Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief


Forumindex  • Verhalen, gedichten en andere teksten  • Man - Man
 
Registreren
 
 
 

Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief

Van een student tijdens de kerstperiode


Algemeen

Plaats een reactie

Bericht Van een student tijdens de kerstperiode door Henk » maandag 25 december 2017 00:10

Van een student tijdens de kerstperiode

Nathan schrok wakker van de klap waarmee de voordeur werd dichtgesmeten. Na een seconde ontspande hij weer en zakte terug in het kussen. Zijn ogen vielen als vanzelf weer dicht, maar slapen kon hij niet meer.

Het was zijn huisgenoot Rik geweest, die op dit onmenselijk vroege tijdstip hun appartement had verlaten. Het was de zondag voor Kerst, acht uur ’s morgens. Nathan kreunde bij dat besef. Rik ging naar zijn vriendin, om vervolgens de Eerste Kerstdag bij haar ouders door te brengen en de Tweede bij de zijne. ‘Hoe burgerlijk,’ dacht Nathan cynisch. Onmiddellijk daarna werden zijn gedachten somber bij het vooruitzicht de komende drie dagen alleen door te zullen brengen. Iedereen ging Kerst vieren met familie. Nathan niet. Sinds hij studeerde, was hij nooit thuisgeweest tijdens de feestdagen. De vijfentwintigste en zesentwintigste december gingen bij zijn ouders thuis altijd ongemerkt voorbij. ‘Joden vieren geen kerstmis, Nathan.’ Hij hoorde het zijn vader nog zeggen. Die was internist in het ziekenhuis en zorgde ervoor dat hij met Kerst altijd dienst had. Zijn moeder vertikte het om ook maar een kaars, laat staan een boom voor de kerstdagen in huis te halen. ‘Je bent van harte welkom om Chanoeka met ons te vieren.’ Ja, dag! Dat was precies voor de kerstdagen geweest, terwijl hij op de universiteit nog allerlei colleges moest volgen. Bovendien had Nathan niets met religie. Niet met het christendom, maar ook niet met het joodse geloof.

Hij rekte zich eens uit en besloot toch maar op te staan, nu hij niet meer kon slapen. Nadat hij zijn benen over de rand van het bed had geslagen, bleef hij even zitten met zijn gezicht in zijn handen. Ruw wreef Nathan een paar keer in zijn ogen. Hij zuchtte nog een keer en gaf zichzelf daarna een denkbeeldige schop. ‘Ophouden met dat zelfmedelijden, nu,’ vermaande hij zich in gedachten. Nu stond hij echt op en schoof het gordijn opzij. Buiten was het nog donker, hoewel de straatlantaarns ervoor zorgden dat het hier nooit echt donker was. Daar had hij aan moeten wennen, toen hij in de stad kwam wonen. Aan de rand van het dorp waar zijn ouders woonden, stonden geen lantaarns. Zonder maan was het er ’s nachts echt donker.

Zijn gedachten schoten weer terug naar zijn vader en moeder, terwijl hij op de tast zijn kamer uitliep en in het donkere gangetje van het appartement de badkamer opzocht. Daar was wel een lamp, maar het knopje zat net aan de andere kant van de gang, bij de voordeur. Nathan kende het gangetje inmiddels op zijn duimpje en wist waar de kapstok aan de muur hing, waar de bierkratten stonden en waar de dozen met oud papier waren neergezet. Veilig bereikte hij de deur van de badkamer en stapte naar binnen.

‘Gadverdamme, wat stinkt het hier,’ was zijn eerste gedachte. Rik was kennelijk nog steeds op zoek naar de juiste dosering van zijn nieuwe aftershave. Nathans hand reikte naar het lichtknopje, toen er een stekende, vlammende pijn door zijn voet schoot. „Auw!” schreeuwde hij hard. Het galmde nog even na in de betegelde badkamer. In een reflex had hij zijn voet opgetrokken en daardoor dreigde hij zijn evenwicht te verliezen. Juist op tijd kon hij zich aan de wasbak vastgrijpen. ‘Auw!’ dacht hij nog een keer. ‘Wat was dat?’ Met een geërgerde, snelle beweging knipte hij het licht aan.

Nog altijd hield hij zich vast aan de wasbak, terwijl hij zijn rechtervoet omhoog tilde en de onderkant bekeek. Hij schrok. Niet eens zozeer van het stuk glas dat erin zat, als wel van de hoeveelheid bloed op zijn voet en op de vloer. De wond bloedde nog steeds en hard ook. Een knetterende vloek spatte van zijn lippen. Nu het licht brandde, kon hij zien dat er her en der meer glasscherven op de grond lagen. Nog een vloek, nu gericht aan Rik. „Klootzak!” Nathan riep het hard en dat luchtte even op.

Wat moest hij nu doen? ‘Eerst zitten,’ dacht Nathan. Behoedzaam schuifelde hij achteruit en hinkte naar de keuken, een bloedspoor achterlatend. Voordat hij zich op een stoel liet zakken, greep hij de verbanddoos uit een kastje. Eenmaal op de stoel gezeten legde hij zijn rechterenkel op zijn linkerknie en bekeek zijn voet eens goed. Dat was echt een grote scherf, twee centimeter of zo? Zonder er echt over na te denken, pakte hij het stuk glas tussen duim en wijsvinger en trok het er met een krachtige beweging uit. „Auw!” schreeuwde hij weer. Voorzichtig legde hij de scherf op tafel, ver weg. Toen hij weer naar zijn voet keek, leek de wond nog harder te zijn gaan bloeden. Nathan merkte tot zijn ergernis dat een lichte paniek probeerde zich meester van hem te maken. Hij had wel een probleem. Dat bloeden moest stoppen… maar hoe? Uit de verbanddoos rukte hij een pluk watten en drukte dat zachtjes tegen de snee. Zelfs dat deed pijn. Vijf minuten bleef hij zo zitten. De eerste watten waren al snel doordrenkt en ook na drie andere proppen leek het bloeden niet echt af te nemen.

Koortsachtig werkten zijn gedachten. Hij zou zijn vader kunnen bellen om te vragen wat hij moest doen, maar dat was zijn eer te na. Toch daalde langzaam het besef dat hij medische hulp nodig had steeds verder in. Het waren praktische argumenten die Nathan voor zichzelf opwierp om die drempel maar niet over te hoeven. Hij had een hekel aan alles wat met dokters te maken had, ook al was zijn eigen vader er een. Misschien wel daarom. Niet dat hij een hekel aan zijn vader had, maar ze moesten vooral van zijn lijf afblijven. Daarom verzon hij nu van alles. Om te beginnen had hij geen idee waar hij aan zou kunnen kloppen. Hij had geen huisarts hier in de stad: nooit nodig gehad en eigenlijk ook nooit aan gedacht. Naar het ziekenhuis gaan, was volgens Nathan wat overdreven. Daarnaast: hoe zou hij überhaupt ergens naartoe kunnen? Hij kon niet lopen op die voet en al helemaal niet zonder een bloedspoor achter te laten waar de eerste de beste detectiveserie een puntje aan kon zuigen. Rik bellen? Nee, die kon de rambam krijgen. Iemand anders? Wie dan? Iedereen was weg, naar ‘huis’. Of ‘thuis-thuis’, zoals het wel genoemd werd. Zelfs zonder het woord uit te spreken, kreeg Nathan er de rillingen van.

Die watten hielpen niet. Er schoot hem iets te binnen. Hij pakte een rolletje verband, scheurde met zijn tanden het plastic ervan af en rolde het helemaal af. Daarna wikkelde hij met snelle bewegingen het hele rolletje om zijn voet en legde die daarna op de rand van de tafel. Zo bleef Nathan roerloos zitten. ‘Alsof er nu een wonder gebeurt en die snee zo meteen helemaal dicht is,’ dacht hij smalend bij zichzelf. Toch hoopte hij dat het bloeden zou stoppen of dan in ieder geval iets af zou nemen. Hij dwong zichzelf te blijven zitten, met zijn voet hoog op de keukentafel. Als hij zich erop concentreerde, kon hij de wond voelen bloeden. Het klopte een beetje. ‘Nee, het klopt helemaal niet.’ Met een grijns lachte hij kort om zijn eigen niet uitgesproken woordgrap.

Er moest iets gebeuren. Toen Nathan na een minuut of vijf voorzichtig zijn been weer eens boog om de onderkant van zijn voet te bekijken, waren al die laagjes verband ook al doordrenkt. Terwijl hij het verband verwisselde, kwamen zijn gedachten steeds weer op het zelfde punt uit. Zich hier en daar vasthoudend, hinkelde hij terug naar zijn kamer en pakte zijn telefoon. ‘Nadenken, Nathan,’ hield hij zichzelf voor. ‘Wat heb je straks nog meer nodig?’ Schone kleren. Schoenen. Schoenen? Nou ja, hij nam ze maar mee. Van de badkamer stond de deur nog altijd open en de penetrante geur van Riks aftershave had zich door de gang verspreid. Zonder een stap naar binnen te zetten, reikte hij met zijn hand naar het plankje onder de spiegel en greep zijn bus deodorant. Meer kon hij niet dragen met één hand. Van wassen, laat staan douchen zou toch niets komen en daar ergerde Nathan zich nu al aan.

Eenmaal terug op zijn stoel in de keuken bleek het verband alweer aan een verversing toe te zijn. Het leek wel of het bloeden iets minder was geworden. ‘Wishful thinking.’ Met het derde rolletje verband om zijn voet – er was nu nog eentje over – pakte Nathan zijn telefoon. Via internet zocht hij naar huisartsen. Op ongeveer vijf minuten fietsen bleek er een te zitten. Nog even zuchtte Nathan diep. Daarna tikte hij het telefoonnummer aan.

Vijf, zes keer ging zijn telefoon over. Nathan had net de hoop opgegeven en wilde al ophangen, toen hij de bekende ‘klik’ hoorde. „… Westerdiep.” Het eerste gedeelte had Nathan niet verstaan, omdat hij zijn telefoon al van zijn oor had afgehaald.

„Eh… hallo… goedemorgen. Spreek ik met dokter Westerdiep?” De naam was in ieder geval degene die ook op de website stond.

„Nee, dat is mijn vader. Ik zal hem roepen.” Voordat Nathan ook maar iets kon zeggen, hoorde hij dat de telefoon werd neergelegd en dat voetstappen zich snel verwijderden. Deze dokterszoon had een mooie, diepe stem, bedacht hij in de seconden die hij wachten moest.

Het werden tamelijk veel seconden, voordat na enig geruis een nog diepere mannenstem klonk. „Westerdiep?”

‘Vraag je mij nou hoe je heet?’ schoot door Nathans gedachten. „J-ja… eh… goedemorgen dokter. Sorry dat ik u zo vroeg bel. Ik ben ook geen patiënt van u maar eh… u woont het dichtst in de buurt en…”

„Vertel me nou eens rustig wat er aan de hand is.” Het klonk niet verwijtend of boos, dus Nathan kreeg een beetje meer vertrouwen. Kort en zakelijk legde hij uit hoe hij aan de bloedende snee in zijn voet kwam, dat hij hulp nodig had en hoe hij aan het nummer van de arts was gekomen.

„Hm,” was de eerste reactie, waarop enige stilte volgde. „Bloedt het nog steeds?”

„Ja,” antwoordde Nathan voorzichtig, terwijl hij het verband weer eens inspecteerde. „Het is wel afgenomen.”

„Je hebt mijn adres, toch? Kom maar even langs!” Voordat Nathan ook maar iets kon zeggen, werd de verbinding verbroken. Gedurende tien seconden staarde hij naar zijn telefoon, toen kwam hij weer bij zinnen.

‘Kom maar even langs!’ Ja, hoe dan? Nathan durfde niet nog een keer te bellen. Het was zondag, nog vrij vroeg – had hij die dokter nou uit bed gebeld? – en hij was geen patiënt. Toch mocht hij langskomen. Nou, dat moest dan maar. Zijn vertrouwde, systematische denken nam het weer over.

Op zijn telefoon stond nog altijd de website van de huisarts open. Nathan prentte zowel het adres als de route erheen in zijn hoofd en zou dat nog een keer doen vlak voordat hij de deur uitging. Hij trok zijn t-shirt uit, spoot de deodarantbus bijna leeg onder zijn armen en trok vervolgens zijn overhemd aan. Even keek hij nog naar de hoeveelheid bloed in het verband, daarna trok hij in zittende positie ook zijn broek aan. Een sok en een schoen aan zijn linkervoet volgden. Nathan controleerde of zijn verzekeringspasje en zijn bankpas in zijn portemonnee zaten. Hij stak een pakje zakdoeken en zijn telefoon in zijn broekzak, nadat hij nog een keer het adres, met name het huisnummer en de route in zich opgenomen had. Zijn jas zou hij onderweg naar de deur wel meenemen en aantrekken. Niets vergeten? Hij kon niets meer bedenken.

Als laatste haalde hij het verband weer van zijn voet, wikkelde het laatste rolletje eromheen en knoopte vervolgens een theedoek daar weer omheen. Zijn rechterschoen en -sok deed hij in zijn rugtas en hij begon aan de tocht. Door de gang – het licht in de badkamer brandde nog, dat liet hij zo. Langs de kapstok: jas aantrekken. Door de voordeur en die toch maar op het dubbele slot doen. De hele tijd probeerde hij zo weinig mogelijk op zijn rechtervoet te staan en als het dan toch moest, dan alleen op zijn tenen. Balancerend op de leuningen ging hij de trap af. Gelukkig stond zijn fiets buiten en niet in het schuurtje, dat scheelde weer een paar bewegingen. Even later zat hij op het zadel. Gewoon fietsen ging niet, hij kon zijn rechtervoet niet gebruiken. Het ging daarom verschrikkelijk langzaam: trappen met zijn linkervoet, vervolgens de trapper met de bovenkant van zijn voet weer naar boven halen en een volgende trap geven.

Het was zondagmorgen, nog vroeg, de dag voor Kerst en daarom niet druk. Eigenlijk was er gewoon niemand op straat, het was heerlijk rustig. De wond begon weer te kloppen, maar Nathan besteedde er geen aandacht aan. Zijn enige doel was die huisarts te bereiken. Hij fietste, zo goed en zo kwaad als het ging, precies de andere kant op dan hij normaal was te gaan. Dit was de richting ‘stad-uit’, waar hij niets te zoeken had. De universiteit, de sociëteit, de hockeyvelden, de kroegen – alles was de andere kant op. De route was niet heel moeilijk, had hij op zijn telefoon gezien en het klopte allemaal. Na de bushalte rechtsaf en in die straat moest het zijn.

Was dit het? Tussen alle moderne huizenblokken stond een tamelijk groot huis, zeg maar gerust een villa, teruggetrokken van de straat. De grote tuin ervoor ontnam voor een deel het zicht, maar er was ook een aanzienlijk deel voor het gazon ingeruimd. Nu, in de winter, zag het gras er treurig uit, maar in de zomer zou het ongetwijfeld een lust voor het oog geweest zijn. Aan het smeedijzeren hek hing een brievenbus, daarnaast een naamplaatje. Inderdaad: ‘Dr. Ph.W.P. Westerdiep.’ Met enige moeite zette Nathan zich weer in beweging, tot hij bij de voordeur was aangekomen. Hij zag geen mogelijkheid zijn fiets fatsoenlijk neer te zetten, laat staan af te sluiten, dus die liet hij behoedzaam op het gras zakken. Hij hinkelde een paar passen naar de voordeur en zag toen de knop van de bel. Nathan trok eraan en schrok zelf van het ouderwetse rinkelde geluid dat binnen nog veel harder te horen moest te zijn.

Zware voetstappen kwamen naar de voordeur, die even daarna openzwaaide. Een grote, forse man, kaal bovenop zijn hoofd, maar met grijze lokken aan de slapen stond in de deuropening. „Ik dacht al dat je niet meer zou komen,” zei hij spottend. Nathan kon even niets zeggen, maar dat hoefde ook niet. Nadat de arts een blik op zijn voet had geworpen, riep die uit: „Maar jongen, je had het over een sneetje! Kom hier!”

Voordat Nathan ook maar iets had kunnen zeggen of doen, grepen de twee sterke handen van dokter Westerdiep hem vast en tilden hem als een baby in zijn armen op. Met grote passen ging het door de brede gang, vervolgens door een deur naar wat de spreekkamer bleek te zijn. Daar zette de arts Nathan op de behandeltafel, greep vervolgens zijn enkels en legde zijn benen er ook op. „Trek je jas maar uit, het is hier warm genoeg.”

Nathan was te verbouwereerd om ook maar iets te zeggen. Met grote ogen keek hij naar de dokter. Die keek met een bezorgde blik naar zijn voet. Onhandig haalde Nathan zijn tas van zijn rug en trok daarna zijn jas uit. Er hing een onheilspellende stilte, die pas werd doorbroken toen de arts zijn blik met een ruk wendde en Nathan recht aankeek. Zijn blik was vriendelijk, zijn toon geruststellend. „Ik heb me nog niet voorgesteld, sorry. Ik ben Paul Westerdiep.” Hij stak zijn hand uit, die Nathan aarzelend aannam.

„N-Nathan van Gelderen, mijnheer.” Hij hervond zichzelf. „Dank u wel dat ik mocht komen.”

„Komen?” De arts schreeuwde bijna. „Had me alsjeblieft gezegd dat je zo erg bloedde, dan was ik naar jou gekomen! Nou, laat me eens kijken.” Voorzichtig knoopte Westerdiep de theedoek los en legde die weg. Vervolgens wikkelde hij het verband af en gooide dat als een prop in een prullenbak. De arts zakte door zijn knieën, totdat hij op ooghoogte was met Nathans voet. Voorzichtig legde hij zijn linkerhand tegen de tenen en duwde heel lichtjes naar achteren. Met ogen als spleetjes tuurde hij naar de wond.

Na tien seconden liet hij los en stond hij op. „Vertel me nog eens wat er gebeurd is. Ik was daarstraks nog maar half wakker.”

Nathan was inmiddels overtuigd van de oprecht goede bedoelingen en de vriendelijkheid van de arts. Die man was heel anders dan zijn eigen vader. Gedetailleerd legde hij nog een keer uit wat hem was overkomen. Bij het verhaal over de nieuwe aftershave van Rik kon de dokter zijn lachen niet inhouden. „Nou, dat was dan wel de laatste keer dat hij daarmee indruk op zijn vriendinnetje kan maken!” Nathan lachte zachtjes mee. „Oké, nu even serieus. Hoe groot was dat stuk glas, zei je?”

„Volgens mij zo’n twee centimeter. Zo –” antwoordde Nathan, terwijl met duim en wijsvinger aangaf hoe groot het volgens hem geweest was.

„Tja…” Westerdiep dacht even na. „Oké. Ik ga het eerst eens schoonmaken en onder een lamp nog beter kijken. Dan kan ik zien of ik het zelf kan hechten of dat je eigenlijk even naar het ziekenhuis moet om te kijken of er verder niets beschadigd is.”

Daar schrok Nathan ontzettend van. „Z-ziekenhuis?” stotterde hij. „Het is toch gewoon een sneetje?”

Westerdiep was begonnen met het voorbereiden van zijn nadere onderzoek, maar stopte daar nu even mee. Hij ging op de rand van de tafel zitten en legde een hand op die van Nathan. „Luister eens, dat je een bikkel bent, dat weet ik nu wel. Het is wel iets meer dan een ‘sneetje’. Hoeveel meer ga ik nu bekijken. Zou je op je buik willen gaan liggen? Dat is makkelijker.”

De rationaliteit overwon al snel de scepsis bij Nathan. Hij had weliswaar een hekel aan medisch gedoe, maar hij wist dat hij de hulp nu nodig had. Als dat kon van deze vriendelijke man die terzake kundig leek, dan was dat mooi meegenomen. Gehoorzaam draaide hij zich om, zodat hij nu languit op zijn buik op de behandeltafel lag.

„Goed zo. Ik ga nu ook even je andere schoen uittrekken.” Nathan voelde hoe de veters werden losgetrokken en de schoen van zijn voet verdween. „Kun je je broeksriem losmaken en je broek openknopen? Dan trekken we die ook even uit.” Als een mak lammetje gehoorzaamde Nathan. Even later lag hij in zijn onderbroek op de tafel. „Als je denkt: wat wordt het warm – dat kan kloppen. Ik hang even een lamp boven je voet.” Een tijdje gebeurde er niets. Daarna voelde Nathan dat de gehandschoende vingers van de arts langs de wanden van de snee in zijn voetzool tastten. De dokter trok de wond iets verder uit elkaar. „Nathan, ik kijk nu in de wond en zie nog een paar hele kleine splinterjes glas. Die ga ik er straks uithalen. Het goede nieuws is dat je volgens mij niet naar het ziekenhuis hoeft.”

Dat was op zich inderdaad goed nieuws, maar Nathan was nog niet zover dat hij daarvan kon genieten. Eigenlijk was hij nu op het zelfde punt als toen hij hierheen kwam: er moest wat gebeuren. Een gang naar het ziekenhuis zou alleen maar een extra zware dobber hebben betekend. Opeens bedacht hij dat hij deze huisarts wel mocht. De man was vriendelijk, leek kundig en bovendien: hij vertelde steeds wat hij ging doen. Zonder antwoord te verwachten.

„Ik ga nu je voet schoonmaken. Dat kan even prikken, maar mag niet al te veel pijn doen. Laat het me weten als dat wel zo is.” Met zachte, maar doelgerichte bewegingen voelde Nathan een doekje over zijn voetzool wrijven. Vlak bij de wond werden de bewegingen korter en sneller. Daar prikte het inderdaad wat, maar dat kon hij nog prima hebben. „Ik leg nu een doek over je voet heen, met een gat erin, daardoor ik precies bij de wond kan.” Het was een soort katoenen, misschien wel papieren doek, zo voelde Nathan. Zijn hiel paste door het gat en ook de wond, daar net onder, bleef open. „Nu zal ik eerst een beetje verdoving inspuiten, want zonder is dit niet te doen.”

Nathan klemde zijn kaken op elkaar bij het woord ‘verdoving’. Als hij ergens een hekel aan had… Maar hij zei niets. De arts ook niet, die was met allerlei dingen aan het rommelen, zo hoorde Nathan.

Er klonk een luide klop op de deur, die daarop vrijwel onmiddellijk openzwaaide. Liggend op zijn buik keek Nathan recht naar de binnenkomer. Zijn hart maakte een sprongetje, zijn hersens smolten en hij vergat alles wat met zijn voet te maken had. ‘Wat een ontzettend knappe jongen!’ was alles dat hij kon denken.

„Oh… hoi! Sorry, pap, ik kom later wel weer.”

Dat moest de zoon des huizes zijn, die Nathan aan de telefoon had gesproken. Een lange, slanke, nee haast tengere jongen met prachtig donker, kort golvend haar, blauwe, dromerige ogen, een spitse neus en dunne, rechte lippen. Een kaaklijn waar je je waarschijnlijk aan kon snijden, zo scherp. Vlot gekleed, hij liep op sokken. Dat alles nam Nathan in het tijdsbestek van een seconde in zich op.

„Tim!” riep de huisarts die nog altijd bij zijn voet zat. „Wacht even.” De jongen pauzeerde schuchter in de deuropening. Het leek wel of hij Nathan niet durfde aan te kijken. Dat zou treffen, want Nathan had het zelfde probleem. Hij durfde zulke knappe jongens nooit aan te kijken.

Dokter Westerdiep was opgestaan en naar de andere kant van de behandeltafel gelopen. „Nathan, dit is Tim, mijn zoon. Beetje ongemakkelijk om jullie zo aan elkaar voor te stelllen, maar blijf alsjeblieft liggen. Tim studeert geneeskunde. Vind je het goed dat hij even meekijkt?”

Wat moest hij daar nu op antwoorden? ‘Nee, want dan krijg ik zo’n erectie dat er een gat in uw tafel ontstaat?’ ‘Ja, want ik heb nog nooit zo’n knappe jongen gezien?’ Nathan koos de vlucht naar voren. „Natuurlijk, maar misschien wilt u het snel doen want ik heb hier zo’n ontzettende hekel aan?” Hij ratelde, voelde ook dat hij rood in zijn gezicht werd en terwijl hij niet naar Tim wilde kijken kon hij niet anders dan zijn blik in diens richting houden.

Die Tim had het zelfde, of verbeeldde Nathan zich dat? Die was ook gaan blozen en deed nu hooguit aarzelend een paar stappen in zijn richting. „Vind je het echt goed?” vroeg hij met die diepe stem. Hooguit een seconde hadden zij oogcontact, daarna wendde Tim zijn gezicht weer af.

„Ja, ga je gang. Je kunt ervan leren, begrijp ik.” ‘Wat een ongelofelijk stomme opmerking, Nathan!’ dacht hij er onmiddellijk achteraan.

Tim scheen het niet te deren. Die liep door, zodat hij uit Nathans blikveld verdween. Nathan zweefde een beetje, hij hoorde amper wat de arts allemaal tegen diens zoon zei. ‘Glas… splinters… hechten… lidocaïne…’ Hij voelde hoe Tim de onderkant van zijn voet bekeek, maar dat zou ook wel verbeelding zijn.

Pas toen de arts met iets luidere stem zich weer tot hem richtte, kwam Nathan een beetje bij zijn positieven. „Nathan, ik ga de wond nu verdoven. Ik zal het niet mooier maken dan het is: dat gaat pijn doen. Maar daarna mag je niets meer voelen, niet van het schoonmaken en niet van het hechten.”

„Doe wat u moet doen,” gromde Nathan tussen zijn tanden, terwijl hij zich met een klap weer bewust werd van zijn positie, nu Tim uit beeld was.

Er werd nog wat gepoetst en geveegd onder zijn voet, daarna kwam de waarschuwing: „Eerste prikje,” en voelde Nathan de naald door zijn huid gaan.

„Auw!” Het was geen schreeuw, meer een zakelijke mededeling. Even later begon het op die plek te branden en dat gevoel werd logaritmisch erger. Nathan spande zijn spieren, balde zijn vuisten, kneep zijn ogen stijf dicht…

„Gaat het nog?” klonk de kalme, zware stem van de dokter. De greep op zijn voet werd even verlicht.

„Was dat het?” gromde Nathan met zijn kaken nog altijd op elkaar geklemd.

„Helaas niet. Hier komt de volgende, daarna is het minder pijnlijk.” Voor de tweede keer voelde Nathan hoe de naald zijn lichaam binnendrong en niet veel later kwam het brandende gevoel in alle hevigheid terug… nog erger dan daarnet. De reflex om zijn voet weg te trekken werd onderdrukt door de krachtige hand van de arts die zijn enkel en hiel in een soort bankschroef hield. Tranen sprongen in Nathans ogen op het moment dat hij voelde hoe een zachte hand zijn rechtervuist teder beet pakte en een duim zachtjes over de rug van zijn hand begon te wrijven. Dat gaf een heel ander, veel fijner gevoel en hij probeerde zich daarop te concentreren.

Toen het brandende gevoel enigszins begon af te nemen en de greep op zijn voet verlicht werd, durfde Nathan zijn ogen weer open te doen. Van zijn natte wimpers rolden tranen over zijn wangen en het zicht door zijn ogen was een beetje troebel. Toch herkende hij onmiddellijk dat ontzettend knappe gezicht van de dokterszoon. Tim keek gemeend medelijdend en had nog altijd zijn hand vast, waarover hij met zijn duim wreef.

„Ja, dat kan gemeen pijn doen. Zeker op die plek.” Hij sprak zacht, begripvol en liet daarna Nathans hand los. Met de duim van zijn andere hand veegde hij in een snelle beweging de tranen van Nathans gezicht. „Als het goed is, voel je nu niets meer.”

‘Niet in mijn voet, bedoel je. Ik voel een heleboel andere dingen,’ schoot door Nathans hoofd. Hij zei niets, knikte alleen maar dankbaar. Bij zijn voet was de dokter nog altijd bezig.

„Gaat het goed, Nathan? Ik heb die splinters er bijna uit, daarna ga ik hechten. Het worden er vijf, ben ik bang.”

Nathan knikte, maar realiseerde zich toen dat de huisarts dat natuurlijk niet kon zien. Zijn stem klonk rauw: „Ja, prima, mijnheer. Ik voel niets meer.”

Tim stond op, streek door Nathans haar en liep snel weer naar achteren. Nathan stond in brand en dat had niets met die verdoving te maken. Die jongen had prachtige, zachte handen met lange, slanke vingers.

Nog altijd kon Nathan wel voelen dat de dokter bezig was, maar het deed geen pijn meer. De arts sprak met zijn zoon, zo hoorde hij, toch verstond hij geen woord. Het enige dat hij hoorde, was die prachtige diepe stem van Tim. Nathan dacht terug aan de momenten waarop Tims handen hem hadden aangeraakt en dat enerzijds heel zacht voelde, anderzijds een haast elektrisch geladen spanning creëerde. Het was dat die verdovingsspuit zo’n overweldigende pijn veroorzaakte, anders was zijn liggende positie op die tafel nog oncomfortabeler geworden.

„Zo!” klonk het ineens vrij hard. „Dat is klaar.” Er werd nog een beetje gepoetst. „Wil je het zien voordat ik het verbind?”

‘Ik ben toch niet bij de kapper?’ dacht Nathan. „Nee, dat is niet nodig.”

De doek werd van zijn voet getrokken en er werd nog meer gepoetst. „Dan zal ik het verbinden. De wond is niet helemaal dicht: dat hoort zo. Zo kan het eventuele vuil er nog uit. Draai je maar voorzichtig om, dat is makkelijker.” Twee handen pakten zijn enkels. Het waren niet de grote, krachtige handen van de arts, maar de fluwelen handen van Tim, dat voelde Nathan. Hij werd niet echt vastgehouden, het was meer dat Tim zijn benen begeleidde bij het omdraaien. Op het moment dat Nathan weer naar achteren kon kijken, werden zijn ogen gevangen door de bemoedigende glimlach van de dokterszoon.

„Dank u wel,” mompelde Nathan om zich een houding te geven.

„Geen probleem, jongen. Goed gedaan, trouwens, er wordt hier wel eens harder geschreeuwd.”

‘Ik heb toch niet geschreeuwd?’ dacht Nathan paniekerig. Hij zou zich doodschamen…

Alsof Tim zijn gedachten kon lezen, liep die weer naar hem toe. „Nee, je hebt helemaal niet geschreeuwd. Je hebt eigenlijk geen kik gegeven.” Weer die glimlach. „Knap, hoor.” Nathan was op zoek naar de sarcastische ondertoon, maar die was er niet. Hij meende het…

Dokter Westerdiep was inmiddels begonnen zijn voet weer in te zwachtelen en er viel even een stilte. Die werd onderbroken door een nieuwe klop. Het fijne, glimlachende gezicht van een dame verscheen om de hoek van de deur. „Neem me niet kwalijk dat ik stoor. Paul, mevrouw Barends is aan de telefoon. Ze maakt zich zorgen om haar man.”

„Dat zou ik ook doen,” bromde de huisarts. Twee seconden dacht hij na. „Tim, wil jij dit even afmaken? Tenminste, als jij dat goed vindt?” Die laatste vraag was aan Nathan gericht. „Geen zorgen, Tim is daar inmiddels misschien wel beter in dan ikzelf.”

„Eh…” Deze dag hing van onverwachte gebeurtenissen aan elkaar en daar kon Nathan niet zo goed tegen. Hij kwam evenwel al snel tot de conclusie dat er weinig anders op zat dan mee te bewegen met de stroom. „Ja, dat is goed.” Waarom sprak hij nu zo zacht en waarom kreeg hij het zo warm? Die lamp was toch weer uit?

„Ik ben er zo weer!” Voordat iemand nog maar iets kon zeggen, was de huisarts zijn vrouw achterna gelopen. Althans, Nathan ging ervan uit dat het zijn vrouw was… en dus waarschijnlijk Tims moeder.

Er viel weer een stilte. Zonder zijn hoofd te bewegen, richtte Nathan zijn ogen op Tim, die nog altijd bij zijn voeten stond. De jongen keek verlegen naar de grond en was ook rood geworden, zo zag Nathan. Om aan de ongemakkelijke situatie een eind te maken, zowel voor zichzelf als voor Tim, schraapte Nathan een keer zijn keel.

Het leek of Tim ervan schrok. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. „Eh… j-ja, ik zal verdergaan.” Zonder oogcontact te maken, ging Tim op de kruk zitten, waar zijn vader eerst gezeten had en hij wikkelde het verband verder om Nathans voet. Elke keer als zijn vingers Nathans huid raakten, voelde hij een tinteling door zijn hele lichaam trekken. Het was een heerlijk gevoel en dat mocht voor Nathan nog wel even duren. Hoewel… die tintelingen trokken zich samen op een centrale plaats in zijn lichaam en hij hoopte maar dat Tim het niet zou merken. Gelukkig had hij de tegenwoordigheid van geest gehad niet een al te strakke broek aan te trekken.

„Hij heeft het echt mooi gehecht,” zei Tim opeens vanuit het niets en nog altijd zonder Nathan aan te kijken. „Een litteken is onvermijdelijk, maar zal waarschijnlijk minimaal zijn.”

„Ik kijk ook niet iedere dag onder mijn voeten,” floepte Nathan eruit. Het bloed steeg weer naar zijn wangen en hij ergerde zich weer aan zichzelf.

Tim glimlachte en keek hem nu wel aan. „Je hebt anders wel mooie voeten.” Dat was kennelijk ook een zin die er ondoordacht uitkwam, want onmiddellijk draaide de jongen zijn hoofd weer en werd vuurrood. „Sorry,” fluisterde hij. „Dat had ik niet mogen zeggen.”

Er viel weer een ongemakkelijke stilte. Nathan wilde iets geruststellends zeggen, maar hij wist niet wat. Buiten klonk opeens het geluid van een startende auto. Tim liep naar het raam. Even later scheurde inderdaad een auto met gierende banden van de oprijlaan af. „Bij mevrouw Barends is kennelijk echt iets aan de hand,” sprak Tim zacht tegen het glas. Hij bleef daar staan, wiebelend van zijn ene been op het andere en niet wetend wat hij met zijn handen moest doen. Nathan vond het aandoenlijk… en lief. Maar hij wilde ook niet dat de andere jongen zich ongemakkelijk zou voelen door zijn aanwezigheid.

„Eh… weet jij wat er nu moet gebeuren?”

Tim draaide zich half om en bekeek Nathan van opzij. Het leek met enige opluchting dat hij vroeg, terwijl hij met zijn duim over zijn schouder wees: „Is die fiets van jou?” Nathan knikte. „Nou, fietsen kun je even niet. Ik zal vragen of ik de auto van mijn moeder even lenen mag. Dan breng ik je naar huis.”

Nathan was even in verwarring. Vanwege dit genereuze aanbod, maar eigenlijk nog meer omdat dit niet was wat hij op het oog had. „Eh… ik bedoelde… nee, dank je zeer voor je hulp! Maar ik bedoelde dus of er niet nog iets administratiefs moet gebeuren. Ik ben geen patiënt van je vader en…,” Nathan tastte in zijn broekzak naar zijn portemonnee, „ik heb mijn verzekeringspasje meegenomen.”

Tim keek verbaasd. „Dat je daaraan gedacht hebt! Nou, eh, dat regelt mijn moeder ook. Ik loop even naar haar toe. Wacht je hier?” Bij de deur draaide hij zich nog even om. „Niet dat je heel hard kan weglopen…”

Nathan barstte in lachen uit en Tim lachte al snel mee. Het was een bevrijdende lach, voor hen beiden. De spanning van zo-even leek geweken. Dat gold voor de spanning in de lucht, niet die in Nathans broek. Die nam zelfs toe bij de aanblik van Tims lachende gezicht, waarop nu kuiltjes in de wangen verschenen, met daartussen een rij stralend witte prachtige tanden. Het was maar goed dat Tim nu de gang in stapte en de deur achter zich dicht deed, zodat Nathan zichzelf kon repositioneren.

Aan zijn voet dacht hij niet meer. Alleen die knappe dokterszoon bevolkte zijn gedachten. Jammer dat hij hem niet langer of vaker kon zien. Hij studeerde dus geneeskunde. Dan was de kans klein dat Nathan hem op de rechtenfaculteit tegen het lijf zou lopen. Daar liepen ook genoeg knappe jongens rond, maar… het gevoel dat hij bij Tim gekregen had was sterker, nee intenser dan hij ooit eerder gevoeld had. Ook niet bij de korte relaties die hij in zijn studententijd had gehad, als je dat al relaties mocht noemen. Dat was toch meer om de seks gegaan en daar was de spanning na een tijdje wel af. Buiten het bed was er geen goed gesprek mee te voeren geweest, ze hadden allemaal de diepgang van een platbodem. Deze Tim zag er veelbelovender uit.

Na weer een klop op de deur, verscheen de jongen weer. „Eh… mijn moeder vraagt… nee, eist dat je even bij ons in de keuken komt zitten. Mijn vader moet je nog vertellen wat je wel en niet mag doen en wanneer die hechtingen eruit kunnen. Dus je moet toch even op hem wachten.”

Tot zijn eigen verbazing werd Nathan warm van de gedachte dat hij hier nog langer zou blijven. Doorgaans had hij er weinig zin in lang bij onbekenden te zijn, hij was van nature gereserveerd en eigenlijk gewoon verlegen. Maar goed, nu had hij gewoon geen keus. Bovendien leek het gezelschap van Tim hem meer dan op te wegen tegen de nadelen van het moeten converseren met vreemden. „Oké,” zei hij dan ook. „Maar ik neem aan dat ik daar niet op mag lopen of staan.” Hij knikte naar zijn voet.

In twee stappen was Tim bij hem. „Nee, dat heb je goed. Leun maar op mij.” Een beetje onhandig manoeuvreerde Nathan zijn benen over de rand van de tafel, stapte op zijn linkervoet en hield zijn verbonden rechtervoet als een flamingo omhoog. Zijn rechterarm legde hij om de uitnodigende schouders van Tim. Zij waren ongeveer even lang. Beiden hadden zij naar Nathans voeten gekeken tijdens deze operatie, nu zij klaar stonden voor vertrek keek Tim Nathan aan. „Klaar? Stapje voor stapje, we hebben geen haast.” Nathan had het al warmer gekregen door het lichaamscontact van zijn arm om de sterke schouders van Tim, nu diens gezicht vlakbij het zijne was en nog altijd zo lief glimlachte, nam de temperatuur nog verder toe.

Het ging onhandig, maar het ging. Inderdaad stapje voor stapje, hoewel Nathan het gevoel had dat hij kleine sprongetjes maakte in plaats van stappen. Op de gang bleven zij even staan, zodat Tim de deur achter zich kon dichttrekken. Het was hier aanmerkelijk koeler dan in de spreekkamer. Toen zij hun armen weer om elkaars schouders sloegen, viel Nathans blik even op Tims kruis. Hij moest zich al sterk vergissen als Tim niet in dezelfde toestand als hijzelf verkeerde.

De gang bleek vrij lang te zijn. Tenminste, als je niet gewoon kon lopen. Het was de allerlaatste deur aan de linkerkant, waarachter de keuken bleek te liggen. Dat bleek een enorme ruimte te zijn. Het was er behaaglijk warm en licht. Een meterslang aanrecht, twee gootstenen, een enorm fornuis met wel acht gaspitten tegen de ene muur. In de achtermuur gaven twee grote ramen zicht op een tuin met veel bomen. Tegen de andere muur veel kasten en kastjes. In het midden stond een grote houten tafel met acht stoelen eromheen. Daar werd Nathan door Tim naar toe geleid.

Amper zat hij op een stoel en had Tim zijn rechterbeen op een andere stoel gelegd, toen de deur weer openging. Dezelfde vrouw die eerder de dokter had weggeroepen kwam binnen. „Hallo, Nathan – zo heet je toch? Ik ben Lisa, Lisa Westerdiep. Blijf alsjeblieft zitten.”

Zittend schudde Nathan haar uitgestoken hand. „Dag mevrouw, dank u wel voor de gastvrijheid.”

Zij trok een wenkbrauw op. „Had ik gezegd dat ik mevrouw Lisa Westerdiep ben? Ik dacht het niet. Gewoon Lisa, alsjeblieft.”

De dame was klein van stuk, waar de dokter en Tim een stuk langer waren. Klein en tenger leek het wel een beetje breekbaar, maar Nathan had nu al in de gaten dat er met deze vrouw niet te sollen viel. Haar grijze haren waren opgestoken en zij had dezelfde blauwe ogen als Tim. Vriendelijke ogen – haar terechtwijzing van zojuist moest ook met een knipoog worden opgevat.

Nathan glimlachte en knikte. „Sorry… Lisa. Dat zal ik nog wel een paar keer fout doen.”

Tim had het tafereeltje grijnzend staan bekijken en kwam nu weer in beweging. „Ik ga even een kussen halen voor onder je voet, anders krijg je last van je hiel.” Meteen was hij verdwenen.

„Heb je zin in koffie, Nathan? Of liever thee?”

Nathan trok zijn ogen weer los van de deur waarachter Tim net verdwenen was en keek naar het vragende gezicht van de dame des huizes. Hij glimlachte warm. „Koffie lijkt me heerlijk, dank u wel mevr… - Lisa.”

Met een lach liep Lisa naar het aanrecht en zette het koffiezetapparaat in werking. „Je woont in de buurt, begreep ik? Studeer je?” vroeg zij met de rug naar hem toegekeerd.

Nathan schraapte zijn keel. „Ja, ik studeer rechten. Mijn kamer is hier vijf minuten fietsen vandaan, richting de stad.”

Met een druk op de knop sloot Lisa haar werkzaamheden af en draaide zich om. Leunend tegen het aanrecht en met die vriendelijke blik in haar ogen ging ze verder: „Dat was een ongelukje, vanmorgen? Vervelend om zo de dag te moeten beginnen. Heb je eigenlijk wel ontbeten?” Ze ging in één adem verder, toen Nathans buik een rommelend geluid maakte. „Nou, je maag geeft het antwoord al. Houd je van eieren met spek?”

Beduusd door deze doortastendheid wist Nathan niets anders te doen dan knikken. Hij betwijfelde of Lisa het gezien had, want die had zich al weer omgedraaid, trok een pan uit een kastje en haalde eieren en spek uit de ijskast.

Tim kwam weer binnen op het moment dat de eieren de pan in gleden. „Ha, lekker!” riep hij met een grijns.

„Jij hebt al ontbeten, hongerlap!” was de vlotte reactie van zijn moeder over haar schouder.

„Ik had het over de koffie!” Nog altijd grijnzend liep Tim met een kussen naar de stoel waar Nathans voet op lag. Zorgzaam tilde hij het been met een hand op, schoof het kussen onder Nathans voet en legde die even zorgzaam weer neer. „Zo, dat is vast prettiger.”

Met de minuut voelde Nathan zich inderdaad prettiger. Een heerlijk warme keuken, een hartelijke gastvrouw en een prachtige jongen – alles droeg eraan bij dat hij zich op zijn gemak voelde. Tim ging rechts van hem, aan het hoofd van de tafel zitten. Zelf zat hij zijdelings bij de tafel, vanwege zijn voet. Op deze manier konden ze toch praten en elkaar daarbij aankijken. De eieren en het spek sisten in de pan en de geur die daarvanaf kwam, deed Nathans maag nog eens rommelen.

„Je bent ook student, toch? Wat studeer je?”

Nathan smolt bijna bij de aanblik van die zachte, beetje dromerige blauwe ogen en die schitterende glimlach. „Ja.” Zijn stem piepte en geërgerd schraapte hij zijn keel. „Ja, rechten.” Wist hij nou niet meer te zeggen? „Eerste jaar van m’n master,” voegde hij snel toe.

„Ik ook. Geneeskunde dan,” zei Tim. „Vind je rechten leuk? Het lijkt mij zo saai.” De plagerige ondertoon ontging Nathan niet.

„Is het ook,” zei hij bloedserieus, maar eveneens met een ondertoon. „Dodelijk saai. Maar ja, ik moest wat.” Hij keek Tim recht aan en diens glimlach werd breder. „Nee, ik vind het echt leuk,” ging Nathan verder, nu ook met een glimlach. „Niet zozeer het strafrecht, maar wel privaatrecht. Wat is een onrechtmatige daad en wanneer moet iemand schade vergoeden, dat vind ik interessante vragen om over na te denken.”

„En? Ben je er al uit?” De kuiltjes werden weer zichtbaar.

„Dat verschilt van geval tot geval, grappenmaker.” Nathan schrok. Opeens leek het alsof hij Tim al jaren kende. Om zich een houding te geven, veranderde hij de richting van het gesprek. „Wat vind jij leuk aan geneeskunde?”

Onmiddellijk werd Tim serieus, maar de flauwe glimlach verliet zijn lippen niet. „Anderen helpen, dat vind ik het belangrijkste om te doen. Ik wil trouwens geen huisarts worden, zoals mijn vader. Ik wil chirurgie gaan doen. Jij?”

„Nee, ik wil ook geen huisarts worden.” Het werkte, Tim barstte in lachen uit. Lisa kwam naar de tafel met twee borden, gevuld met roerei en spek. De damp kwam er nog steeds vanaf en het rook heerlijk. Binnen mum van tijd stonden er ook twee koppen koffie.

„Suiker of melk, Nathan?” Lisa keek hem vragend aan. Snel schudde hij zijn hoofd. „Nou, tast toe, jullie beide!” Zij lachte en kwam met een kop koffie ook aan tafel zitten.

Nathan lette erop dat hij niet begon te schransen, want hij had inderdaad best honger. Hij hield gelijke tred met Tim, die kennelijk al wel ontbeten had, maar zich deze tweede ronde ook goed liet smaken.

Na de laatste hap legde Nathan het bestek op de juiste wijze op zijn bord en zuchtte zachtjes. „Dat was heerlijk, mevr… - Lisa. Dank je wel.”

„Ja, mam, dat was lekker!”

Hoofdschuddend keek Lisa haar zoon aan. „Waar laat je het toch allemaal?” Zij wendde zich tot Nathan. „Hij eet als een slootgraver, maar komt geen gram aan.”

„Mam!” protesteerde Tim, terwijl hij verlegen naar zijn bord keek.

‘Ik had het al gezien,’ dacht Nathan. Tim had een bijzonder strak lichaam, brede schouders, brede borst, slank in de taille. En hij was lang, ongeveer even lang als Nathan zelf. Bijna twee meter…

„Over eten gesproken,” ging Lisa verder, alsof er niets aan de hand was. „Waar ga jij Kerst vieren, Nathan? En lukt dat nu nog wel, met je voet?” Haar blik was op slag bezorgd geworden.

Hij wuifde haar zorgen weg. „Geen probleem. Het zal wel weer een pizza op de bank worden. Tenminste, ik hoop dat ze bezorgen op Eerste Kerstdag.”

Twee verblufte gezichten keken hem aan. Tim vond als eerste zijn stem terug. „Dat… dat meen je toch niet? Ga je niet naar je ouders, je familie?”

Nathan schudde zijn hoofd. „Mijn ouders vieren geen Kerst.” Even twijfelde hij, toch voegde hij toe: „Wij zijn Joods.”

Tim was weer met stomheid geslagen. Nathan kon zien dat hij koortsachtig nadacht, misschien wel voor het eerst bedacht dat Kerst een typisch christelijk feest is waar de joden niet aan meedoen. Nu was het Lisa die sprak.

„Maar… dat wil toch niet zeggen dat je de kerstdagen alleen hoeft door te brengen? Kijk, wij zijn ook niet christelijk,” zij glimlachte kort en ging daarna weer serieus verder, „maar Kerst is voor ons een tijd van gezellig bij elkaar zijn, met lekker eten en drinken. Een feest, zonder religieuze bedoeling.”

Nathan glimlachte. „Zo is het waarschijnlijk voor veel mensen. Maar niet voor mijn familie. Toen ik nog thuis woonde, deden mijn ouders er niets aan en dat is nu waarschijnlijk nog minder, als dat al mogelijk is.”

„Andere familie? Vrienden?” Tim scheen het nog altijd niet te begrijpen.

„Nee. Mijn vrienden en studiegenoten zijn heel begrijpelijk allemaal bij hun eigen familie. Mijn familie is niet heel groot en bovendien allemaal joods. Mijn zus is wel ‘buiten’ getrouwd en zij vieren wel degelijk Kerst, maar…” Nathan beet op zijn lip. Hij was begonnen aan een zin die hij eigenlijk niet wilde afmaken. Het werd hem niet gegund.

„Kun je dan niet bij je zus terecht?” Tims woorden dropen van het gemeende medeleven en Nathan begon zich daar ongemakkelijk bij te voelen. Alsof hij iets kreeg waar hij geen recht op had.

Snel en kort schudde hij zijn hoofd. „Wij zijn niet echt on speaking terms.” Hij sprak ook kortaf, om te laten blijken dat hij het hier niet over wilde hebben. ‘Wat zou je denken van het echte antwoord?’ dacht hij bij zichzelf. ‘Dat mijn zus en haar man met hun kinderen weliswaar Kerst vieren, maar dat zij gruwelen van het idee dat ik homo ben en niets met me te maken willen hebben? Dat ik mijn neefje en nichtje nog nooit gezien heb, omdat ik niet bij hen in de buurt mag komen? Het zou eens besmettelijk kunnen zijn.’

Lisa scheen zijn gemoed aan te voelen en boog voorover, reikte met haar hand over de tafel naar de zijne. Zij had net zo’n zachte huid als haar zoon. Teder wreef ze met haar duim over de rug van zijn hand, net zoals Tim eerder vanmorgen had gedaan. „Wij zijn ook veel te nieuwsgierig,” zei ze met die eeuwige glimlach, maar op een toon waarmee ze verried dat ze het gesprek weer een andere kant op wilde duwen. Dat deed ze dan ook werkelijk, op een spectaculaire manier. „Wat zou je ervan zeggen de komende dagen bij ons te blijven? We hebben genoeg te eten, een logeerkamer en dan hoef jij niet in je eentje te zijn. Met een uitgeschakelde voet – dat gaat sowieso nog wel lastig worden. Lijkt het je wat?”

Nu was Nathan met stomheid geslagen. Hij keek van Lisa naar Tim en weer terug, eerst toen bemerkte hij dat zijn mond open stond. Snel herpakte hij zichzelf. ‘Nee,’ dacht hij. ‘Nee, dat kan niet. Ik ga gewoon weer terug naar mijn kamer, doe wat ik elk jaar doe, namelijk heel veel lezen en genieten van de rust.’

„Dat… dat is een heel vriendelijk aanbod, mevrouw,” begon hij voorzichtig. In zijn ooghoek ving hij de hoopvolle blik van Tim. Dat maakte het allemaal nog pijnlijker. „Maar u heeft daar niet op gerekend en ik wil niemand tot last zijn. Als dit niet gebeurd was, had ik ook gewoon thuis gezeten. Dus… misschien wilt u me vertellen hoe de financiële afhandeling gaat, dan ga ik daarna naar huis. Ik weet niet of…” Nathan was voorzichtig begonnen met opstaan, toen een krachtige hand hem weer bij zijn schouder naar beneden duwde.

„Zitten blijven, jij.” De zware stem van de huisarts galmde door de keuken. Nathan had hem niet horen binnenkomen. „Wat is hier aan de hand?” Hij liep naar het aanrecht om voor zichzelf koffie in te schenken, ging daarna naast zijn vrouw aan de tafel zitten. Inmiddels was Lisa begonnen met het samenvatten van het verhaal tot dusverre, waarbij zij zich concentreerde op het feit dat Nathan tijdens de kerstdagen alleen zou zijn. Nathan voelde zich klein worden onder de onderzoekende blik van de dokter, de bezorgde blik van Tim en het ietwat overdreven relaas van Lisa. Hoe kon het dat deze mensen, die hij gisteren nog niet kende, zo met hem begaan waren? Tijd om daarover na te denken kreeg hij niet.

De dokter had hem al een tijdje zitten aanstaren, voornamelijk over de rand van zijn koffiemok. Nu zijn vrouw uitgesproken was, zette hij die mok neer. „Goed. Laat me eerst even mijn werk afmaken. Mag ik even naar je voet kijken?” Hij wachtte geen antwoord af, maar stond op en liep om de tafel heen. Bij Nathans op een stoel gelegen voet hurkte hij neer. „Netjes gedaan, Tim, heel netjes!” De arts stond op en keek Nathan aan met alweer een vriendelijke blik. „Je mag zeker drie dagen niet op die voet lopen of staan. Het beste is om op deze manier te zitten, met je voet omhoog. Een paar krukken is handig voor korte verplaatsingen, ik zal straks eens kijken wat ik vandaag nog kan regelen. Als je wilt douchen, doe je er een plastic zak omheen. Dat verband mag er na twee dagen wel af – dan zal het ook wel zo stinken dat je ervan af wilt. De hechtingen kunnen er over een week uit. Het zal de komende dagen nog wel een beetje bloeden en af en toe komt er wat wondvocht en vuil naar buiten. Dat is alleen maar goed en daarvoor is dat verband. Duidelijk? Of heb je nog vragen?”

Het duizelde Nathan. Hij had de woorden van de arts wel gevolgd, maar ze nu reproduceren kon hij niet. Toch wilde hij zich niet laten kennen en dacht razendsnel na. „Ja, wat u zegt is wel duidelijk, maar ik heb toch nog een paar vragen. In de eerste plaats: als ik dat verband eraf haal en het bloedt nog steeds, wat dan? Hoe gaat dat precies met die krukken? Ook financieel, net zoals ik nog steeds niet weet hoe we dat van vanmorgen moeten doen?”

Een fractie van een seconde leek de arts uit het lood geslagen. Hij herstelde zich echter snel en antwoordde grijnzend. „Over dat financiële zou ik me maar even geen zorgen maken. Over de praktische kanten: dat hangt ervan af.” De grijns verdween en de man werd serieus. „Ook wat mij betreft, ben je welkom voor de kerstdagen. Het is niets voor een jongen van jouw leeftijd om dan alleen op een studentenkamer te hangen. Daar komt bij dat je dan niemand hebt om een beetje op je te letten en voor je te zorgen, nu je met die voet even niets kan. Bovendien zijn wij met ons drieën en ik denk dat Tim het ook wel eens fijn vindt om tijdens deze dagen iemand van zijn eigen leeftijd in de buurt te hebben. Eten is er meer dan genoeg. We hebben een bed voor je. We zijn er voor je.” Een lichte glimlach vormde zich in het gezicht van de dokter. „Maar je moet het wel willen. Ik, nee wij dwingen je nergens toe.”

Alles in Nathan schreeuwde: ‘Nee!’ Hij had zich altijd gered. De afgelopen jaren waren prima geweest. Maar ja, de afgelopen jaren had hij geen snee in zijn voet. Hij zou alleen maar kunnen zitten of liggen. Prima om te lezen, maar af en toe zou hij toch eens moeten opstaan. Maar om dan bij de huisarts in te trekken…

Het was het haast smekende gezicht van Tim dat hem over de streep trok. „D-dank u wel. Als u zeker weet dat het uitkomt en ik geen roet in uw eten gooi…” Hij wilde nog veel meer zeggen, maar kreeg de kans niet.

Het was Lisa die het woord overnam. Ook zij was opgestaan. „Dat wil ik niet horen.” Vriendelijk maar beslist was haar toon. „We nodigen je uit. Graag zelfs. Dus dat is geregeld. Dan moeten we alleen nog de praktische zaken regelen.”

De huisarts was weer naast zijn vrouw gaan zitten en zij bespraken in het algemeen allerlei dingen. Nathan was sprakeloos. Pas na enige tijd merkte hij dat Tim zijn hand weer vastgepakt had. Vragend keek hij de jongen aan.

Tim glimlachte – weer of nog steeds, dat wist Nathan niet. „Mijn ouders doen nu alsof wij iets hebben in te brengen, maar uiteindelijk gaat het gewoon zoals zij willen. Let maar op.” Het echtpaar praatte door alsof zij niets gehoord hadden. „Hé,” fluisterde Tim in Nathans richting. „Wil je het echt wel? Het is geen verplichting, hoor, ook al doen zij van wel.”

Dat trok Nathan definitief over de streep. Zijn voet zou hem thuis nog veel meer dwars zitten, deze mensen waren allervriendelijkst en hun zorgzame, lieve, bijzonder knappe zoon deed de rest. Waarom zou hij dan alleen op zijn kamer gaan zitten kniezen? Met een glimlach om zijn eigen lippen wendde hij zijn hoofd en keek Tim recht in diens blauwe ogen. „Ja, ik wil het echt wel. Beter dan alleen thuis zitten.” Verlegen en met afgewende blik voegde hij eraan toe: „Dank je wel…”

-

De rest van de dag ging in een roes voorbij. Er werden dingen geregeld, er werden mensen gebeld, Nathan werd verwend. Hij mocht zich absoluut niet verplaatsen zonder toestemming of zonder hulp. Tim zette zijn fiets in de schuur. De dokter regelde via-via een paar krukken. Lisa verzorgde de lunch. Ofschoon hij en Tim nog maar net gegeten hadden, werd de tafel overvloedig gedekt en Nathan werd constant aangespoord meer te nemen. Ook hij had echter een bodem – eerder dan Tim, zo zag hij. Zijn opmerkzame blik was ook de tevreden, glimlachende ouders van de jongen niet ontgaan. Het voelde alsof hij in een warm bad werd ondergedompeld, terwijl hij zijns ondanks vrij roerloos met zijn voet op een stoel aan de keukentafel zat.

Na het middageten ging het door. Alles werd voor hem geregeld, hij hoefde alleen maar mee te buigen. Zo zou Tim met de auto van zijn moeder de krukken ophalen, maar dan konden ze misschien meteen even langs zijn kamer rijden om wat spullen op te halen. Een paar schone kleren kon geen kwaad en Nathan zou toch ook wel een boek willen hebben? Met het grootste gemak van de wereld – oké, afgezien van zijn uitgeschakelde voet – werd alles gedaan, op het juiste moment, op het juiste tempo en met de juiste instelling.

Bij de borrel en het avondeten werd er gepraat over alledaagse dingen – alsof Nathan ook tot het gezin behoorde. Hij had zich over zijn eigen ongemak heengezet. Kennelijk moest het zo zijn: hij kon niet lopen en dus niet goed voor zichzelf zorgen, daarom liet hij zich tegen zijn gewone zin verzorgen. Groot pluspunt, zo niet het doorslaggevende daarbij liep rond met de naam Tim. De hoeveelheid nieuwe indrukken was enorm, maar slechts positief geladen. Wat een fijne mensen!

Tegen elf uur ’s avonds was Nathan doodop. Het gezin zat met hem bijeen in de sfeervol verlichte salon. De huisarts speelde een spelletje schaak met zijn zoon, Lisa zat te lezen en ook Nathan probeerde zich op de letters in zijn boek te concentreren. Zijn ogen vielen steeds sneller achter elkaar dicht. Het was Lisa die zonder van haar boek op te kijken zei: „Tim, als jij Nathan nu eens naar bed helpt.”

Op slag was hij weer klaarwakker. ‘Naar bed helpt?’ O ja, hij kon niet lopen. Weer liet hij alles over zich heenkomen, maar niet zonder leunend op Tims schouders, staand in de deuropening, Paul en Lisa nog eens hartelijk te danken voor alles en hen een goede nacht te wensen. Met een glimlach en een wegwuivend handgebaar werd hij heengezonden.

De logeerkamer was op de begane grond. Er stond een tweepersoonsbed en met hulp van Tim liet Nathan zich op de rand ervan zakken. Hij blies even uit. Tim stond op hem neer te kijken.

„Heb je hulp nodig?” Normaal gesproken zou Nathan al honderd keer gillend zijn weggerend bij die bezorgde, hulpzame toon. Van Tim kon hij het al de hele dag hebben. Ook nu. Toch gaf hij geen antwoord en knoopte zwijgend zijn shirt open, om het vervolgens helemaal uit te trekken. „Geef maar.” Tim nam het van hem over en hing het op een knaapje. Nathan knoopte intussen zijn broek open schoof die over zijn knieën. „Laat me je nou even helpen.” Tim duldde geen tegenspraak en knielde neer. Voorzichtig schoof hij eerst de broekspijp over Nathans verbonden rechtervoet. Daarna trok hij de broek helemaal uit en nam in een beweging ook de linkersok mee. Nu zat Nathan alleen nog in zijn boxer op de rand van het bed. Hij was heel moe en wilde niets liever dan slapen.

Dat veranderde toen Tim een matras onder het bed vandaan trok. „Ik ga ook slapen. Pap wil dat ik bij je blijf, dus ik lig hier.” Terwijl hij praatte, trok Tim zijn kleren uit. Nathan zat nog steeds en kon niets zeggen. Dat die jongen een knap hoofd had, wist Nathan al. Nu werd het vermoeden van een goddelijk lichaam ook nog eens bevestigd. De spieren in Tims schouders en armen rolden terwijl hij zich verder uitkleedde. Brede borst, gladde buik. Wederom gespierde, lange benen, grote, mooie voeten.

Het was een anticlimax dat Tim snel op het matras ging liggen en een deken over zich heen trok. „Wil jij zo het licht uitdoen? Er zit een knopje vlak boven het bed,” klonk het vanaf de vloer. „En maak me alsjeblieft wakker als je iets nodig hebt of naar de wc moet of zo. Niet denken dat je lastig bent, want dat ben je niet.” Met die woorden trok Tim de deken naar zijn hals en lag nu met opgetrokken knieën op zijn zij, van Nathan afgedraaid.

Langzaam manoeuvreerde Nathan zich onder de weelderige deken van het bed. Hij was nog altijd doodop, maar voelde dat hij niet snel in slaap zou vallen. Eenmaal liggend knipte hij het licht uit. De kamer werd daadwerkelijk aardedonker. Nathan luisterde naar de rustige ademhaling van Tim, naast hem op de grond. Dit ging hij niet volhouden.

„Tim?”

„Hm?” kwam er slaperig terug.

„J-je zei… vanmorgen… dat ik mooie voeten heb. Nou, eh… jij hebt wel iets meer.”

Geen reactie.

„Jij bént mooi. En aardig. En vriendelijk. En lief.”

Nog steeds geen reactie.

‘Ach, wat zal het ook. De dood of de gladiolen,’ dacht Nathan. „Wil je naast me komen liggen?”

Er klonk geritsel, de deken werd opgetild en binnen vijf seconden lag Tim naast hem in dat heerlijke bed, zijn lange armen om Nathan heen. „Ik dacht dat je het nooit zou vragen.” De adem van die woorden blies Nathans lippen droog, het volgende moment werden die weer bevochtigd door Tims lippen. Hij zoende zachtjes, eerst alleen met zijn lippen. Met het puntje van zijn tong nodigde Nathan hem uit tot meer.

Hoe lang het duurde, wist Nathan niet. Het interesseerde hem ook niet. Dit was de zachtste, tederste en meest heerlijke vorm van seks die hij ooit ervaren had en dan hadden hij en Tim het derde honk nog niet eens bereikt. Hun tongen streelden zachtjes om elkaar heen, hun lippen vonkten bij elk contact. Hun handen verkenden het lichaam van de ander. Zijn eigen voorkeur ging uit naar de huid net boven Tims billen, Tim bleek gefascineerd door zijn borsthaar. Af en toe voelde Nathan tijdens de slangenbewegingen die hun lichamen maakten de erectie van Tim en hij was ervan overtuigd dat Tim de zijne voelde.

Beiden ontlaadden zij zonder elkaar op de meest intieme plaatsen aangeraakt te hebben. Licht hijgend hielden zij elkaar in hun armen vast. „Ik ga even een doekje halen,” fluisterde Tim en verdween vlug na een snelle zoen op Nathans lippen. Binnen mum van tijd was hij terug, Nathan lag nog steeds na te genieten. Even later hadden beide een schone boxer aangetrokken en was het bed zo goed en zo kwaad als het ging schoongemaakt. „Laat me nog even naar je voet kijken,” fluisterde Tim. Nathan zuchtte gespeeld geërgerd, maar liet de dokterszoon zijn gang gaan. Het duurde niet lang. „Alles zit nog op z’n plek en ik zie nog geen bloed.”

„Dank u, dokter,” grijnslachte Nathan.

Nog een tijdje zoenden de jongens: langzaam, geïnteresseerd en gepassioneerd. Het was Nathan die het contact tussen hun lippen verbrak. „Sorry, maar ik ben echt doodop.”

„Geeft niet, tijd zat. We kunnen nu toch niet verder gaan, want hier zijn geen condooms of glijmiddel.”

Nathan lachte onderdrukt. „Ik hou me aanbevolen,” fluisterde hij hees. „Maar niet nu.” Hij draaide zich om en Tim nam de uitnodiging aan. Met zijn twee sterke armen trok hij Nathans rug tegen zijn eigen borst en speelde met zijn vingers nog een beetje door Nathans borsthaar. Een ferme zoen in Nathans nek bezegelde de kerstavond.

„Als ik morgen wakker word en ik heb dit allemaal gedroomd, wil je dat dan niet zeggen? Het was allemaal veel te goed. Jij bent veel te goed.”

Nathan draaide zijn hoofd een beetje naar achteren en keek recht in Tims glinsterende ogen. „Weet je wie goed is?” De jongens lachten zachtjes.

Nathan draaide zijn hoofd weer en voelde zich heerlijk veilig in de sterke armen van Tim. Tegen zijn rug voelde hij diens hart kloppen. „Tim? Als er boven Bethlehem een ster verscheen die een bijzondere gebeurtenis aankondigde…”

Hij kon horen dat Tim verrast was. „Ja…?”

„Dan moeten die duizenden sterren die ik zostraks zag wel een hele bijzonder gebeurtenis aankondigen!”


LA FIN

Henk
Berichten: 1
Geregistreerd: vrijdag 01 augustus 2014 02:57
Woonplaats: Groningen
Ontvangen Bedankjes: 5 keer
 

Plaats een reactie

Terug naar Man - Man

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast


cron