij doet hetzelfde. Hij laat zijn vingers over mijn schouders glijden. Dan slaan we beiden de armen om elkaar heen en worden onze lichamen dicht tegen elkaar gedrukt.

“Ohhh,” zucht hij, “dit voelt zo ontzettend lekker.”

Ik ben zowat sprakeloos. Inderdaad het is enorm goed. “Jaaaa,” is het enige dat ik uit kan brengen. Beiden beginnen we te groeien maar we laten het gaan. Er is geen schaamte op dat moment. Het hoort er helemaal bij. We drogen ons af en gaan samen op zijn bed liggen. We leggen ons dicht tegen elkaar aan. Mijn handen op zijn rug en de zijne op die van mij. We strelen elkaar en bevoelen elkaars lijf. Onze stijve pikken drukken licht tegen elkaar aan. Dan druk ik mijn lippen op zijn wang. Hij glimlacht en gaat een stapje verder door zijn lippen op die van mij te drukken. Het voelt opnieuw enorm goed. Beiden brengen we stamelend en elkaar recht in de ogen kijkend het gevoel van opwinding onder woorden. Zo is het goed! Zo hoort het!

Verder gebeurt er die middag niets. Nee, niet helemaal juist. We maken de ramen – zij het met enige vertraging – ook aan de achterzijde nog schoon. Als ik tegen halfzeven terug naar het hotel moet, zijn mijn kleren nog niet echt droog en leen ik dus iets van Misja. Hij brengt me naar de bushalte en daar spreken we af dat we morgen, als het weer duidelijk minder warm zal zijn, een bergwandeling gaan maken. Heel lang zwaait hij me na. Als ik hem niet meer kan zien, voel ik ineens hoe een traan over mijn wang glijdt. Voor het eerst in mijn leven ben ik echt hartstikke verliefd!

Lucky Eye
Berichten: 88
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 15:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 101 keer
Bericht Re: MISJA door Lucky Eye » zaterdag 21 november 2015 10:54

Hoofdstuk 3

Hoewel ik verliefd ben, ben ik toch niet totaal van de wereld. Ik stap dus ditmaal wel bij de juiste halte uit en rijd het laatste stukje geconcentreerd naar Gasthof Rechenhof terug. Een beetje aan de late kant voor het diner eigenlijk maar het moet nog kunnen. Als ik van de parkeerplaats naar de ingang loop, zie ik op het terras een man in een wit overhemd en zwarte broek zitten. Voor zich op tafel heeft hij een groot glas bier staan. Dichterbij komend herken ik de trekken van Misja. Voornamelijk in het pikzwarte - bij hem iets teruggetrokken - haar, het voorhoofd, de in elkaar overlopende wenkbrauwen en de neus. Dit is onmiskenbaar zijn vader. De man kijkt me vreemd aan en dan realiseer ik me dat hij waarschijnlijk de kleren van zijn zoon herkent. Het shirt dat Misja me heeft geleend is niet bepaald eentje dat je zo in het rek vindt namelijk. Moet ik er iets van zeggen? Nee, is mijn prompte reactie. Vader Weber hoeft uit mijn mond niet te vernemen dat ik de vriend van zijn zoon ben. Misschien beter gezegd een vriend … nee dat verbeter ik meteen: Misja en mezelf kennende is hier zeer zeker sprake van de vriend! Zonder blikken of blozen loop ik verder, ik groet hem vriendelijk en dan spreekt hij me aan en vraagt of ik een prettige vakantie heb.

“Ja, zeker. Oostenrijk is een prachtig land en bovendien is het weer uitstekend.”

“Ietsjes te warm zeker voor wandelen de afgelopen twee dagen.”

Ik geef een bevestigend antwoord en vertel hem dat ik gisteren en vandaag in het zwembad ben geweest.

“Wilt u misschien een glas bier?” vraagt hij mij.

Zou hij tegen iedereen zo vriendelijk zijn of alleen nu speciaal tegen mij omdat hij de kleren van Misja herkent? Misschien wil hij me wel beter leren kennen in een wat langer gesprek.

“Nee, dank u. Ik moet nog eten en anders houd ik de keuken te lang open.” Hij lacht en het treft me dat het precies dezelfde lach is als die van Misja. Op zich zou een glas bier lekker geweest zijn maar het idee om hier met Misja’s vader een glas bier te drinken, vind ik vreemd omdat ik wel weet wie hij is maar hij van mijn relatie met Misja nog niet op de hoogte gesteld is. Hij kan het alleen maar vermoeden. Want voor hetzelfde geld heeft hij de kleren niet herkend en haal ik me alleen maar wat in mijn hoofd.

“De volgende keer als u weer wilt gaan zwemmen, vraag dan bij de balie even naar een vrijkaart.”

“Dank u wel.”

“Niets te danken. We moeten er toch voor zorgen dat onze gasten het naar hun zin hebben?”

Ik knik, bedank hem nogmaals voor het aangeboden bier en de vrijkaart en zoek dan meteen mijn tafel op. Het is tien voor acht, nog net op tijd.

Tijdens het eten meldt mijn mobiele dat er een SMS binnengekomen is. Ik open mijn inbox en zie de boodschap van Misja: i  u. Nu bloos ik. Meteen stuur ik hem een bericht terug: i  u 2. Met moeite werk ik het eten naar binnen. Ik heb het gevoel dat de liefde me voldoende vult en sla het dessert dan ook over. Op mijn kamer bel ik mijn ouders om aan mijn dagelijkse verplichting te voldoen. Ik vertel hen over het prachtige weer, over het zwembad en dat ik morgen een bergwandeling ga maken maar zwijg over Misja. Dat hoeven ze nog niet te weten. Nu nog niet. Na het eten douche ik me op mijn kamer en sla voor het eerst deze vakantie een boek open. Maar de aandacht erbij houden lukt me echter niet. Voortdurend is Misja in mijn gedachten. Zittend op mijn bed val ik uiteindelijk in slaap. Midden in de nacht word ik met pijn in mijn nek wakker. Niet echt een comfortabele houding dus. Ik strek me languit en dut weer in.

Ik heb met Misja afgesproken dat ik op tijd bij de kabelbaan naar de Patscherkofel zal zijn. Vandaag ga ik met de auto omdat ik niet precies weet hoe en of er wel bussen rijden op zondag. De duur van de rit valt me reuze mee en net iets na negen uur rijd ik de parkeerplaats op. Het is nog erg rustig. Zodra ik uitstap, staat Misja al naast de auto. Hij was er dus alweer eerder dan ik.

“Kom,” zegt hij terwijl hij mijn hand vastpakt en me meesleurt, “dan kunnen we nog net mee!” Rennend bereiken we de kassa en hij betaalt onze kaartjes voor de rit naar boven.

“Moeten we geen retour nemen?”

“Nee, luie donder! De terugweg lopen we.”

Oké, mij goed. In de lift naar boven zijn wij de enige passagiers. Toeristen slapen vaak en zeker op zondag uit, lijkt het wel. Misja is erg stil en afgezien van de woorden die ik hiervoor geschreven heb, praten we niet met elkaar. Boven aangekomen, stappen we uit. Ik zie een tweede kabelbaan die nog hoger leidt maar die nemen we niet. Misja loopt langs het Patscherkofelhaus en neemt de leiding. Hij zet er flink de pas in en ik moet grote moeite doen om hem bij te houden. Ergens is er iets niet helemaal in orde, heb ik het idee. Hij is me te stil, te rustig, te …Ik zie aan de nummering op de kaart die ik er bij gepakt heb en de bordjes onderweg dat we route 49 volgen in de richting van de Lanser Alm. Maar veel liever wil ik dat Misja eens stil blijft staan zodat ik hem kan vragen wat er nou eigenlijk is. Vooreerst laat ik hem echter nog begaan. Maar als het mij na een uur van stevig stappen te gortig wordt, trek ik aan de noodrem. “Alsjeblieft Misja, vertel me wat er aan de hand is.”

Hij blijft stilstaan en kijkt me verbaasd aan. “Wat bedoel je!”

“Zoals ik het zeg. Wat is er aan de hand!” Het lijkt alsof hij me niet begrijpt maar ik weet gewoon dat er iets is. “Je rent al de hele tijd voor me uit! Je praat niet met me! Wat is er!”

Zijn ogen gericht op de grond voor zijn voeten zegt hij heel zachtjes: “Ik ben bang dat ik je kwijt raak.”

“Ja, als je zo door blijft rennen wel.” Zijn ogen stralen verbazing uit als hij me recht in de ogen kijken. “Grapje!” Hij begrijpt het niet. “Stom grapje. Maar waarom zou je me kwijt raken!” Hij zoekt naar woorden. Als hij naar me opkijkt, lees ik in zijn ogen verdriet, wanhoop en paniek. Geen goed teken dus!

“Misschien hebben we gisteren dingen te snel gedaan. Misschien heb ik je te snel mee naar huis genomen hebben we te snel aan elkaar gezeten en …”

Dit gaat niet goed! Ik onderbreek hem. “Misja, luister goed naar me. Als ik gevonden had dat het te snel ging, had ik er eerder wat van gezegd. Ik had het meteen kunnen doen, ik had het kunnen doen na je SMS’je, ik had het vanmorgen op de parkeerplaats kunnen doen maar … ik heb er niets van gezegd. Voor mij gaat het niet te snel. Dat wat wij hebben, ontwikkelt zich volgens mij op precies de goede manier.”

“Denk je?”

“Ja, anders zei ik het niet. Geloof me, Misja, dit gaat niet te snel. En je verliest me echt niet.”

“Wat ontwikkelt er zich tussen ons dan volgens jou?”

“Een relatie. Iets wat langer gaat duren dan de dagen van mijn vakantie. Zo zie ik het in elk geval.”

“Echt waar?”

“Ja! Ik zou heel graag willen dat het langer duurt, Misja. Anders had ik me letterlijk en figuurlijk niet zo snel bloot gegeven aan je.”

“Wauw,” klinkt het uit zijn mond.

Het is een uitroep van opluchting, van blijdschap. En dat zie ik ook terug in zijn ogen. De eerdere gevoelens zijn verdreven.

“Je maakt me echt ontzettend blij, Frank.”

“Jij mij ook, Misja. Zonder jou zou ik dit nooit meegemaakt hebben. Ik heb het idee dat we heel goed bij elkaar passen.”

“Ja, ik ook. Mag ik je nog een vraag stellen om me gerust te stellen?”

Hij doet maar. Het maakt me niet uit. Al zijn vragen zal ik beantwoorden als het moet. Ik knik.

“Stel je nou eens voor dat je een jongen hebt ontmoet en dat het net zo goed klikt als met mij.”

Ik ben verbaasd over de vraag. Waar wil hij heen?

“Jullie staan op het punt dat je een relatie aan wilt gaan en dan vertelt hij je dat hij een ziekte heeft waarmee hij niet oud zal worden.”

Is dat misschien de reden van het verdriet dat ik gelezen heb in zijn ogen? Heeft hij zelf zo’n ziekte?

“Wat doe je dan?”

Nadenken heb ik tijdens de vraagstelling al gedaan en dus kan ik hem snel antwoorden. “Dan zou ik die relatie ook aangaan. Omdat ik van hem houd! En houden van stelt geen voorwaarden!”

“Maar het kan met een jaar, drie maanden, twee weken over en uit zijn!”

“En?”

“Maar dat is dan toch niet de bedoeling?”

“Nee, daarin heb je gelijk. Maar dat wil niet zeggen dat ik er niet voor zou gaan! Ik ga voor de relatie op zich en niet voor de lengte ervan!” Opnieuw zie ik verbazing bij hem. Dit moet ik dus uitleggen. “Ik probeer altijd zoveel mogelijk te leven in het nu. Hier op deze plaats op dit moment leef ik, heb ik een relatie met die denkbeeldige figuur. Daar moet ik dan ook nu het beste van zien te maken. Ik wil geen gedachten hebben over morgen, overmorgen of de week daarna. Nu, op dit moment, moet ik het goed hebben in mijn relatie.”

“Maar zoiets heeft dan toch geen eeuwigheidswaarde, als het onze relatie zou betreffen …”

“Is dat dan nodig? De afgelopen dagen zijn voor mij de allerbeste van mijn hele leven geweest, Misja. Beter kan het toch haast niet! Deze dagen zal ik me tot in de eeuwigheid blijven herinneren! Hoezo geen eeuwigheidswaarde?” Onze blikken zijn steeds recht op elkaar gevestigd gebleven en bij mij blinken nu heel duidelijk tranen van ontroering in mijn ooghoeken maar bij hem ook. Hij snuift een keer en veegt met de rug van zijn hand door zijn ogen.

“Je bent heel bijzonder. Weet je dat, Frank.”

“Misschien wel, Misja. Maar zo ben ik nou eenmaal. Ik ga er volledig voor. En dus ook voor wat wij hebben. Als ik straks naar huis terug moet, blijf je niet alleen achter hier. Mijn gedachten zullen altijd bij je zijn. Elke dag kunnen we mailen, bellen of via MSN met elkaar praten. In de vakanties kunnen we bij elkaar zijn en op een dag zullen we echt helemaal bij elkaar zijn. Daar ga ik vanuit, Misja.” De tranen zijn bij hem nu niet meer weg te vegen. Ook ik snotter openlijk.

“Geloof je in de hemel?”

“Lastig. Mijn ouders hebben me christelijk opgevoed maar ik kan niet alles meer geloven zoals het mij verteld is. Ik ben een twijfelaar geworden. Hemel en hel vind ik iets te concreet als begrippen. Wel zou ik graag willen geloven dat er voor mensen die het hier heel slecht gehad hebben een plaats is waar ze het beter zullen krijgen. En dan denk ik aan mensen die geleden hebben onder oorlogsgeweld, mensen met een ziekte die hun leven heel moeilijk heeft gemaakt. Maar voor alles geloof ik dat we hier met elkaar een hemel op aarde moeten zien te verwezenlijken. Hier moet dat gedaan worden. Nu moet dat gedaan worden. Het heeft geen zin om met de handen over elkaar te gaan zitten afwachten tot het later beter wordt. NU!”

“Dat is een heel diepzinnig, Frank. Daar moet ik over nadenken.”

We zitten weerszijden van het smalle pad en kijken elkaar aan. Ik breng mijn hoofd iets dichter bij het zijne en ook hij doet dat. In het midden treffen we elkaar. Mijn lippen op de zijne. Langzaam open ik mijn lippen en ik voel dat ook hij dat doet. Mijn tong zoekt die van hem en als ze langs en over elkaar glijden gebeuren er allemaal dingen in mijn lichaam. Ik zie het licht van vuurwerk achter mijn ogen. Het knalt in mij maag. Kriebels stijgen op vanuit mijn onderbuik. Mijn piemel wordt voor de zoveelste keer stijf. Ik voel me onmachtig om op te staan. Als we de tongzoen verbreken, zitten we daar elkaar aan te kijken terwijl we uithijgen.

“Dat was verrekte goed, Frank!”

“Zeker,” verzucht ik.

Misja staat op en trekt me omhoog. Hand in hand lopen we verder. Het tempo ligt gelukkig een stuk lager nu en de sfeer is duidelijk verbeterd. We praten net als gisteren en de dag ervoor weer onophoudelijk met elkaar. En zo is het goed.

Tijdens elke pauze die we nemen, en dat zijn er veel, zitten we aan elkaar. Het moet gewoon zo zijn. We tongzoenen veel en verkennen met onze handen het lichaam van de ander. Misja reageert erg heftig als ik zachtjes in zijn tepels knijp, bemerk ik. Bij mij is er ook wel een reactie maar bij hem is die veel sterker. Ik daarentegen ben heel gevoelig op het plekje net onder mijn zak. Ja, ook daar bevoelen we elkaar. Misja begon ermee toen hij een hand bij mij mijn broek in liet glijden. Eerst speelde hij over het stof van mijn slip heen en later pakte hij het zaakje gewoon beet. Natuurlijk deed ik het ook bij hem. Zo leren we op die dag elkaar steeds beter kennen.

De wandeltocht is mooi. Misja kent de omgeving erg goed en wijst me op bomen, planten en dieren. Hij is een prima gids. Net iets voor zes uur zijn we terug op de parkeerplaats. Onderweg hebben we al afgesproken dat ik met hem mee naar huis zal gaan om officieel kennis te maken met zijn ouders. Bij de auto staand, zegt hij dat hij honger heeft en liever eerst naar Innsbruck rijdt voor een pizza. Geen slecht idee vind ik maar eerst wil ik nog eventjes met mijn ouders bellen omdat ik dat anders glad zal vergeten. Mijn bedoeling om het gesprek kort te houden mislukt. En zo staat Misja zeker een half uur te wachten op me. Ik verontschuldig me bij hem maar hij wuift het weg. In de stad is het rustig en Misja weet een goed restaurant in de buurt van een parkeergarage. Het eten is echt geweldig en de sfeer in het restaurant ook. Het doet echt Italiaans aan. Als we dan uitgegeten zijn, krijg ik toch het idee dat Misja zenuwachtig is.

“Zie je er tegenop om me voor te stellen aan je ouders?”

“Ja, gek hè. Ik weet dat het absoluut niet nodig is maar toch voel ik me gespannen.”

“Mijn moeder zei altijd als ik iets moest doen op school … een spreekbeurt of zo … dat ik niet zenuwachtig hoefde te zijn maar dat een beetje gespannen zijn heel goed was.”

Misja glimlacht. “Ik zal het onthouden. Zullen we dan maar gaan?”

“Kom, joh. Ik sleep je er wel doorheen. Ik heb je vader gisteren gezien bij het hotel”, iets dat ik hem nog helemaal niet verteld heb, “en hij lijkt me een heel joviale man.”

“Dat is hij ook. En mijn moeder is er ook een uit duizenden.”

Het is al tegen elf uur als we in Igls bij het huis van de familie Weber aankomen. Misja zegt dat ik de auto naast die van zijn vader kan parkeren. Als we uitstappen, springt de buitenverlichting aan. Met zijn sleutel opent Misja de deur en ik volg hem naar binnen. Hij gaat me voor naar de woonkamer. Ik voel dat hij ontzettend zenuwachtig is en pak hem bij zijn bovenarm beet. Hij draait zich om en ik kus hem vol op de mond.

“Sterkte, lieverd!”

“Idioot,” mompelt hij. We gaan de woonkamer binnen en merken dan al snel dat zenuwachtig worden echt niet nodig is geweest. Misja’s ouders hangen onderuit gezakt op de bank en slapen diep. Ze hebben ons niet horen binnenkomen en daarom draaien we ons ook maar weer stilletjes om en verlaten het vertrek.

“Moet je niet een briefje neerleggen dat je thuis bent?”

“Ja, misschien beter van wel.” In de keuken haalt hij papier en pen uit een la en daarmee schrijft Misja een kort briefje. “Ben thuis. Laat me morgen maar lekker lang slapen. Trusten!”

“Je hebt helemaal niets over mij geschreven,” zeg ik grappend. Hij maant me tot stilte en gaat voorzichtig de woonkamer weer in.

“Had ik je dan zo moeten voorstellen soms!” fluistert Misja.

“Nee, joh. Was maar een grapje. Dat voorstellen komt wel een keer of wil je misschien liever dat ik nu naar huis ga.”

“Nee, zeg! Jij bent dwaas! Ik wil je in mijn bed vannacht!”

Snel vlucht ik de trap op naar boven en hij rent achter me aan. Slapende ouders of niet.

We douchen ons samen. Met flink wat douchecrème in de handen smeren we elkaar lekker in. De lichamelijke reactie is er meteen: twee harde jongens die schuin omhoog wijzen. Ook die worden flink ingezeept. Misja draait zich om en staat toe dat ik ook zijn rug flink behandel. Natuurlijk maak ik van de gelegenheid gebruik om ook zijn billen mee te nemen. Stevig kneed ik zijn harde billen en heel steels laat ik even een vinger door zijn bilspleet glijden iets dat hem hard doet kreunen. Dan is het zijn beurt om mijn achterkant te doen. Hij doet het nog subtieler dan ik deed als hij met het topje van een vinger een klein eindje mijn gaatje binnengaat. Het is ontzettend lekker. We spoelen ons af en als Misja dan de kraan heeft dichtgedraaid, zakt hij op zijn knieën voor mij. Ik weet wat hij gaat doen en heb moeite om rustig te blijven. Mijn adem gaat gejaagd. Hij merkt het.

“Rustig, Frank. Hiervan moet je genieten. Laat je niet compleet gek maken.”

Ik knipoog naar hem en kijk toe hoe hij de voorhuid over de eikel terugschuift. Hij steekt zijn tong uit en likt over de paarse kop. Ohhh, wauw. Dat is gewoon geweldig. Niet te beschrijven gewoon hoe zoiets voelt. Mijn ballen trekken meteen op alsof ik onmiddellijk moet spuiten maar dan komen ze ook weer tot rust. Zijn lippen sluiten zich rond mijn lul en hij zuigt hem diep naar binnen. Ik heb een gewoon maatje en het hele ding verdwijnt in zijn mond. Het gevoel is … is adembenemend en ik moet me er dan ook zelf aan blijven herinneren dat ik wel moet blijven ademen. Steeds sneller gaat mijn hartslag en ook mijn ademhaling. Puffend blaas ik telkens de lucht weer naar buiten terwijl mijn harde in en uit Misja’s mond glijdt. Heel vaak kijkt hij naar me op. Hij glimlacht en knipoogt dan naar me. Hij heeft door hoe goed het is. Zijn handen liggen op mijn heupen en af en toe laat hij mijn staaf met kracht tussen zijn lippen door gaan. Dan ineens explodeer ik! Het zaad spuit er in een aantal stralen uit en ik zie hem slikken. Ik grijp hem in zijn zwarte, natte haren en kreun alsof mijn leven ervan af hangt.

Even later liggen we afgedroogd in bed en is het mijn beurt om hem te laten genieten. Maar het lijkt erop dat hij ook nu een actieve rol wil gaan spelen. Opnieuw speelt hij de gids.

“Ga op je rug liggen.” Op handen en knieën staat hij nu over me heen. Ik pak alle kussens die ik kan vinden en prop die onder mijn hoofd. Zijn ding bungelt boven mijn gezicht. Ik pak hem beet en lik eraan als aan een lolly. Hij liet mij hard kreunen maar kan er zelf ook wat van. Mijn tong gaat likkend van zijn eikel naar de onderkant van zijn balzak. Ik maak hem flink nat. Heen en weer gaat mijn tong. Als ik weer eens onder zijn ballen zit te likken, ga ik een eindje verder zijn spleet in. Hij kreunt nu enorm hard. Ik kijk naar hem op en zie een vertrokken maar ontzettend genietend gezicht. “Pijp me!” En dan neem ik zijn gezwollen lid tussen mijn lippen. Hij doet het stootwerk. Ik hoef hem niet te begeleiden. Met lange halen gaat hij in en uit. Het is een vreemd maar ontzettend geil idee dat hij mijn mond neukt! Mijn handen laat ik over zijn billen glijden. Ik bespeel zijn ballen en steek dan een vinger in zijn door mij nat gemaakte gaatje. Een keiharde schreeuw geeft hij als ik bij hem naar binnen dring. Op en neer gaat zijn lichaam boven mij. Hij zweet als een otter en ik ruik zijn heerlijke geur. Mijn vinger laat ik zover als mogelijk naar binnen gaan in zijn gaatje. Hij kreunt nog steeds. Ineens wordt zijn pik harder en groter in mijn mond en dan komt de eerste straal. Meteen heb ik mijn mond helemaal vol. Verwoed slik ik zijn zaad in en ik moet blijven slikken om niet te stikken in zijn eruptie.

Zwetend liggen we daarna nog lange tijd naast elkaar. We hebben zojuist besloten om verder niets te doen. De wandeling van vandaag, de emoties en onze eerste echte liefdesdaad hebben allemaal hun tol geëist en ons doodop gemaakt.

“Was het goed?” wil Misja weten.

“Ja, ontzettend goed.”

“Dat vind ik ook. Klaarkomen met iemand anders die je naar je hoogtepunt brengt is ontzettend goed.” Hij legt zijn hoofd op mijn borst. “Ik houd van je, Frank.”

“Ik ook van jou, Misja.” Al snel hoor ik zijn ademhaling regelmatiger en langzamer worden. Als hij dan echt in slaap is, geef ik me ook over in Morpheus’ armen.

Lucky Eye
Berichten: 88
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 15:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 101 keer
Bericht Re: MISJA door Lucky Eye » vrijdag 27 november 2015 09:21

Hoofdstuk 4

Als ik mijn ogen opsla, zie ik het gezicht van Misja boven me hangen. Misschien heb ik het al eerder gezegd en val ik in herhaling maar zo zie ik hem graag. Zijn ogen stralen pret uit en om zijn lippen ligt een olijke glimlach. “Waarom lach je zo?” wil ik weten.

“Ik ben blij met jou!”

En om dat te bewijzen drukt hij zijn lippen op die van mij en laat hij zijn tong meteen in mijn mondholte doordringen. We tongen elkaar lang en ik weet dat mijn ochtenderectie nog harder wordt dan hij al is. Ik voel tussen zijn benen en grijp hem bij zijn ballen. Met een hard gekreun verbreekt hij dan de zoen.

“Hé nu niet, schatje. Het is al vreselijk laat en ik wil dat we vandaag iets heel leuks gaan doen op een heel bijzondere plek.”

Ik heb het idee dat ik weet waar hij op doelt met dat ‘heel leuks’ maar die ‘heel bijzondere plek’ had voor mij ook zijn bed mogen zijn. Om hem hier en nu te laten voelen hoeveel ik van hem houd, daar zou ik geen bezwaar tegen hebben. Maar hij wil iets anders en ik ben lief genoeg om me te schikken.

“Kom op! Eruit luiwammes!”

“Hoe laat is het?”

“Het is half twaalf en willen we nog iets aan de dag hebben dan moeten we wel opschieten.”

Ik stap uit bed en volg hem naar de badkamer. Bloot naast elkaar staand, scheren we ons. Ik gebruik het scheermes van zijn vader met een nieuw mesje natuurlijk.

“Euhhh, hebben we ook condooms nodig?”

“Lijkt me niet, lieverdje. We hebben het beiden nog nooit eerder gedaan en dus kan er ons niets gebeuren.”

“Glijmiddel?”

“Beter van wel maar dat heb ik in mijn rugzak gestopt. Gisteren al!”

“Ahhh, je was dus voorbereid!”

“Ja!”

“Maar als we geen condooms gebruiken, krijgen we da…”

Ik begrijp zijn vraag en onderbreek hem.

“We kunnen ons spoelen van te voren dan krijgen we in elk geval geen poep aan onze pik.”

“Weet jij hoe dat moet?”

Regelmatig heb ik de vragen in de rubriek ‘Vraag het Johnny’ op homo.nl gelezen en dus weet ik hoe het spoelen gaat. Ik leg het hem uit maar als hij me idioot blijft aankijken, wil ik het hem voor doen. Als ik de doucheslang pak en de kop eraf draai, begrijpt hij al snel wat de bedoeling is en houdt me tegen.

“Zou jij het vervelend vinden als je iets aan je pik krijgt?”

Met een brede glimlach om de lippen geef ik hem mijn antwoord. “Nee. Niet als het van jou is.”

“Ik ook niet dus laat maar mooi. Trouwens … heb jij haren in je bilspleet?”

“Ja, een klein beetje.” Hij kijkt me aan alsof hij iets wil zeggen maar hij zegt niets. “Is dat een probleem?”

“Zou je je daar voor mij willen scheren?”

Ik heb het nog nooit gedaan maar voor hem doe ik alles en pak het scheermes. “Hier ga je gang,” en daarmee duw ik hem het mes in handen, “en zorg ervoor dat je me niet snijdt!” Staand in de douchebak buig ik me voorover terwijl ik mijn voeten zo wijd mogelijk uiteen zet. Eerst doet hij wat scheergel in mijn spleet en dan voel ik het mes zijn werk doen. Hij controleert zijn werk netjes en spoelt dan haartjes en gelresten weg.

“Keurig netjes, Frank. Je ziet er goed uit.”

Als ik me wil omdraaien zegt hij me dat ik nog even moet blijven staan. His wish is my command! En dan voel ik zijn tong door mijn kale spleet glijden. Het is een heerlijk gevoel. Shit, zit hij me eerst te drijven dat ik op moet schieten en nu … nu maakt hij me hartstikke gek met die tong van hem. “Ahhhhhhhh,” ik kreun lang en diep. Het is een top gevoel. Hij drukt met het puntje tegen mijn gaatje aan dat zich iets voor hem opent. Dan ineens voel ik hoe hij een vinger naar binnen duwt.

“Die had je nog tegoed, schatje,” zegt Misja. Met zijn vinger maakt hij neukende bewegingen en ik krijg het vreselijk benauwd.

“Ohhhh, stop, Misja anders pak ik je meteen hier in de badkamer en niet op dat bijzondere plekje van je!”

“Oh, dat moeten we niet hebben.” Hij drukt een kus op mijn beide bilhelften en laat zijn vinger voorzichtig naar buiten glijden.

Ik sta puffend met mijn handen op mijn knieën. Dan ineens slaat hij me met de vlakke hand waar hij me net nog kuste en zegt dat we op moeten schieten. We douchen ons snel, kleden ons aan, maken brood in de keuken voor onderweg, pakken onze rugzakken in en rijden dan naar de parkeerplaats onder bij de berglift. Misja is duidelijk meer in zijn sas dan gisteren en praat honderduit. Hij wijst links, rechts en naar beneden als de cabinelift omhoog glijdt. Hij laat me onder andere zien waar de bobslee-, rodel- en kunstijsbaan liggen van de Olympische Winterspelen van 1976. Als we dan boven bij het Patscherkofelhaus zijn, gaan we niet naar het noordoosten zoals gisteren maar naar het zuidwesten in de richting van de Patscheralm.

“Ik laat je straks het allermooiste plekje van de hele wereld zien,” legt hij uit en trekt me aan de hand mee.

Het volle half uur dat we lopen, blijft hij maar praten en zeggen waarom juist dat plekje zo mooi is. Het vlakke, rotsachtige landschap van bij de berglift verandert tijdens onze wandeling halverwege ongeveer in een diep en donker bos.Voor ik het weet staat hij stil.

“Benieuwd?”

“Reuze, Misja.”

Hij lacht en zijn ogen hebben iets hemels gekregen. Het lijken op echte sterren zoals ze in zijn gezicht fonkelen en stralen. Mijn hand, die hij even los had gelaten, wordt opnieuw vastgepakt en vanuit het donkere bos waarin we staan, baant hij zich - mij met zich meetrekkend - een pad door het dichte struikgewas. Bosjes striemen me tegen de benen en beestjes vliegen aan alle kanten rondom ons op. Ik probeer op te letten waar we vandaan komen en in welke richting we gaan. Weet niet waarom ik dit doe maar iets zegt me dat ik me moet oriënteren. Het wordt steeds donkerder om ons heen. “Weet je zeker dat we goed gaan, Misja,” vraag ik als een vaag gevoel van angst me bekruipt.

“Ja zeker, Frank. We gaan precies zoals ik wil.”

De donkerte om me heen maakt het dat ik het benauwd begin te krijgen. Paniek pakt me bij de keel en het liefst zou ik zo snel mogelijk terug willen rennen naar het veilige pad dat we verlaten hebben maar ik vertrouw op Misja. Volledig vertrouw ik op hem. En dan … dan ineens als de laatste barrière geslecht lijkt te zijn, staan we in de volle zonnestralen. Het is een plek die haast niet beschreven kan worden. De woorden die Misja gebruikt heeft tijdens de tocht hierheen doen het nog te kort. En ook wat ik nu ga schrijven kan nooit de volledige schoonheid van deze plaats evenaren maar toch zal ik een poging doen. Het is een open plek tussen reusachtige, donkere woudreuzen. Zacht, groen gras bedekt de bodem en overal zijn geurige en kleurrijke bloemen te zien. Ik hoor het geluid van stromend water en Misja trekt me mee in de richting ervan. Vanaf een grote rots hoog boven de open plek stort een beekje zich naar beneden. Het heldere water klettert op de rotsige bodem er recht onder en baant zich dan via het gras een weg over de open plek het donkere bos in. Het is inderdaad het allermooiste dat ik ooit gezien heb en ik begrijp Misja’s verrukking volledig. Een groot rotsblok ligt in het midden van de kleine vlakte. Misja schiet razendsnel uit zijn kleren en rent naar de waterval toe. Als hij dan onder het klaterende water staat, schiet me ineens een bijbelpassage te binnen. Je weet dat ik gelovig ben opgevoed maar het gebeurt me haast nooit dat ik ineens aan een bijbelverhaal moet denken. Nu echter wel. Het zonlicht dat op het zich neerstortende water schijnt geeft een prachtige schittering en de naakte mannenfiguur van Misja lijkt alsof het geheel en al van glas is gemaakt. Alles schittert om hem heen. Dit keer geen aureool zoals in het zwembad, de eerste dag dat ik hem trof, maar een alles omhullend stralend licht. Zo lijkt hij nog meer op een engel en zo zie ik ook Jezus voor me, toen hij door Johannes de Doper in de Jordaan werd gedoopt en God vanuit de hemel zijn licht op hem liet schijnen en zijn opdracht bevestigde. Maar … dan komt de twijfelaar weer in mij naar boven. Misja is volledig een man van vlees en bloed met vleselijke lusten en ik weet dat hij me straks wil nemen. Jezus was zo niet. Of misschien ook weer wel. Wellicht hebben de schrijvers van de Evangeliën hem bewust zo steriel beschreven om hem nog bijzonderder te maken! Misja’s schreeuw dat ik bij hem moet komen, wekt me op uit mijn overpeinzingen. Ik schop mijn schoenen en sokken uit en ook de rest van de kleren is snel verdwenen. Dan ren ik op het uitnodigende water toe. Eventjes aarzel ik nog. Zou het water nog kouder zijn dan in ‘Cascade’? Langer tijd om te aarzelen krijg ik niet want Misja pakt mijn arm beet en trekt me onder de waterval. Het water is inderdaad koud maar als je er een klein poosje onderstaat, merk je er niets meer van. Misja trekt me dicht tegen zich aan en ook ik sla mijn armen om hem heen. Onze lippen raken elkaar en daarna vrijwel meteen onze tongen. Met open mond staan we elkaar te tongen terwijl het koele water geil ons beider tongen omhult en de mond inloopt. Geil gehijg mengt zich bij het ruizen van de waterval. Zijn handen zijn overal op me en maken dat ik het ondanks het frisse water behoorlijk heet begin te krijgen.

“Ohhh,” kreunt hij dan in mijn oor, “ik wil dat je me neemt Frank. Ik wil die harde van jou diep bij mij van binnen hebben. Laat me met dat prachtige lichaam van je voelen hoeveel je van me houdt.”

“Dan kan geregeld worden, liefste,” fluister ik terug. Ik pak zijn hand beet en trek hem mee uit het water vandaan. Hij wijst me dat we het beste naar de rots kunnen gaan. Die zorgt voor een mooie schaduwplek. “Op je handen en knieën, lieverd,” zeg ik hem. Hij kijkt me verrast aan.

“Ga je me zo nemen, hoe weet je dat …”

“Nee,” val ik hem in de rede, “zo ga ik je voorbereiden.” En ik vertel hem dat ik gelezen heb dat een ander standje beter is voor de eerste keer. “In dat standje bepaalt degene die zich laat nemen zelf hoe diep en snel het gaat. Jij bent dus degene die de controle over alles heeft en dat heeft zo zijn voordelen.”

“Maar, als het jou nou eens opwindt om juist zelf die controle te hebben, dan mis je dat!”

“Ja, daarin heb je gelijk. Maar deze ene, eerste keer zal toch niet onze laatste zijn?” Zijn lach schalt over de open plek.

“Het laatste woord is aan jou, Frank. Kom doe wat je moet doen.”

Hij gaat op handen en knieën zitten en ik neem achter hem plaats. Strelend glijden mijn handen van zijn schouders naar zijn billen en weer terug. Ik wil ervoor zorgen dat hij geniet. Ook van het voorspel moeten we samen genieten. Zijn lichaam voelt goed aan onder mijn strelende handen en aan zijn kreunen merk ik dat hij het fijn vindt. Als ik dan weer beneden bij zijn mooi gekleurde billen ben (waarschijnlijk is hij hier veel vaker geweest, in zijn blootje), duw ik ze iets uit elkaar en breng mijn hoofd naar zijn spleet. Met mijn tong begin ik zijn gaatje te likken. Een oerkreet galmt door het bos. Hij laat zich volkomen gaan. Als het hem te lang duurt, spoort hij me aan om verder te gaan. Graag had ik hem zo zittend voor me genomen maar voor de eerste keer zal ik straks op mijn rug gaan liggen. Snel haal ik mijn rugzak op en haal de tube glijmiddel eruit. Ik smeer wat van het goedje op zijn kontgaatje en laat snel eventjes een vinger naar binnen glijden. Voor een tweede keer laat hij zich horen. Enorm geil word ik van deze opgewondenheid bij hem. Dan smeer ik mijn pik in en ga op mijn rug liggen. Terwijl hij een knie aan beide kanten van me zet, houd ik mijn stijve beet bij de stam. Langzaam laat hij zich zakken tot mijn harde zijn billen raakt. Het is eventjes manoeuvreren maar dan raakt mijn eikel zijn gaatje. Met opeengeperste lippen kreunt hij.

“Oké, daar gaat ie dan,” kondigt hij aan terwijl hij zich over mijn pik laat zakken. Zijn geconcentreerde gezicht verandert in een grimas.

“Doet het pijn?”

Hij knikt.

“Zullen we dan maar stoppen?”

“Nee, natuurlijk niet! Ik wil dat we volledig samen zijn, Frank!” En opnieuw doet hij een poging. Weer is er even die blik van pijn maar ik voel dat hij verder gekomen is.

Eventjes neem ik initiatief door mijn heupen omhoog te bewegen. Hij slaakt een kreet maar ik weet dat mijn eikel nu helemaal in hem zit en vertel hem dat. Het dikste gedeelte is naar binnen gegleden. “Je kunt nu langzaam verder gaan, Misja. Het ergste heb je gehad.”

“Weet je het zeker?”

Natuurlijk weet ik dat niet zeker! Ik ben net zo groen als hij maar toch knik ik. Hij laat zich verder over me heen zakken om dan weer iets op te veren. Zo verdwijnt mijn stang steeds verder in zijn kontje. Ik weet niet wat hij voelt maar voor mij is het hemels. Er staat een grote druk op mijn pik maar het is een prima gevoel. Ineens begint hij fanatiek te wippen. Zijn hoofd zwaait wild heen en weer. Oh wauw, ik zit helemaal in hem. Het is fantastisch. Hij biedt mij zijn handen aan en als we elkaar dan vasthouden, ontwikkelt hij een steeds hoger wordend tempo waarin ik in en uit hem ga. Nu is het aan mij om luidkeels van me te laten horen. Zou ik me al hebben willen inhouden, het is gewoon onmogelijk! Genot doorstroomt mijn hele lijf en als ik opnieuw schreeuw, spuit ik mijn zaad in hem. Waarschijnlijk voelt hij het in zich komen want hij strekt zich over me uit en begint me te tongen. Waar we ook maar met elkaar verbonden kunnen zijn, zijn we één. Twee zwetende, aan elkaar plakkende lichamen. Tijdenlang blijven we zo liggen. Mijn pik neemt in omvang af en ik voel hoe het sperma erlangs naar buiten loopt. Het maakt me allemaal niets uit. In die momenten van volledig samenzijn heb ik hem laten voelen hoeveel ik van hem houd. We blijven onophoudelijk tongzoenen en raken compleet buiten adem. Als Misja zich uiteindelijk van me af laat rollen, begint hij hijgend te praten.

“Dank u,” zegt hij met zijn ogen op naar de hemel.

Meteen kijk ik hem verbaasd aan.

“Dank je, Frank,” herstelt hij zich. “Dit was zo ontzettend goed. Ik heb er zovaak met mensen over gepraat, ik heb er zoveel over gelezen maar niets kan tippen aan de werkelijkheid. “En nu is het mijn beurt,” volgt er dan meteen op.

“Ahhh, niet eerst eventjes afspoelen onder de waterval?” smeek ik haast.

“Niets ervan! Ik heb je graag als je nat van het zweet en geil bent,” lacht hij gemeen en zet me meteen in voorbereidingspositie. Op handen en knieën laat ik hem begaan. Het is opnieuw verrukkelijk om zijn tong op die plek te voelen. Het glijmiddel is echt heel koud en fris maar zijn vinger die meteen diep gaat vergoedt veel. Dan neem ik plaats boven hem. Het is behoorlijk geklungel om zijn pik op de juiste plek te krijgen en beiden krijgen we zowat een lachstuip. Maar als het dan wel lukt, weet ik dat ik moet proberen om de eikel zo snel mogelijk erin te krijgen. Mijn tanden op elkaar zettend, laat ik mijn achterste meteen diep over zijn lid zakken. Tegelijkertijd slaan we een kreet. Dat was dat! Mijn kontgaatje brandt en voelt heel zeer aan en daarom wacht ik bewust een tijdje voor ik verder ga. Dan begin ik hem langzaam te berijden. Met heel kleine stukjes laat ik me dieper en dieper over hem heen zakken. We zweten ons beiden te pletter. Ineens is er dan die overgang naar genot. Genot dat alles te boven gaat. Alle pijn en rotgevoelens ebben weg en maken plaats voor iets verrukkelijks. Ik zag het bij hem die overgang toen hij wild met zijn hoofd begon te zwaaien en ik kan niet anders dan hetzelfde doen. Mijn bovenlijf maakt onwillekeurige bewegingen en terwijl ik op zijn jongeheer op en neer wip, stoot hij zijn heupen wild tegen me aan. Het gevoel heeft iets onaards, iets totaal onwerkelijks, iets dat niet te beschrijven is. Dan komt hij klaar en spuit een grote lading warm, zaad in me. Vermoeid maar ontzettend voldaan blijf ik zitten tot hij uitgespoten is. Ik kijk hem recht in de ogen en zie allerlei gevoelens behalve verdriet. “Dank je, Frank. Dit was geweldig. Laten we afspreken dat we nooit een keuze maken tussen het een of het ander, oké?” Meteen begrijp ik hem.

“Ook mijn idee, Misja. Ik wil het beide. Ik wil jou neuken maar ook door die lekkere pik van jou genomen worden!”

“Maar nu wil ik douchen!” brult hij en beweegt zich zodanig dat zijn pik uit mijn lijf floept en ik van hem afval.

“Je vond zweet en geil toch zo lekker?”

“Dat van jou ja! Niet mijn eigen!” Hij springt in de benen en rent naar de waterval. Ik ren hem achterna. We spoelen onze vermoeienissen van ons af en leven na een paar minuten verfrissend water weer helemaal op.

“Hoe heb je deze plek ooit gevonden?” vraag ik hem.

“Klinkt het gek als ik zeg dat ik het gevoel had dat ik ergens heen geleid werd?”

“Nee, absoluut niet.”

“Ik heb het niet altijd even gemakkelijk gehad en had een plek nodig waar ik me helemaal terug kon trekken en dat werd deze plek.” We stappen uit het water en drogen ons af. “Hier heb ik me altijd helemaal mezelf gevoeld en daarom wilde ik het hier graag met jou doen.”

Allerlei gevoelens borrelen in me op nu. Moet ik hem vragen wat er met hem aan de hand is of moet ik het juist niet doen? Ik weet het niet. Veel tijd om verder na te denken geeft hij me niet want hij is nog hartstikke geil en zegt me dat hij nog een keer genomen wil worden. Ik zucht en wijs hem op mijn slappe. Daar weet hij wel raad mee. Hij duwt me achterover en begint die kleine van mij te likken en te zuigen. Snel ben ik weer op volle sterkte. Hij smeert zijn eigen gaatje in met glijmiddel en gaat op handen en knieën zitten. “Leef je uit, lieverd!” Zijn holletje is een uitdagend doel. Ik gebruik het koele spul op mijn harde en zet mijn eikel er tegen aan. Dan stoot ik me hard en snel naar binnen. Dit standje is ruwer van aard maar zeker zo opwindend. Het is verrekte goed! Geil ook dat ik zelf kan zien hoe ik heen en weer ga tussen zijn benen maar wel jammer dat ik hem niet in de ogen kan kijken. Ik had graag zijn ogen zien stralen van genot. Willen zien hoe zijn ogen tot stralende sterren werden. Te vroeg naar mijn mening stort ik me opnieuw in hem leeg. Nu ben ik echt uitgeput en laat ik me meteen op mijn rug glijden. Misja lijkt nog voldoende energie te hebben, neemt de voorbereiding voor zijn rekening en gaat dan onvermoeid verder. Hij legt mijn benen tegen zijn schouders en zijn staaf tegen mijn warme, natte hol. Moeiteloos penetreert hij me waarbij hij zijn harde meteen een heel eind naar binnen krijgt. Ik hap naar adem. Hij glimlacht en begint me fors te naaien. Hij werkt zich behoorlijk in het zweet en laat me met volle teugen genieten van zijn tomeloze inzet. Wauww, hij doet dit stukken beter dan ik zojuist gedaan heb, realiseer ik me. Ik voel me alsof ik helemaal los van de wereld ben. Totaal onthecht lijk ik te zweven. Alles om me heen is hemels genot en er lijkt geen einde aan te komen. Ik begin sterretjes te zien en smeek hem zijn lading in me te legen. Zijn eruptie lijkt eindeloos. Straal na straal spuit hij in me. Loom laat hij zich tussen mijn benen in over me heen vallen. Zijn hoofd ligt op mijn borst en zo vallen we in slaap.

Heel veel later word ik wakker omdat hij zachtjes tegen mijn arm tikt. “Hoe laat is het,” vraag ik hem.

“Het is half zes. We moeten opschieten want anders komen we niet op tijd voor de laatste dalvaart.” Snel springen we onder het water en spoelen ons af. We nemen niet de tijd ons af te drogen maar trekken meteen onze kleren aan en rennen dan op een drafje terug naar het Patscherkofelhuis. We zijn op tijd. Als de gondel naar beneden glijdt, vertelt Misja me dat hij vanavond niet met me samen kan zijn. Hij heeft een afspraak met een oude vriend. Ik begrijp het en eerlijk gezegd kan ik vanavond best wel wat slaap gebruiken. Bij de auto nemen we afscheid hoewel ik aangeboden heb hem naar huis te rijden.

“Nee, liever niet,” antwoordt hij. “Terwijl ik terugloop heb ik nog mooi lang de tijd om na te genieten van ons samenzijn.” Ik lach naar hem en realiseer me dat ik nog zo ontzettend veel aan hem vragen moet.

“Misja?”

“Ja?”

“De volgende keer dat we samenzijn moeten we eerst eens goed met elkaar praten, oké?” Hij kijkt me verbaasd aan. “Er is zoveel dat ik nog niet van je weet en ik wil je echt leren kennen.” Als hij nog steeds verbaasd is, geef ik de toelichting die ik al veel eerder had moeten geven. “Toen ik je die eerste dag bij het zwembad zag, las ik in je ogen dat je veel verdriet had. Ik heb nog nooit voldoende tijd gehad om daar met je over te praten en ik zou dat toch heel graag willen.”

“Oké, ik snap het maar dat moeten we dan echt bewaren voor de volgende keer. Goed?”

“Prima. Wat doen me morgen?” Even komt er een heel verbaasde blik op zijn gezicht alsof hij nog nooit van het woordje ‘morgen’ gehoord heeft maar dan herstelt hij zich snel.

“Morgen wordt het weer tropisch warm dus ik denk dat we het beste dan maar naar het zwembad kunnen gaan. Vind je dat goed?” Ik heb geen bezwaar.

Na een lange tongzoen verlaten we elkaar. Ik rijd de auto van de parkeerplaats en keer terug naar het hotel. Ruik ik fris genoeg om zo aan tafel te gaan? Of is het misschien toch beter om eerst nog te douchen, vraag ik me af. Ik schuif meteen aan tafel en als Misja’s vader, die deze avond meehelpt in de bediening, het eten serveert, vraag ik hem naar de vrijkaart voor het zwembad zodat ik morgenvroeg niet tot negen uur hoef te wachten totdat de receptie open gaat.

“Ik zal hem meteen halen voor je,” biedt hij aan. Maar wie er ook terugkomt, geen meneer Weber. Ik eet rustig af, blijf nog even zitten maar als het mij te laat wordt, loop ik naar de balie toe. Ik zie hem achter de receptie in allerlei laatjes en vakjes zoeken.

“Kunt u hem niet vinden?” vraag ik beleefd.

“Nee! Hij moet hier ergens zijn maar … ik snap het niet.” Nogmaals loopt hij allerlei dingen na. “Maar stom! Waarom zoek ik nou ook net naar die ene. Ik heb nog wel een andere. Een momentje nog.” En dat ene momentje is gelukkig ook één moment want vrijwel meteen komt hij terug met een kaart voor ‘Cascade’. “Kijk eens aan. En mijn excuses dat ik je zolang heb laten wachten. Ik zocht een bepaalde kaart en … die blijkt dus nergens te zijn.”

“Geeft niet, meneer Weber, hartelijk dank.”

Snel ga ik naar boven en spring onder de douche. Het water is lekker maar niet zo lekker als die van de waterval. Ontzettend moe bel ik mijn ouders op. Er moet iets aan mijn stem te horen zijn want diverse keren vraagt mijn moeder me of ik wel helemaal in orde ben. Ik vertel haar dat ik erg moe ben. ‘Nee, dat is het niet’ zegt ze. Ik weet waar ze op doelt maar vertellen doe ik haar niets. Over zoiets praat je toch niet?

Lucky Eye
Berichten: 88
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 15:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 101 keer
Bericht Re: MISJA door Lucky Eye » donderdag 03 december 2015 20:29

Hoofdstuk 5

Misja is aan het skiën. Plotseling valt hij en glijdt richting de rand van de piste. Ineens springt zijn roerloze lichaam op en verdwijnt over de oranje afbakening in de diepte. Reddingswerkers doen grote moeite om hem uit het ravijn te halen waarin ze uiteindelijk slagen. Hij ligt in het ziekenhuis en zijn ouders staan naast hem. Hij sluit de ogen en dan hoor ik ineens het monotone geluid van de apparaten die aangeeft dat hij er niet meer is …

Met een luid geschreeuwd ‘Neeeeeeeee!!!’ word ik zwetend wakker. Ik zit rechtop in bed en kijk verwilderd om me heen. Waar ben ik in godsnaam! Dan realiseer ik me dat het een droom is geweest maar wel eentje die heel echt op me overgekomen is. Het gebeuren ligt nog stevig op mijn netvlies en ik durf ook niet meer te gaan slapen omdat ik bang ben meteen in dezelfde nachtmerrie terug te vallen. Met de kussens rechtop ga ik zitten lezen en blijf dat doen tot het ochtend is. Als eerste ben ik in de eetzaal voor het ontbijt. Misja’s vader is er vanochtend niet. Tenminste niet in de bediening. Maar ja, hij zal ook wel zijn vrije dagen hebben tenslotte. Opnieuw neem ik de auto naar Innsbruck. Het is me goed bevallen en de weg naar het zwembad moet makkelijk te vinden zijn. Ditmaal ben ik als eerste bij ‘Cascade’ en moet ik wachten op Misja. Om half tien als de eerste andere badgasten zich melden, is hij er nog niet. Hij zal zich toch niet verslapen hebben, vraag ik me af. Misschien is de afspraak met die vriend wel laat geworden en … Kom, spreek ik mezelf toe. Het is nog lang geen tien uur en bovendien is hij altijd op tijd geweest dus waarom nu niet? Maar als de deuren opengaan en de stroom mensen naar binnen schuifelt zit ik nog steeds op Misja te wachten. Dan doemt er ineens een heel vervelende gedachte op bij me. Het zal toch niet zo zijn dat Misja toch alleen maar uit was op seks en dat hij, nu dat eenmaal gebeurd is, me laat stikken? Nee! Meteen verwerp ik dat idee. Zoiets is onmogelijk. Enigszins onrustig blijf ik zitten wachten. Het wordt kwart over tien, half elf en uiteindelijk elf uur voor ik iets doe. Dan pak ik mijn mobiele telefoon, zoek het nummer van Misja op in het adresboek en bel hem op. Het duurt lang voordat hij opneemt.

“Helena Weber,” hoor ik aan de andere kant van de lijn. Zijn moeder? Waarom neemt zijn moeder op? Verward verbreek ik meteen de verbinding. Wat is er aan de hand? Waarom… Veel tijd om na te denken heb ik echter niet want vrijwel meteen gaat mijn mobiele over. Het is Misja! Maar??? Ik neem op maar zeg niets. “Spreek ik met Frank?”

“Ja.”

“Mijn man en ik willen heel graag met je praten Frank.”

“Is Misja ziek?”

“Daarover willen we graag praten. Ben je bij het zwembad nu?”

“Ja.”

“Ik bel nu Hans op en hij komt je zo afhalen. Je bent met je eigen auto gegaan, hè?”

“Ja.” Veel meer weet ik niet te zeggen. Het is allemaal zo vreemd. Hoe weet ze waar ik ben? Hoe weet ze dat ik met mijn eigen auto ben gegaan? En waarom neemt Misja niet zelf op? Of waarom belt hij niet zelf terug? Nog geen tien minuten later stapt Hans Weber uit een zwarte Mercedes Cabrio die meteen weer vertrekt. Hij loopt op me toe en steekt zijn hand naar me uit.

“Ik ken je al wel vanuit het Gasthof maar ik geloof dat ik me nog niet officieel aan je heb voorgesteld.”

Ik sta op en schud zijn hand waarbij we onze namen uitwisselen.

“Zal ik maar rijden?”

Daas pak ik de sleutels uit mijn broekzak en overhandig die aan hem. Inderdaad een goed idee want ik voel me absoluut niet in staat om de auto te besturen. Het lijkt alsof een mistwolk zich ineens om mij heen heeft ontvouwen en een heel akelig en onheilspellend gevoel komt over me. Hans rijdt de auto weg en door Innsbruck heen in de richting van Igls.

“Is Misja ziek?” probeer ik nu bij hem.

“Misschien is het beter als we straks in alle rust met z’n drieën daarover praten en niet nu.
Oké?”

Laat ook maar, denk ik. Ik heb wel tijd. Het is dinsdagochtend 3 augustus en de dag die zo mooi is begonnen, lijkt ineens af te stevenen op een catastrofe. Het doemdenken in mijn hoofd neemt tijdens de rit toe en iets diep in me zegt me dat ik me moet voorbereiden op iets heel ergs.

Meteen bij het oprijden van de oprijlaan gaat de voordeur open en komt Helena Weber naar buiten. Ze blijft bij de deur op ons staan wachten. Ik heb nu de gelegenheid om haar goed in me op te nemen. Zaterdagavond heb ik haar eventjes gezien maar dat was veel te vluchtig om een goed beeld van haar te vormen. Net zoals toen bij zijn vader zie ik nu de duidelijke trekken van Misja bij haar. De ogen, mond en kin zijn die van haar. Ook zij geeft me een hand maar drukt daar meteen haar tweede overheen. Dit is niet goed, roept alles in me. Ze gaat me voor naar de woonkamer terwijl Hans de voordeur achter ons sluit. De woonkamer ziet er net zo uit als toen ik hier zaterdagavond voor het eerst binnenkwam. Nee! Toch niet helemaal! Naast de televisie staat een portret van Misja en daarnaast …. Ik loop erop toe en met bevende handen pak ik de kaart op. Ik lees zijn naam, de datum 2 februari 1985 en dan … die andere datum. Ik weet niet wat voor onheil ik precies verwacht had maar ik had me er in de auto al niet gerust op gevoeld. Ik had verwacht dat Misja ziek zou zijn, dat hij wellicht een chronische, slopende ziekte zou hebben, want had hij daar zelf niet op gezinspeeld? Maar dit … dit had ik nooit verwacht. Ik had nooit kunnen denken dat hij zomaar ineens zou kunnen sterven. En je hebt niet eens afscheid van hem kunnen nemen, galmt het door mijn hoofd. Ik heb hem in die moeilijke laatste momenten niet tot steun kunnen zijn. Ineens doet hevige schrik mijn hart een keer overslaan en daarna begint het ding als een razende te kloppen Dan dringt de werkelijke betekenis van die tweede datum pas tot me door. Er staat: 5 maart 2004. Mijn handen beginnen zo hevig te trillen dat ik de kaart op de grond laat vallen. “Dit kan niet!” fluister ik om het vervolgens keer op keer te herhalen. “Gisteren heb ik Misja nog gezien, heb ik nog met hem gesproken, heb ik nog met hem …” Een snik maakt de laatste woorden onhoorbaar voor Helena en Hans. “Het kan niet waar zijn dat hij dood is!” Ik heb dringend lucht nodig en ren de woonkamer uit, door de keuken en bijkeuken de tuin in. Radeloos kijk ik om me heen want waar moet ik heen? Dan zet ik het op een lopen en ren naar de bosrand toe. Ik loop het bos een klein eindje in zodat ik het idee heb dat het huis er niet meer is. Het huis dat alle herinneringen bergt aan Misja. Ik kan het niet bevatten. Aan Misja die volgens die vervloekte kaart al meer dan vier maanden, nee al bijna vijf maanden dood zou zijn! Het kan gewoon niet! Ergens moet een fout gemaakt zijn. Is de Misja op de kaart dezelfde als de jongen met wie ik gisteren zo heerlijk gevreeën heb. Even schiet de gedachte me door het hoofd dat er iemand een misselijk spel met me speelt maar meteen laat ik dat ook weer los. Als ik me in herinnering roep hoe serieus Helena en Hans overkomen, is dat gewoon een onmogelijkheid. Maar Misja was gisteren nog bij me en nu moet ik opeens geloven dat hij al een tijdlang dood is? Aan de voet van een grote grove den laat ik me op mijn knieën zakken. Vroeger hebben ze me geleerd te bidden en bidden zal ik nu. Ik wil een antwoord. Al de vragen die zo-even in mijn hoofd rondspookten en nog veel meer schreeuw ik luidkeels naar de bomen die boven me uit toornen. Het enige antwoord dat ik krijg is een oorverdovende stilte. Zelfs de vogels die eerder nog zongen houden nu hun snavels. Een antwoord blijft uit. Ik sla mijn handen voor mijn ogen en laat de tranen stromen.

“Het is niet te vatten, hè?” hoor ik de stem van Helena. Ik blijf geknield zitten en schud mijn hoofd. “Wij konden er eerst ook helemaal niets mee.”

“Waar niets mee,” zeg ik snikkend.

“Met hetzelfde als waar jij nu mee worstelt.”

“En? Waar worstel ik dan mee?” Want ik begrijp eigenlijk helemaal niet wat ik moet vatten.

“Met het feit dat er allerlei onmogelijkheden ineens mogelijk zijn geworden.”

“Ik snap het niet!”

“Wij ook niet, Frank.”

Dan valt er een diepe stilte. Een stilte waarvan ik begrijp dat ik uit die stilte geen antwoorden zal krijgen. Ik zal met deze twee mensen moeten praten, naar hen luisteren om mijn antwoorden te krijgen. “Sorry, dat ik zo onbeleefd reageerde,” zeg ik terwijl ik mijn met tranen bevlekte gezicht naar haar ophef. Ze loopt op me toe, legt een hand op mijn hand en trekt me tegen zich aan.

“Het geeft niet, Frank. Denk je dat Hans en ik in het begin altijd even leuk naar elkaar gereageerd hebben.”

Ze kijkt me aan maar ik heb het idee dat ze geen antwoord verwacht.

“Echt niet. Dat soort dingen gebeurt nou eenmaal omdat er verdriet is en dan … dan is het niet erg.”

Haar handen gaan strelend door mijn haar. Ik voel me goed bij haar. Ze troost me en ik wil getroost worden, heb de behoefte om getroost te worden.

“Ga je mee naar binnen? Dan kunnen we beginnen erover te praten.”

Ik sta op en pak de hand die ze me toesteekt. Binnen ga ik in het midden van de bank zitten met Hans aan de ene zijde van mij en Helena aan de andere.

“Drink eerst wat,” zegt Helena terwijl ze mij een glas water aanreikt.

Met kleine slokjes drink ik van het koude water. “Wat is er gebeurd?” vraag ik dan. Maar ik weet dat ik het antwoord al heb en zonder op een antwoord te wachten ga ik verder. “Was het dat ski-ongeval?”

Ze wisselen een snelle blik uit onderling. “Je hebt het gezien?” vraagt Hans.

“Ja.” Hun ogen zijn op mij gericht en ik merk hoe de blik daarin verandert. Meteen vraag ik hen de verandering van blik in hun ogen uit te leggen.

Helena neemt het woord. “Toen je het zo zei, schrok ik omdat het zien ervan vreselijk moet zijn geweest. Daarna voelde ik het als een soort van bevestiging. Onze dromen - waar we allang van overtuigd zijn dat het geen gewone dromen zijn - worden dus ook door anderen waargenomen.”

Nieuwe vragen rijzen op bij mij.

“Een aantal dagen na zijn overlijden, zag ik Misja voor het eerst in een droom,” begint Helena, “logisch zul je zeggen. Omdat het allemaal nog zo vers was en ik me hem graag wilde herinneren. Maar toch was de droom heel bijzonder. Het was zo vreselijk realistisch en soms gebeurde het me daarna ook overdag dat ik zomaar eventjes wegdommelde en dan … hem zag en hoorde.”

“Hoe kon het dat hij ineens viel.”

“Misja heeft niet een gemakkelijk leven gehad,” gaat Hans verder. “Twee maanden te vroeg hebben we hem moeten laten halen omdat het anders mis zou zijn gegaan voor hem en mijn vrouw. Daarna heeft hij bijna twee jaar in het ziekenhuis gelegen. Toen we dachten dat alles goed ging en hij prima herstelde, werd hij opnieuw ziek. Lange tijd wist niemand wat er nu werkelijk aan de hand was. Hij kreeg koortsaanvallen, darmkrampen en hevige diarree en uiteindelijk stelde men de diagnose: Ziekte van Crohn. Een vreselijke darmziekte die hem heel veel pijn en kracht heeft gekost en waarvoor geen genezing bestaat. Die ziekte zette zijn hele leven op de kop.”

“Misja kon bijna nooit meedoen zoals andere kinderen dat konden,” neemt Helena het gesprek over. “En daardoor raakte hij in een soort van sociaal isolement. Maar toch vond hij ondanks alle problemen steeds weer een nieuwe uitdaging. Kon hij het op de ene manier niet bereiken dan bedacht hij wel iets anders. Hij was ontzettend sterk, dapper en moedig en legde zich er niet bij neer. Verder was hij bijna altijd goedgehumeurd en bijzonder levenslustig. Natuurlijk had hij ook wel zijn mindere dagen en waren er momenten dat hij bij ons uithuilde, hij is tenslotte gewoon een mens nietwaar? De laatste tijd was de pijn heel erg sterk en viel hij af en toe flauw. Een erg lastige bijkomstigheid waarvoor wij erg bang waren. Maar Misja wilde zich er niet door laten beperken. En zo gingen wij dus ook gewoon, zoals elk jaar, op skivakantie. En dat werd hem op die dag fataal. Iets anders kan het niet geweest zijn want hij is een uitstekende skiër.”

Beiden kijken bezorgd naar mij. Ik moet er vreselijk uitzien afgaand op hun blikken.

“Ik stel voor dat je nu eerst even gaat rusten. Dan praten we later op de dag verder. Vind je dat goed?”

“Ja.” Ik kan nu inderdaad niets meer hebben. Alleen kan dat rusten nog wel een probleem worden. Gelukkig heeft Helena er iets voor en met een nieuw glas water slik ik ook meteen een pil weg. Ze lopen met me mee naar Misja’s kamer.

“Je kunt zijn kamer wel gebruiken.”

Op zich vind ik het een vreemd idee maar ook heel vertrouwd. Hier ben ik tenslotte vaker geweest. Ik schop mijn gympen uit, haal mijn mobiele uit mijn broekzak en leg deze na hem uitgeschakeld te hebben op de ombouw van het bed. Dan strek ik me uit op het bed, Misja’s bed.

“Tot straks,” zegt Helena en ik hoor hoe zij en Hans de kamer verlaten en de deur sluiten. De tranen komen opnieuw en snikkend val ik in slaap.
* * *

Als ik langzaam weer naar de oppervlakte drijf, merk ik dat het buiten nog wel licht is maar dat het toch veel later moet zijn. Hans zit in een stoel in de hoek van de kamer.

“Ben je hier de hele tijd geweest?” vraag ik hem met krakende stem.

“Nee. Helena en ik hebben elkaar regelmatig afgewisseld maar we wilden niet dat je alleen wakker zou worden.”

Het zijn ontzettend lieve mensen. Echte ouders. De mijne zouden precies zo gedaan hebben.

“Het eten is bijna klaar. Misschien wil je eerst nog even douchen?”

Ik knik.

“Kom je dan straks naar beneden?”

“Ja, dat doe ik.” Hij laat me alleen. Alleen met mijn gedachten die ik probeer te verdringen. Eerst moet ik meer antwoorden hebben en die zullen pas komen, neem ik aan, na het eten. Ik heb gelijk. Tijdens het eten praten we weliswaar met elkaar maar is het veel meer dat Misja’s ouders allerlei dingen van mij willen weten. Ik heb nauwelijks tijd om het eten naar binnen te werken maar dat geeft niet want ik heb toch niet echt trek. Als ik mijn bord wegschuif, zegt Helena dat ik beter had moeten eten maar dat ze het wel begrijpt. Hans maakt koffie in de keuken en Helena en ik gaan vast naar de woonkamer toe. Zodra hij zich bij ons voegt, laat ik mijn eerste vraag op hen los. “Ik kan het me niet voorstellen dat Misja er alleen maar was via dromen want dat zou betekenen dat ik de afgelopen vier dagen continue aan het dagdromen ben geweest en dat is gewoon onmogelijk!”

“Nee,” licht Helena toe, “er waren ook heel duidelijk andere tekenen. De dromen kwamen het eerst bij mij en later ook die eerste echte tekenen. Na Misja’s overlijden heb ik het nooit over mijn hart kunnen krijgen zijn kamer leeg te ruimen. Ik wilde dat niet en wil dat nog steeds niet. Maar ineens vond ik kleren van hem in de was die voordien gewoon in zijn kast gehangen hadden.”

“Ze vertelde het mij en ik … ik wilde er niet aan”, zei Hans.

“Toen ik op een gegeven moment zijn bergschoenen in de bijkeuken vond onder de modder wist ik zeker dat hij op de een of andere manier terug was gekomen.”

“Ik was enorm sceptisch ondanks het feit dat ik inmiddels ook dezelfde dromen als Helena had. Toen zij een weekend weg was, besloot ik het - wat het dan ook maar wezen mocht - uit te dagen. Ik nam drie van Misja’s favoriete CD’s uit zijn kamer en legde die op diverse plaatsen neer: twee hier in huis en één in het Gasthof. Binnen twee dagen lagen ze weer netjes op zijn kamer en had ik een briefje bij mijn ontbijtbord met de tekst: ‘Foei, pap!’. Toen was ook ik overtuigd.”

“En ook jij moet denk ik wel weten dat het meer is dan alleen maar een droombeeld, toch?” vraagt Helena terwijl ze mij indringend aankijkt.

In de stilte die valt, voel ik weer wat ik met Misja mee heb gemaakt, hoe we elkaar bemind en liefgehad hebben. Hoe hij er helemaal was voor mij en ik voor hem. Zoiets kan toch niet alleen maar een droombeeld geweest zijn? Ja, natuurlijk weet ik het maar ik wilde die bevestiging van hen krijgen en leg dat zo goed als mogelijk uit. “Maar hoe is het mogelijk?” Dan valt er even een stilte die uiteindelijk door Hans verbroken wordt.

“Een logische uitleg is er natuurlijk niet. Iedereen aan wie je dit probeert uit te leggen, verklaart je voor compleet geschift. Maar voor ons is er iets van een verklaring.” Hij haalt diep adem voor hij verder gaat. “Vlak voor zijn overlijden was hij heel helder. Zeker twee uur hebben we met z’n drieën gepraat. Op een gegeven moment vroeg Helena hem of hij gelukkig geweest was. Zijn stralende glimlach zei ons al voldoende maar heel uitgebreid verzekerde hij ons dat hij ondanks alles heel gelukkig geweest was, vooral met ons als ouders. Toen hij uitgepraat leek, betrok zijn gezicht toch iets. ‘Er is een ding dat me gelukkiger gemaakt zou kunnen hebben,’ zei hij. We vroegen wat dat was en openhartig als hij altijd geweest is, ging hij verder. ‘Ik zou nog gelukkiger geweest zijn als ik een heel lieve jongen ontmoet had met wie ik naar lichaam en geest één had kunnen zijn.’ Explicieter hoefde hij niet te worden. We wisten volledig wat hij bedoelde.” De stem van Hans is verstikt van tranen en Helena neemt het van hem over.

“Hans is altijd de rasoptimist en heeft als levensmotto ‘Zeg nooit nooit’. Toen Misja zijn laatste wens, zo hebben wij het tenminste opgevat, uitgesproken had voegde hij daaraan toe: ‘Maar dat zal nu wel nooit meer lukken.’ Hans reageerde bijna automatisch: ‘Zeg nooit nooit, Misja.’ ‘Ook nu nog niet, Pap?’ ‘Nee, ook nu nog niet’. Misja was moe en sloot zijn ogen en vrijwel meteen daarna sliep hij in. Met alle mogelijke middelen hebben ze nog geprobeerd hem weer terug te halen maar wij wisten dat het voorbij was. Maar … dat was het dus nog niet. Op de een of andere manier heeft hij kans gezien om terug te komen en wij denken dat het te maken heeft met die laatste woorden die hij met Hans heeft gewisseld. Het niet willen opgeven ook niet als alles er ontzettend slecht voorstaat.”

“Misja, kwam dus terug,” concludeer ik, “en is op zoek gegaan naar zijn laatste wens?”

Beiden knikken ze.

“Zijn er andere jongens geweest?”

“Ja, er zijn er twee geweest met wie wij, zij het in een droom, kennis hebben gemaakt,” gaat Hans in op mijn vraag. “De eerste leek heel leuk en aardig maar zodra hij met Misja alleen op zijn kamer was, veranderde hij in een op seks belust wezen. Andere woorden heb ik er niet voor.”

“Zijn er ook niet voor,” bevestigt Helena haar man, “Hij wilde meteen alles met Misja doen en je kent Misja en weet dus dat zoiets nooit zijn bedoeling is geweest.”

“En de tweede?” Misschien is het een stukje zelfbevestiging maar ik wil heel graag weten waarom het mij dan uiteindelijk wel gelukt is om zover met Misja te komen.

“Nummer twee was van het rustiger type en toen het leek alsof ze echt een relatie zouden krijgen, stelde Misja hem een voor hem heel belangrijke vraag.”

Intuïtief wist ik welke het was en citeerde hem.

“Hij heeft jou die vraag dus ook gesteld.”

“Ja.” Alleen had hij dus zijn handelswijze iets gewijzigd want hij heeft hem mij gesteld voordat hij me mee naar huis nam om zijn ouders te ontmoeten.

“De jongen was heel eerlijk en zei dat hij met zoiets niet kon leven. Dat zoiets hem te veel pijn zou doen.” Hans haalt zijn neus op en Helena strijkt met de rug van haar hand over haar ogen.

“Hoe wisten jullie van mijn relatie met Misja?”

“Toen ik zaterdag aan het eind van de middag thuis kwam,” reageert Helena, “zag ik dat de ramen van het hele huis keurig schoongemaakt waren. Er stond nog water op het terras aan de achterzijde van het huis en het meest duidelijke bewijs, ik vond kleren in mijn droogtrommel die niet van Misja waren. Ik belde meteen Hans om hem te vertellen dat Misja hoogstwaarschijnlijk een nieuw vriendje had en in dat gesprek brak hij me vrij plotseling af met de boodschap dat hij terug zou bellen.”

“Want,” zo vervolgt Hans het verhaal, “ik zat op het terras voor het Gasthof en toen er een auto aan kwam rijden, herkende ik meteen het T-shirt dat de bestuurder droeg nog voor hij goed en wel uitgestapt was: het was het T-shirt van Misja dat ik voor hem in Amerika gekocht had. Het duurde niet lang voordat ik besefte wat er gaande was. Het voelde heel bijzonder. Ik zou de nieuwe vriend van mijn zoon ontmoeten in levende lijve.”

“Dat was bij die eerste twee keer nooit gebeurd dan?”

“Nee, alles vond plaats in onze dromen. We zijn al die tijd niets anders geweest dan toeschouwers en zagen hen ook pas op het moment dat Misja hen aan ons voorstelde en nu … nu zag ik jou nog voordat Misja je officieel aan ons bekend had gemaakt. Ik probeerde je wat aan de praat te houden en bood je een glas bier aan maar jij wilde graag aan tafel en bedankte. Of voelde je jezelf ook wat ongemakkelijk misschien?”

“Ja, zeker. Ik vond het een vreemd idee omdat jij niet wist wie ik was en ik andersom wel, begrijp je?”

“Ja, dat moet raar geweest zijn.”

“Maar met die anderen was het allemaal in een droom dan? Ook op het moment dat de relatie kapot ging?”

“Ook op dat moment,” zegt Helena, “was het voor ons een droom. We zagen hoe die eerste jongen en Misja naar boven gingen en vrijwel meteen dat het mis ging. Misja moest hem letterlijk van zich afslaan en toen de voordeur met een klap dichtsloeg, zijn we naar bovengerend en hebben in onze droom Misja getroost.”

Hans neemt het woord over en vertelt het andere verhaal. “Toen moesten we alleen twee mensen troosten want Misja’s vriend was er net zo beroerd aan toe,” sluit Hans dan af.

In mijn hoofd probeer ik alles op een rijtje te krijgen. Misja’s ouders hebben zijn vriendjes dus gezien vanaf de kennismaking totdat het misging en dat was dus op zich een heel korte periode en ze hebben hen nooit in levende lijve gezien.

“Maar hebben jullie dan ook kennis met mij gemaakt in een droom?”

“Ja. Op zondagavond stelde Misja je aan ons voor.”

Ik zie hen voor me, slapend op de bank. Meteen haak ik erop in. “Dat kan dus niet! Toen Misja en ik de woonkamer binnenkwamen, lagen jullie beiden te slapen op de bank.”

“Als we niet met elkaar gepraat hebben,” zegt Hans, “hoe kan het dan dat ik weet dat je in Dalfsen (hij sprak het bijzonder beroerd uit) woont?”

“Registratie van het hotel?” kaats ik terug.

“Je bent slim maar alsjeblieft geloof ons,” verzucht Helena.

Ik wil het heel graag maar alles lijkt zo verdomde onmogelijk!

“Je moeder heet Trees, je vader heet Jan. Je hebt geen broers en zussen en je volgt de opleiding tot leraar basisonderwijs. Je hebt nog maar een paar maanden je rijbewijs …” en zo gaat Hans een tijdje verder. Heel puntsgewijs geeft hij een opsomming van het gesprek zoals dat volgens hem heeft plaatsgevonden.

“Het was een heel gezellige kennismaking. Al heel snel wisten we veel van je omdat je zo heerlijk open bent,” probeert Helena de toon van ons gesprek te veranderen.

Ik begin te blozen en voel me behoorlijk rot maar wil het nog niet opgeven en blijf stuurs voor me uit staren. Dan gaat Hans verder met zijn opsomming en als hij de naam van mijn teddybeer noemt en vertelt dat Brom op de tweede boekenplank van boven zit zodat hij de tuin in kan kijken, vraag ik hem te stoppen. Er is geen enkele reden meer om deze twee mensen nog langer te wantrouwen. Al mijn argwaan is verdwenen. Op zich kan het niet dat ik met hen heb zitten praten maar … het is ook onmogelijk dat zij al dit op een andere manier te weten zijn gekomen. “Het spijt me dat ik me zo vervelend gedragen heb en jullie niet vertrouwd heb,” begin ik.

“Dat geeft helemaal niets,” zegt Hans. “Als ik in jouw schoenen had gestaan, zou ik ook zekerheid willen hebben. Het is niet zomaar iets dat we jou vertellen.”

Helena pak tactisch de draad van het gesprek weer op en vertelt nog het één en ander over de kennismaking op zondagavond. ”Uiteindelijk zijn jullie naar boven gegaan en zijn wij dicht tegen elkaar aangekropen met een heel goed gevoel.”

Dan is er ineens een ander soort onrust dat zich van mij meester maakt. Hebben ze dingen gezien die niet voor hun ogen bestemd waren. Hebben ze gezien hoe wij … Mijn onrust is kennelijk opgevallen en meteen bezweert Hans me dat er verder niets te zien is geweest. Ik bloos en zucht tegelijkertijd. Maar toch zit me nog iets dwars. In een droom hebben ze dan wel niets gezien maar … “Jullie wisten van mijn bestaan. Hans had me niet alleen in een droom maar ook in het echt gezien. Toen kwam de kennismaking in een droom en hebben jullie, toen jullie wakker waren, niet de neiging gehad om even op Misja’s kamer te gaan kijken?”

“Nee,” is het snelle antwoord van Helena. “Ten eerste omdat Misja en jij recht hebben op privacy en ten tweede omdat wij er een ontzettend goed gevoel over hadden dat het nu - de derde keer - echt goed zou komen.”

“We wilden niet het risico lopen dat we ook maar iets zouden verstoren,” zegt Hans met een glimlach.

Heel even is het stil. Ik zie dat ze met een brandende vraag worstelen maar het lijkt alsof ze die niet durven te stellen.

Dan verbreekt Hans uiteindelijk toch de stilte. Haast fluisterend neemt hij het woord. “Mag ik je iets heel persoonlijks vragen?”

“Ja.”

“Heb jij Misja gelukkig kunnen maken?”

Ik sluit mijn ogen en kijk even naar de grond. Natuurlijk is zoiets ontzettend privé maar in dit geval weet ik dat ik gewoon antwoord zal geven en hen, als ze dat willen, zelfs de details zal onthullen. “Ja. Ik heb Misja gelukkig kunnen maken maar dat is niet alles. Hij heeft mij ook heel gelukkig gemaakt.”

Ik zie op beider gezichten een glimlach verschijnen.

Er volgt een gigantisch lange knuffel waarbij we elkaar nat maken met onze tranen. Tranen van verdriet maar ook van vreugde omdat Misja’s allerlaatste wens dan toch in vervulling is gegaan. Als we het lijfelijke contact verbreken, haalt Hans de koffie.

“Maar,” ga ik dan verder, “het was niet die avond hier in huis. We hebben wel iets gedaan maar hebben geen gemeenschap gehad. We waren gewoon te moe.” Daarna vertel ik hen van Misja’s bijzondere plek op de Patscherkofel. Ze luisteren geïnteresseerd en blijven dat doen ook als ik hen vertel over ons intieme samenzijn. Ik lijk zelf op een waterval en blijf maar praten. Mijn hele gevoel stort ik bij hen uit, iets dat ik nog nooit zo gedaan heb maar het voelt ontzettend goed. De stilte die daarna volgt is heerlijk. Alledrie zitten we waarschijnlijk met onze eigen gedachten en het is Helena die dan de stilte verbreekt.

“Nog één vraagje, als het mag.”

“Tuurlijk, je mag me alles vragen wat je wilt.”

“Stel dat je een nieuwe vriend krijgt, iets wat je nu nog onmogelijk zal lijken misschien maar stel … zou je dan zeggen dat hij je eerste vriend is?”

Hier hoef ik niet lang over na te denken. “Nooit! Misja is mijn eerste geweest en zal dat altijd blijven. Ook al weet ik nu dat er een bijzonder spel met mij, met ons, gespeeld is, is het toch werkelijk genoeg geweest om ervoor te zorgen dat ik me vanaf gisteren man kan noemen. Misja heeft daarvoor gezorgd en daarvoor zal ik hem altijd dankbaar zijn. Hij is mijn eerste vriend en komt er een ander, dan komt die altijd na Misja.”

Hans en Helena huilen opnieuw en ik leg het uit als tranen van dankbaarheid, wat ze even later ook bevestigen. Dankbaarheid omdat ik hun zoon nooit zal vergeten.

Ik zit met nog heel veel vragen waarop ik nog geen antwoord heb maar hoop dat ze mij met eentje nog kunnen helpen. “Waarom is Misja ineens weggebleven? Waarom heeft hij het mij niet zelf uitgelegd?”

“Het is giswerk van mijn kant maar ik denk dat het de bedoeling van de regisseur van dit geheel geweest is dat jij en wij met elkaar in contact zouden komen zodat we het enorme verdriet dat we alledrie voelen, kunnen delen.”

Ik denk er even over na en realiseer me dat ik met die verklaring kan leven. “En,” zo vul ik aan vanuit mijn eigen gedachten, “zijn extra tijd zat er na onze gemeenschap echt op.”

“Ook dat zou een mogelijkheid kunnen zijn,” volgt de reactie van Helena.

Tijdens mijn slaap heeft Hans mijn spullen uit het hotel gehaald en als ze mij vragen of ik de rest van de week hun gast wil zijn, heb ik dan ook eigenlijk weinig meer in te brengen. Maar ik had sowieso niet geweigerd. Ik vind het hartstikke fijn om bij hen te zijn. Het is al na middernacht als ik op Misja’s slaapkamer terugkom. Ik poets mijn tanden in de badkamer en ga naar bed. De slaap wil niet komen. Het is allemaal te emotioneel geweest en ik blijf maar piekeren over de twee grote onmogelijkheden in dit geheel. Is het dan toch mogelijk dat je terug kunt komen na je dood? Of heb ik de laatste dagen toch als een slaapwandelaar hier rondgelopen? Geen van beide mogelijkheden houd ik voor reëel en toch … toch heb ik op maandag nog met Misja hier rondgelopen. Werd ik hier naast hem in bed wakker. Hebben we samen gedoucht en ga zo maar verder. Ik herhaal alle handelingen van die dag. Dan ineens grijp ik mijn telefoon die op de ombouw van het bed ligt. Verdorie! Ik heb helemaal vergeten mijn ouders te bellen. Ze zullen inmiddels dodelijk ongerust zijn. Ik zet hem weer aan en zodra ik weer verbinding heb zie ik op het apparaat dat ze al diverse keren geprobeerd hebben te bellen. Snel kies ik hun nummer.

“Gelukkig, dat je belt, jongen,” hoor ik mijn vader aan de andere kant. “Je moeder en ik begonnen ons al ongerust te maken. Helemaal toen je maar niet terugbelde.”

Wat moest ik nu? Vertellen wat mij overkomen was vandaag? Hen zoiets onwerkelijks mededelen? Nee, ik besluit er maar wat van te maken en vertel hen dat ik uit geweest ben en dat het heel laat geworden is. Hij gelooft me op mijn woord, de goeierd. En ik voel me heel rot dat ik hem de waarheid niet durf te vertellen. Misschien zal dat ooit nog eens komen.

“Ga maar gauw slapen dan nu, jongen,” zo sluit hij af. “Je klinkt erg moe, weet je!” Daarmee nemen we afscheid.

Nog val ik daarna niet in slaap. Er is iets dat me maar niet te binnen wil schieten. Iets dat ik eerder al op had moeten merken, zo praat ik tegen mezelf. Ik baal ervan dat het ergens klem lijkt te zitten maar … ook dat helpt niets. Pas tegen vijf uur in de ochtend schiet het ineens door mijn hoofd. Ik heb zo hard gebeden, zo van pure frustratie en totale ontreddering geschreeuwd dat ik gedacht had geen antwoord gekregen te hebben maar … het was er wel degelijk geweest. Was het mezelf niet opgevallen dat zelfs de vogels stil waren geweest! Het antwoord was die stilte geweest en nu … nu weet ik hoe ik het antwoord uit moet leggen. Ikzelf ben aan zet! Ik zal onder ogen moeten zien dat niet altijd alles rationeel uit te leggen is. Ikzelf moet ermee uit zien te komen dat een onmogelijkheid wel degelijk een mogelijkheid kan zijn! Niets is onmogelijk! Maar … dan wil ik nog wel een ding zeker weten en met die gedachte val ik nog een paar uurtjes in slaap.

Woensdagochtend gaan we gedrieën meteen na het ontbijt op pad. Met de cabinelift gaan we de Patscherkofel op waar ik hen naar de bijzondere plek van Misja leid. Ik weet nu waarom die stem in me zei dat ik me moest blijven oriënteren want ik weet nu - met de kennis van nu - dat heel veel dingen voorbestemd waren. Als we het dichte struikgewas uitkomen en de open plek betreden, kijk ik naar hun gezichten. Hun monden vallen open van verbazing over de schoonheid van deze goddelijke plek. Terwijl ik dat zo denk, weet ik ineens ook dat Misja zich helemaal niet vergiste en zich helemaal niet herstelde toen hij eerst zei ‘dank u’ en meteen daarna ‘dank je, Frank’. Hij wist precies wat hij deed en dankte allereerst degene die hem de kans gegeven had om zijn laatste wens uit te voeren. En terecht! Want die verdient veel meer dank dan wie dan ook. Dan loop ik naar de plek naast de rots waar we eergisteren elkaar zo heerlijk hebben bemind. Het laatste stukje loop ik bewust met de ogen gesloten. Ik voel met mijn handen vooruit en voel de koelte van de grote steen. Het is alsof het me sterkt en zegt: ‘Doe wat je moet doen! Kijk!’ Ik open mijn ogen en zie overduidelijk de plek waar Misja en ik eergisteren gelegen hebben. Twee nachten en een volledige dag hebben de contouren van ons intieme samenzijn niet kunnen wegwerken. Het lijkt alsof deze plek zelf het zich heeft willen herinneren. Ik sla mijn ogen op naar de hemel en prevel: “Dank u.”

Samen met Hans sla ik een houten kruis in de grond waar het volgende ingebrand staat: Misja, Ruhe und Frieden, 02-08-2004. Drie van die kaarsen in rode potten zoals je zo vaak op kerkhoven in Duitsland en Oostenrijk ziet, completeren het gedenkteken. Op de terugtocht spreekt geen van ons. We zijn te zeer onder de indruk.

Daaropvolgend resten mij nog twee dagen voor ik op zaterdag weer naar huis zal vertrekken. Net als mijn ouders zijn Hans en Helena heel trots op hun kind en hebben ze fotoalbums en videobanden vol met opnamen van hem. Ze laten me alles wat ze hebben zien en wat echt heel tof is, uit hun enorme collectie foto’s stellen ze een verzameling samen voor mij die ik in een album mee naar huis mag nemen. Ik weet niet hoe ik ze hiervoor moet bedanken. Het is teveel!

Op vrijdagavond nemen we alvast het eerste afscheid van elkaar. Uit eigener beweging beloof ik hen plechtig dat ik in de herfstvakantie terug zal komen en dat ik in de tussentijd regelmatig wat van me zal laten horen.

“Wel doen hoor!” zegt Helena. “We hebben een zoon verloren en zouden het heel vervelend vinden als we zijn vriend ook nog zouden verliezen.”

Slapen doe ik die nacht slecht want het is me gewoon allemaal te emotioneel. Ik ga morgen terug naar Nederland en ben dan ineens echt weg van Misja, echt weg van Helena en Hans en weg van Oostenrijk waar het zich allemaal heeft afgespeeld.

Op zaterdagmorgen tegen acht uur sta ik naast mijn auto op de oprijlaan van de Webers. Hans en Helena staan bij mij. Ineens vraagt zij me of ik in toeval geloof.

“Misja vroeg me dat op de tweede dag dat ik hem zag ook en ik heb toen gezegd dat ik het niet wist. Dat ik er nog niet echt over nagedacht had. Omdat ik toen het idee had dat er soms dingen toevallig gebeuren maar dat het soms ook wel lijkt alsof dingen gewoon op een bepaalde manier moeten gebeuren. Ik heb er nu ondertussen wel over nagedacht en in dat laatste idee van dingen die op een bepaalde manier moeten gebeuren, ben ik enorm bevestigd. Ergens heeft iemand aan de touwtjes getrokken en ik ben een van zijn marionetten geweest.”

“Geeft dat een rotgevoel?”

“Nee. Want het gaat om het resultaat toch?”

“Dank je, Frank, dat je ons zo ontzettend gelukkig hebt gemaakt.”

“Ja, Frank. Dankzij jou is Misja gelukkig en wij ook. En,” zegt Hans met een knipoog, “mijn levensmotto is weer eens bevestigd.”

Een aantal kussen volgen en dan stap ik in om naar huis te rijden.

Ik ben nog maar net over de grens tussen Oostenrijk en Duitsland als ik me bewust word van zijn aanwezigheid. In helder wit T-shirt, witte bermuda en witte sportschoenen zit hij naast me en staart voor zich uit.

“Kijk me eens aan,” zeg ik hem. Even kijken we elkaar recht in de ogen omdat ik me al snel weer moet concentreren op het verkeer. Maar ik heb genoeg gezien. De blik in zijn ogen is dezelfde als die vrijdagochtend toen ik hem trof bij het zwembad: verdriet. En … ik snap het niet. Als hij wil beginnen te praten, onderbreek ik hem. “Nu nog even niet, Misja. Ik zoek een parkeerplek op en dan kunnen we rustig met elkaar praten want dat blijkt nodig te zijn. En ik heb ondertussen geleerd dat ik meteen door moet vragen.”

Bij de eerstvolgende gelegenheid stop ik en stappen we uit. Ik kies een picknicktafel ergens tegen de bosrand en ga met de rug naar de parkeerplaats toe zitten omdat ik niet weet of andere mensen Misja ook kunnen zien of horen. “Waarom die blik, Misja?” vraag ik hem.

“Hoe bedoel je?”

“Waarom ben je verdrietig? Ik heb precies dezelfde blik in je ogen gezien toen ik je voor het eerst trof bij het zwembad. Toen heb ik er niet naar durven vragen en toen ik het wel wilde, was het inmiddels te laat. Met de uitleg van je ouders heb ik het nu een plek kunnen geven maar nu, nu snap ik er even helemaal niets meer van.”

“Nee?”

“Nee, echt niet!”

“Jongen, ik heb verdriet omdat ik jou moet missen. Ik heb zoveel enorm leuks met jou mogen meemaken en nu ben ik je ineens weer kwijt. Nu weet ik wat ik allemaal moet missen doordat ik er niet meer ben. Als ik dit niet had meegemaakt, zou het verlies minder groot geweest zijn.”

“Bullshit, Misja! Dit is niet terecht! Dit is complete waanzin! Je lijkt op een klein, mokkend kind dat zijn zin gekregen heeft en dan weer een volgende eis op tafel legt!”

“Oh ja!”

“Ja!”

“Leg me dat eens uit als je wilt!”

Zijn toon is fel maar dat was de mijne ook. “Nadat je overleden bent, heb je iemand ervan kunnen overtuigen dat je nog wat extra tijd nodig had. Die tijd heb je niet alleen gekregen maar bovendien heeft men een zodanige regie gevoerd dat de een of andere idioot vanuit Nederland naar Oostenrijk is gekomen om in jouw extra tijd jouw laatste wens uit te laten komen. En nu je wens is vervuld, jouw eigen ouders blij zijn dat die wens is vervuld, ga jij lopen mokken als een klein kind?”

“Maar …”

“Nee, niks maar, Misja. Hier zul je het mee moeten doen. En als je dat niet kunt dan heeft het allemaal geen zin en waarde gehad en maak je de plaats waar jij nu bent voor jezelf tot een hel.” Het wordt stil. Erg stil. Ik houd mijn blik strak op zijn hoofd gevestigd maar zie zijn ogen niet. Als hij eindelijk dan zijn ogen opslaat, zie ik dat het kwartje is gevallen. Een voorzichtige glimlach verschijnt om zijn lippen.

“Maar het was ontzettend goed tussen ons, toch?”

“Dat was het zeker, Misja. En ik had het niet graag willen missen. Het is allemaal zeer zeker de moeite waard geweest.”

“Mis je mij?”

“Heel erg, Misja. Ik heb nog nooit zoveel van iemand gehouden en ik mis je ontzettend. Toen ik me realiseerde dat je voorgoed weg was en ik nooit afscheid van je kon nemen, was het alsof mijn hele leven instortte. Nog nooit heb ik zoveel verdriet in mijn leven gekend.” De tranen beginnen uit mijn ogen te rollen en hij veegt ze met de rug van zijn hand af. “Gelukkig waren je ouders er met wie ik het verdriet kon delen en die me wisten te troosten.” Hij glimlacht naar me en dan stel ik toch nog de vraag die me op het hart ligt. “Waarom was je ineens verdwenen? Waarom was er geen tijd voor afscheid? Ik zou het begrepen hebben!”

“Mijn tijd was op. De afspraak was dat ik de tijd had totdat mijn laatste wens vervuld was. Ik was al hartstikke blij dat ik daar op mijn plekje naast je wakker werd en dat ik je niet toen al alleen hoefde te laten. Maar ik was ook in paniek. Ik wist niet wanneer ik zou verdwijnen en wilde dat niet doen waar jij bij was vandaar dat ik je die smoes vertelde over die oude vriend waarmee ik een afspraak had en niet wilde dat je me naar huis reed. En uitleggen … dat durfde ik niet. Ik wist gewoon dat je vreselijk veel verdriet zou hebben en dat … dat is nooit mijn bedoeling geweest.” Nu huilt Misja ook. Als ons snikken ophoudt, kijkt hij me aan en stelt zijn volgende vraag. “Ben jij er nog iets mee opgeschoten?”

Hierover moet ik even nadenken.

“Je noemde mij iemand die voordeel heeft gehad bij mijn blessuretijd en mijn ouders maar niet jezelf.”

“Ja, ik heb er wel degelijk wat aangehad. Ten eerste weet ik nu dat ik als ik iets meen te lezen in iemands ogen ik er meteen naar moet vragen en het risico moet nemen er volledig naast te zitten. Ten tweede moet ik leren aanvaarden dat niet altijd alles met het verstand te beredeneren is. Ten derde moet ik mijn ideeën over God nog eens grondig onder de loep nemen. Het idee dat ik de laatste jaren aanhang dat hij er helemaal niet is, dat er helemaal niets is, kan niet meer kloppen. Er is meer, veel meer dan ik ooit had kunnen vermoeden en daarom moet ik het allemaal nog eens heel goed bekijken en er een nieuwe weg mee leren gaan.” Na enig nadenken, voeg ik nog een punt aan mijn lijstje toe. “Ten vierde weet ik nu zeker dat ik niet de enige serieuze vent op deze wereld ben. Jij bent precies zoals ik ben en dus zullen er ook nog wel meer zijn die niet meteen voor de seks gaan maar vooral belang stellen in het innerlijk van hun partner.”

Hij grinnikt.

“En als laatste heb ik de allerliefste jongen van de hele wereld mogen ontmoeten, vier prachtige dagen met hem mogen meemaken en met hem de liefde bedreven op een ongelofelijk goede manier.”

Hij pakt mijn handen beet en knijpt er zachtjes in terwijl we elkaar diep in de ogen kijken.

“Ik ben zo ontzettend blij dat ik toch nog afscheid van je heb kunnen nemen.”

Zijn hand voelt verdomme net zo echt alsof er iemand van vlees en bloed tegenover me zit. Door wat ik nu in zijn ogen lees weet ik, dat zijn verdriet volkomen verdwenen is.

“Je hebt mooi gesproken, Frank.”

“Dank je, Misja.”

“En, Frank?”

“Ja.”

“Als je ooit een ander ontmoet wil je me dan een ding beloven?”

“Hangt ervan af …” Ik maak hetzelfde grapje als dat ik eerder deed. Toen begreep hij me niet maar nu onderbreekt hij me en gaat, verstandig als hij is, verder.

“Beloof me dat je hem nooit zult vergelijken met mij?”

“Dat zal moeilijk zijn, Misja, omdat jij mijn eerste bent geweest en ik het met jou zo vreselijk goed heb gehad.”

“Zo heb ik het ook beleefd, Frank, maar beloof het me toch maar want een vergelijking trekken met de allerliefste jongen van de hele wereld is gewoon onmogelijk. Je zou hem tekort doen.”

Ik lach.

“En mocht het voorkomen dat je er wel eentje treft die met kop en schouders boven mij uitsteekt … “

“Iets dat onmogelijk is!”

“Houd je mond en luister naar mij!” zegt hij quasi streng. “Mocht dat toch gebeuren en jij zou gaan vergelijken, dan zou je herinnering aan mij een deuk oplopen en ook dat kan niet de bedoeling zijn.”

“Oké, ik beloof het je, Misja.” Onze hoofden neigen zich naar elkaar toe en onze lippen raken elkaar. “Kom je af en toe nog eens langs?”

“Ik weet het niet, Frank. Heb het idee dat dit echt wel mijn laatste bezoekje hier op dit aardse is. Maar ik beloof je dat ik je altijd in de gaten zal blijven houden. Van daarboven gaat dat heel gemakkelijk, weet je.” Hij geeft me een knipoog en dan voel en weet ik dat ik daar helemaal alleen zit. De tranen biggelen opnieuw over mijn wangen. Als ik uitgehuild ben, moet ik dit keer mijn ogen zelf droog maken en sta ik op.

“Alles goed met u,” vraagt een mevrouw die ineens achter me staat.

“Ja hoor, mevrouw. Beter kan haast niet.” Merkwaardig kijkt ze me aan. Misschien denkt ze wel dat ik gek ben maar wat zou het. Wat ik gezegd heb is waar. Ik voel me ondanks de zojuist geplengde tranen goed. De afgelopen dagen zijn de allerbeste van mijn hele leven geweest. Ik ben voor het eerst van mijn leven verliefd geworden en … heb mijn geliefde ook weer moeten afstaan, zo som ik in mezelf op. Het verdriet daarover heb ik kunnen delen met Helena en Hans en tegelijkertijd ook de vreugde kunnen beleven dat Misja’s laatste wens is uitgekomen en dat heeft heel veel verzacht. Elke herinnering aan Misja is goed en geeft me kracht om verder te gaan. Ik loop naar mijn auto en rijd de parkeerplaats af de toekomst tegemoet.

EINDE



Reacties zijn van harte welkom op de site waar dit verhaal legaal geplaatst is maar ook via mijn e-mailadres: lucky_eye2@yahoo.co.uk



Mijn grote dank gaat uit naar EP die ook dit verhaal heeft gescreend en zodoende de schrijver dezes heeft behoed voor allerlei fouten die tijdens het schrijven in een verhaal sluipen. Ook zijn andere nuttige aanbevelingen, tekstvoorstellen en reflectie heb ik enorm op prijs gesteld.


©Lucky Eye, september 2015 (gereviseerde versie)
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houder van het auteursrecht.

Lucky Eye
Berichten: 88
Geregistreerd: zaterdag 07 februari 2015 15:42
Woonplaats: Zwolle
Ontvangen Bedankjes: 101 keer
 

Plaats een reactie

Terug naar Lucky's Corner

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast


cron