Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief


Forumindex  • Verhalen, gedichten en andere teksten  • Verschillende auteurs
 
Registreren
 
 
 

Verrassende verhalen, gedichten en andere teksten vanuit een gay perspectief

Een gevulde Kerst (I)

Plaats een reactie

Bericht Een gevulde Kerst (I) door Henk » donderdag 27 december 2018 11:21

EEN GEVULDE KERST

„Niet staren. Dat is onbeleefd.” Papa fluisterde en hij glimlachte er bijna verontschuldigend bij. Ik voelde me betrapt, toen ik mijn ogen losrukte van die prachtige jongen die het vak met koffiemelk razendsnel bijvulde, terwijl hij praatte en lachte met het meisje dat naast hem hetzelfde deed met dozen suikerklontjes. Mijn teleurstelling zal wel zichtbaar zijn geweest, want mijn vader voegde er nog altijd fluisterend aan toe: „Maar ik begrijp je wel. Knappe jongen!”

Wij deden boodschappen voor de kerstdagen en ik had mij er al over verbaasd dat het in de supermarkt relatief rustig was, gegeven de zaterdagmiddag drie dagen voor Kerst. Mijn vader wist natuurlijk niet wat de werkelijke reden was dat ik naar deze supermarkt had willen gaan. Ik zou koken op Eerste Kerstdag, voor de hele familie, en ik had erop gestaan zoveel mogelijk in één keer te kopen en daarvoor wilde ik naar een grotere supermarkt dan die bij ons om de hoek. Heel even waren mijn ouders verbaasd geweest, maar zij hadden er verder geen probleem van gemaakt. Zij wisten niet dat ik al weken in deze supermarkt kwam. Sinds ik een paar weken geleden ontdekt had dat Mischa hier werkte, was ik veel vaker dan strikt noodzakelijk was hier iets komen kopen. Pas de derde keer dat ik hem aan het werk zag, had ik durven groeten. Niet eerder dan de zesde keer had ik een gesprek durven beginnen.

**

‘Hoi!’

‘Hé hoi, jij hier ook weer?’ Hij had die onweerstaanbare glimlach op zijn gezicht getoverd.

‘Zoals je ziet. Hoe gaat het?’ Ongelooflijk stomme vraag om te stellen, maar ik moest wat. Ik wilde meer van zijn stem horen, langer vlak bij hem zijn, zijn luchtje blijven ruiken.

‘Druk, zoals je ziet.’ De glimlach bleef en Mischa had ook geen aanstalten gemaakt verder te gaan met vakken vullen. ‘Maar het levert geld op.’

Ik had werkelijk geen idee hoe ik dit moest aanpakken. Hoe moest je nu zo’n gesprek op gang houden? ‘Wat ga jij doen in de kerstvakantie?’ Het floepte er zomaar uit.

Hij lachte. Zijn helderblauwe ogen lichtjes samengeknepen, kuiltjes in zijn strakke wangen, zijn hoofd een beetje achterover. ‘Niet veel. De kerstdagen en de rest van die week ben ik bij mijn vader. Die heeft niet zoveel met Kerst, dus dat zal wel weer Chinees halen worden op Eerste Kerstdag… en het opwarmen van de restjes op de Tweede.’

Mijn mond viel een beetje open. ‘Dat… Meen je dat?’ vroeg ik ongelovig. Ik kende de kerstdagen niet anders dan als een groot en gezellig samenzijn met familie en veel en lekker eten.

Mischa haalde zijn schouders op. ‘Tja, ik kan er ook niet meer van maken.’ De lach was verdwenen. ‘Nu moet ik eigenlijk verder.’ Hij bukte zich voorover om het volgende pak roze koeken in het schap te leggen. Gebiologeerd keek ik naar de strakke spijkerstof die zich om zijn billen spande. Zijn broekspijpen trokken een klein beetje naar boven en hij droeg van die kleine sokjes, zodat ik zijn blote enkels ook kon zien.

Voordat het te ongemakkelijk werd, stapte ik achteruit. ‘J-ja, natuurlijk.’ Waarom stotterde ik nou? Ik bloosde ook nog. ‘Zie je!’

**

De auto was behoorlijk afgeladen. Papa had in toenemende mate gefronst en gezucht bij de hoeveelheid boodschappen die ik inlaadde, maar niets gezegd. Waarschijnlijk alleen maar omdat mama hem de opdracht had gegeven het inkopen aan mij over te laten. We waren het parkeerterrein nog maar net af, toen de onvermijdelijke vraag kwam. „Ken je die jongen?”

Het was lief en belangstellend bedoeld, dat wist ik. Mijn ouders, en trouwens ook mijn zussen, waren fantastisch geweest toen ik uit de kast kwam, zoals dat schijnt te moeten heten. Ik was toen vijftien en had al ruim drie jaren van onzekerheid, angst en verdriet achter de rug. Onzekerheid over mezelf, toen ik aan mezelf durfde toe te geven dat ik naar jongens keek, over jongens fantaseerde en aan jongens dacht terwijl ik mezelf bediende. Angst voor de reactie van alles en iedereen, maar in de eerste plaats van mijn familie. Verdriet over het feit dat ik kennelijk anders was en helemaal niet anders wilde zijn. Ik voelde mezelf toen toch al als een teleurstelling. Ik was een nakomertje en dat verkleinwoord was helemaal van toepassing omdat ik klein van stuk was en ben. Een klein, zwak en zielig onderdeurtje, zo voelde ik me toen.

Nu was ik zeventien en nog altijd klein. Maar daar had ik me al bij neergelegd. Ik zou niet veel verder groeien dan de een meter zeventig die ik nu lang was. Over de onzekerheid over mezelf had ik me op mijn vijftiende wel heengezet. Toen durfde ik mezelf in de spiegel aan te kijken en hardop te zeggen: ‘Ik ben homo.’ Tenminste, als ik mezelf er drie keer van had overtuigd dat mijn ouders niet thuis, het rolgordijn voor het raam dicht en de badkamerdeur op slot waren.

Ik had me mijn coming-out – als die ooit al zou komen – voorgesteld als een duik in een vulkaan die op het punt van uitbarsten staat. Het werd een warm bad, met kaarslicht en de hele romantische rataplan – alles figuurlijk gesproken dan. Het was op een van de zeldzame momenten dat ik samen met mijn beide ouders in de woonkamer televisie zat te kijken.

**

We keken naar het journaal. Er was een item over twee homo’s die in Amsterdam in elkaar waren geslagen – een van de daders was veroordeeld tot een werkstraf, de ander was vrijgesproken. Als het op televisie, of eigenlijk in het algemeen, over homo’s ging, keek ik altijd strak voor me uit of naar de grond en wilde dat het zo snel mogelijk voorbij ging, voordat mij iets gevraagd zou worden. Zo ook nu en er werd ook niets gevraagd. In mijn opperste concentratie had ik wel gemerkt dat mijn ouders een blik met elkaar gewisseld hadden. Daarna was het nota bene mijn vader die verzuchtte: ‘Ach, ik wilde dat iedereen eens normaal ging doen over homoseksualiteit. Al die haat, al dat geweld… en waarom?’

Mijn moeder pakte de handschoen gretig op – achteraf verdacht ik ze ervan het ingestudeerd te hebben, maar ze hebben mij bezworen dat dat niet zo was. ‘Ja,’ ook zij zuchtte, ‘waarom inderdaad? Liefde is toch liefde? Daar hebben anderen toch niets mee te maken?’

Ik kan me nog altijd goed herinneren dat er een golf aan emoties door me heenschoot. Ik had mijn ouders zich nooit eerder voor homoseksualiteit horen uitspreken. Ook niet tegen, maar zo expliciet als het nu werd gezegd… dat had ik nooit verwacht. Het was waarschijnlijk die emotie van het moment, gevoed door de aanmoedigende woorden van mijn vader en mijn moeder, die de zo zorgvuldig opgebouwde dam – Ik zeg nooit iets, geef nooit iets toe en ontwijk alle vragen – deed doorbreken. Ook een soort vulkaan, maar nu waren het mijn hoofd, mijn hart en mijn ziel die uitbarstten. Met de nodige tranen.

Hun reactie was geweldig. Mijn moeder viel me om de hals en fluisterde in mijn oor dat ze van me hield. Mijn vader kwam achter me staan, legde zijn handen op mijn schouders en drukte een zoen bovenop mijn hoofd. Dat was het meest vreemde en tegelijkertijd fantastische: mijn vader was tot dat moment niet de man van aanhankelijk, fysiek contact. Nu spatte de liefde echter van hem – en van mijn moeder af.

**

„Welke jongen?” Ik deed alsof mijn neus bloedde, maar dat mocht natuurlijk niet baten.

„Kom op, Sam…” Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn vader nog steeds grijnzen.

„Oké, oké…” Ik zuchtte een keer. „Dat is Mischa. Zat bij mij in de klas, maar is van 3-vwo naar 4-havo gegaan. Doet dit jaar eindexamen.”

Terwijl hij op de weg bleef letten, verdween de glimlach niet van mijn vaders gezicht. Hij wachtte even, maar ik ging niet verder. „En?” vroeg hij ten slotte, nog altijd voor zich uit en in de spiegels kijkend.

Ja, en? Ik had al langer een crush op Mischa gehad en dat was alleen maar erger geworden toen zijn lichaam zich wel ontwikkelde. Hij was in twee jaar tijd wel twintig centimeter langer geworden, had brede schouders en sterke armen gekregen en als hij ’s zomers in korte broek liep kon ik alleen maar naar die prachtig gewelfde, gebruinde en licht behaarde benen staren. Toen we nog bij elkaar in de klas zaten, hadden we wel contact gehad, ik was zelfs een keer bij hem thuis geweest. Zijn ouders waren toen nog niet gescheiden. Dat contact was echter verwaterd en beperkte zich nu meestal tot een groet in de gang of in de hal van school. Tot ik er bij toeval achter kwam waar hij werkte en na enige tijd het had aangedurfd hem aan te spreken. Hij was altijd vrolijk, vriendelijk en maakte tijdens zijn werk altijd wel even vrij om met mij te praten, ook als hij het heel druk had. Ik ging altijd die supermarkt uit met vlinders in mijn buik. Om thuis vervolgens op bed neer te storten en me weer bewust te worden van de realiteit: Mischa was geen homo en zou nooit voor mij voelen wat ik voor hem wel voelde. Dat laatste was ik steeds sneller gaan vergeten en de afgelopen week stond ik dan steeds de volgende dag alweer voor die supermarkt.

Dat ging ik mijn vader niet allemaal vertellen. „Ik vind het een knappe jongen, meer niet.” Hoewel mijn stem het tegendeel wel moest verraden, ging papa er niet op door. Dat waardeerde ik dan weer in hem.

De rest van het ritje verliep veelal in stilte, afgezien van de radio die op de achtergrond speelde. Pas vlakbij huis en zonder mij gelegenheid te geven te reageren, kwam mijn vader er toch nog op terug. „Verliefd zijn is heerlijk, jongen. Daar moet je van genieten en je mag je er een beetje door laten verblinden. Maar sluit je ogen nooit helemaal.” Hij zette de auto stil op onze oprit.

Het was kennelijk niet de bedoeling dat ik daarop reageerde, want papa stapte uit en deed de deur achter zich dicht. Ik had ook in de verste verte geen idee wat ik zou hebben kunnen zeggen. Was ik verliefd? Ja, natuurlijk, Sam houd jezelf niet voor de gek. Was het verstandig? Nee, want deze liefde zou nooit beantwoord worden. Was het een lekker gevoel? O ja, het was hemels. Met verwarde gedachten stapte ik ook uit en hielp met het naar binnen brengen van de boodschappen.

We moesten een paar keer lopen om alle tassen en dozen binnen te krijgen. Ik pakte de laatste twee dozen onder mijn armen, terwijl papa de laatste tas nam en de auto afsloot. Terwijl we naar de deur liepen, wreef hij even snel over mijn rug. Nog altijd verward keek ik hem aan, mijn armen vol. „Komt wel goed, jongen,” zei hij vriendelijk glimlachend en hij hield de deur voor me open.

*

Rationeel bekeken vond ik Kerst altijd maar een overdreven aangelegenheid. Maar toch werd ik eigenlijk elk jaar weer gegrepen door de bijzondere sfeer, zeker op de kerstdagen zelf. Morgen, op Eerste Kerstdag zouden mijn zussen komen. Chantal met haar vriend, o nee, man Joris. Zij waren in juni van dit jaar getrouwd. Hun zoontje Hugo was al vijf jaar oud en ik kon niet wachten om met name hem weer eens te zien. Mijn andere zus zou haar vriend Maurits meenemen. Nu waren relaties voor Margot net zoiets als een bibliotheekboek: op een gegeven moment lever je het weer in, of je het nu gelezen hebt, een paar keer gelezen hebt of helemaal niet. Het was altijd weer spannend of ze met een jongen thuis zou komen en zo ja, wie dat dan was. Het betrof zelden dezelfde als degene die we de vorige keer gezien hadden, maar met deze Maurits ging het toch al een maand of acht goed en dat was volgens mij een record.

Morgen zou de hele clan dus bij elkaar zijn, vandaag hadden mijn ouders en ik het huis nog even voor onszelf. Dat was maar goed ook, want mijn moeder had weer eens een van haar opruim- en schoonmaakdriftbuien en ging als een tornado door het huis. De logeerkamers en de badkamer op mijn verdieping kregen de meeste aandacht, hoewel de stopcontacten in de gang ook niet aan een behandeling ontsnapten. Mijn vader en ik wisten wat ons te doen stond: wegwezen. Papa had buiten het terras een beetje aangeveegd, maar had het al snel koud gekregen en kwam weer binnen voor een kop koffie. Ik had me teruggetrokken in de keuken om alvast aan de voorbereidingen voor het kerstdiner van morgen te beginnen. Na lang smeken had ik mama zover gekregen dat ze de keuken nog even ongemoeid liet.

‘Ik ben hier de hele middag nog bezig, dan is het toch zonde om eerst schoon te maken? Dat kan toch beter daarna? Ik zal ook helpen.’

Bij die laatste opmerking had mijn moeder een wenkbrauw opgetrokken en daarna een oog een beetje dicht geknepen. ‘Hmf. We zullen zien. Ik begin wel boven.’ Toen was ze als een wervelwind verdwenen.

Snel had ik de keukendeur achter haar dicht gedaan. Ik zette koffie voor mijn vader en zelf lustte ik ook nog wel een kop. De radio speelde op de achtergrond vrolijke kerstmuziek en het was behaaglijk warm in de keuken. Die sfeer, met de gezellige lichtjes, mijn vader op een doordeweekse dag thuis in zijn vrijetijdskleding en het vooruitzicht van de komst van mijn zussen en aanhang zorgde ervoor dat ik toch in een kerststemming kwam.

Aan de keukentafel las mijn vader de krant, terwijl ik op mijn telefoon een lijstje maakte met dingen die ik moest doen, hoelang ze zouden duren en welke volgorde van belang was. Toen ik het meeste zo’n beetje had genoteerd, zakte de moed me toch in de schoenen. Had ik niet te veel hooi op de vork genomen? Vorig jaar had ik alleen het hoofdgerecht en het dessert gemaakt. Dat was ook al veel werk geweest. Deze keer wilde ik alles zelf doen. Ik had mijn moeder laten beloven zich er niet mee te bemoeien. Die leek er sowieso niet gerust op dat het goed zou komen. Pas nadat papa haar erop had gewezen dat ik tot dusverre altijd heerlijk had gekookt, was ze overstag gegaan. Uit alles bleek evenwel dat ze er geen vertrouwen in had dat ik het allemaal alleen kon, gelet op het menu dat ik bedacht had. Oesters om mee te beginnen, gevolgd door een bisque van kreeft, carpaccio, als vierde gang een klein bordje tagliatelle en als hoofdgerecht een eendenboutje. Daar moesten natuurlijk wel een bijgerechten bij: stoofperen, sperziebonen met spekjes, worteltjes, gebakken aardappelen, een salade en brood. Nog even afgezien van het snijwerk en het serveren was het bereiden en warm houden van de meeste dingen al een voltijdsbaan. Ik voorzag dat ik op sommige momenten drie dingen tegelijk moest doen. Gelukkig had ik heel simpel ijs als toetje bedacht, daar zat geen werk in behalve het uitserveren.

Ik zuchtte een keer en zonder te kijken voelde ik dat papa mijn kant opkeek.

„Wat is er, jongen? Weet je niet waar je moet beginnen?” Mijn vader had me weer eens feilloos door.

„Om eerlijk te zijn: nee.” Daarna begon ik een echt schema te bedenken, wat achteraf precies papa’s bedoeling bleek te zijn geweest. „Die oesters, daar is niet veel meer aan te doen dan openmaken en serveren met citroen. Die carpaccio kan ik ook pas morgen maken, anders droogt het allemaal zo uit. Die eendenbouten kan ik vandaag wel braden, dan hoeven ze morgen alleen nog maar in de oven opgewarmd te worden. Ik kan bonen en aardappels schillen, wortels raspen en die stoofperen moeten lang op. Laat ik daar maar mee beginnen.”

Ik was al opgestaan en had me omgedraaid, toen mijn vader zei: „Je weet dat we het allemaal erg waarderen, maar dat het niet moet, hè Sam? Je kunt geweldig lekker en goed koken, maar als het niet allemaal lukt, is er geen man overboord. Ik weet zeker dat we toch wel goed eten. Je hebt iets geweldigs bedacht en dat gaat je ook wel lukken. Bovendien zijn wij er om je te helpen. En je dacht toch niet dat Chantal zich morgen de hele dag buiten de keuken laat houden?”

Nu kwam er iets onverzettelijks over me. Tegen het aanrecht geleund, mijn armen over elkaar, keek ik grijnzend naar mijn vader die nog een slok koffie nam. „Jawel, want dat heb ik al met haar besproken. Hugo eet gewoon mee, er zal genoeg zijn dat hij kent en lust. Bovendien wil Chantal dat hij ook andere dingen leert eten. Ik hoefde voor hem niets apart te maken. Mocht de nood echt aan de man komen, dan kunnen we altijd nog friet bakken. Dat is sowieso mijn backup voor een tekort aan bijgerechten.”

Mijn vader kreunde. „Tekort? We hebben eten voor de hele wijk en dan houden we nog over!”

„Nog niet,” antwoordde ik kalm. „Wanneer ga je die oesters, kreeft en eendenbouten ophalen?” Die hadden we besteld bij de visboer en de poelier en konden vandaag afgehaald worden. Dat zou mijn vader doen, terwijl ik alvast met de voorbereidingen begon.

„Nu, baas.” Met een overdreven gebaar sloeg mijn vader de krant dicht, dronk snel de laatste slok koffie uit zijn mok en stond op. Ik wilde al zeggen dat ik het zo niet bedoelde, toen hij naar me toe liep. De vrolijke uitstraling van zojuist was niet geheel van zijn gezicht verdwenen, maar had wel een deel overgelaten aan het gewone, meer serieuze aangezicht. Voordat ik erg in had, stond hij voor me, sloeg een arm om mijn rug en drukte me even tegen zich aan. „Geen zorgen. Het komt allemaal goed. We waarderen het allemaal, je moeder, je zussen, ik…” Zijn hand wreef over mijn schouderbladen. Daarna liet hij me los.

„Weet ik, pap.” Ik zuchtte nog een keer. „Dank je wel.” Dat fysieke contact was nog steeds wel wennen, maar het deed me veel. Net als papa’s woorden. Ik slikte een keer moeizaam, terwijl ik hoorde dat hij de keuken verliet.

*

Eenmaal begonnen, vloog de dag voorbij. Alles wat ik aan voorbereidingen had kunnen doen, was tegen vijven gedaan. Ik zette de vuile vaat in de vaatwasser en liet die alvast draaien. Ik maakte het fornuis en het aanrecht schoon, haalde een doek over de keukentafel en veegde de vloer. Net toen ik aan het dweilen begon, kwam mijn moeder de keuken binnen. Ze zag er moe uit.

„Ach lieverd, laat dat toch zitten. Dat doen we wel als al het werk van morgen achter de rug is.” Met een plof liet ze zich op een stoel vallen. „Het ziet er trouwens toch al mooi opgeruimd uit hier.”

Ik ging gewoon door. „Morgenavond gaan we niet dweilen. Bovendien is het fijn om morgen in een schone keuken te beginnen.”

Ze glimlachte naar me. „Oké, wat je wilt. Maar ik houd ermee op voor vandaag. Wil je zometeen een glas wijn voor me inschenken?”

Dat deed ik direct en daarna maakte ik snel het dweilen af. Een hoekje bij de tafel en het looppad naar de deur sloeg ik over. „Heb je echt alle kamers gedaan vandaag?”

Ze knikte. „Behalve de jouwe.”

Kort maakten we oogcontact en we lachten allebei. Ik had haar verboden op mijn kamer te komen. „Daar zou je nog een dag extra voor nodig gehad hebben. Echt, ik beloof je het zelf te doen… na de Kerst.”

„Dat is je geraden. Ik heb wel een blik naar binnen geworpen en de gemiddelde varkensstal ziet er netter uit.”

Ik zei maar niets. Ze had namelijk gelijk. Snel ruimde ik de emmer en de dweil op en ging naast haar zitten met een glas water. „Papa blijft wel lang weg,” merkte ik met een blik op de klok op. Mijn vader had nog een keer naar de poelier gemoeten, omdat de eendenbouten pas aan het eind van de middag klaar lagen. Hij was met de auto om kwart over vier vertrokken, nu was het ruim een uur later.

„Het zal wel druk op de weg zijn en ik hoop dat hij voorzichtig rijdt. Het kan glad zijn met dit vochtige weer en lage temperaturen.”

Daar had ze waarschijnlijk gelijk in. Beide zaten we nog even moe maar voldaan na de gedane arbeid voor ons uit te kijken.

„Wat eten we vanavond eigenlijk?” vroeg mijn moeder ineens.

Met een schok ging ik rechtop zitten. Vanavond! Ik had me volledig gericht op de kerstdagen en was totaal uit het oog verloren dat ook op de avond voor Kerst iets te eten wel prettig zou zijn. Ik voelde mijn wangen kleuren en vol schaamte keek ik naar mama… die begon te glimlachen. „Rustig maar, ik vermoedde al zo’n beetje dat al jouw aandacht door morgen was opgeslokt. Ik heb wat makkelijks in huis gehaald en dat zal ik ook zelf klaarmaken. Jij hebt vanavond vrij.”

Iets te onstuimig vloog ik haar om de hals, terwijl zij me lachend afweerde. „Wat heb je gekocht? Ik wil best helpen hoor!”

„Nee, niks daarvan. Ik mag jou morgen ook niet helpen.” Ze bleef glimlachen.

„Nou… misschien nog even daarover… als je nog steeds wilt… er moet veel…” Het weggezakte bloed begon weer naar mijn wangen te stijgen. Ik had er inderdaad een heel punt van gemaakt dat ik het allemaal alleen wilde doen. Maar vandaag had ik gezien wat er allemaal moest gebeuren en dat ging me gewoon niet in mijn eentje lukken. Al was het maar het snijwerk, dat door iemand anders gedaan werd.

Nu lachte mama luid. „Och lieverd, ik vroeg me al af wanneer je erachter zou komen. Dit is nog redelijk op tijd. Natuurlijk zal ik je helpen, maar jij bent de baas en bepaalt wat er wanneer moet gebeuren. Ik volg alleen orders op. Probeer daar trouwens niet aan te wennen, want dat is eenmalig.”

Ik begon ook te lachen. Het was wel ontspannend op deze manier. „Volgend jaar niet weer?”

„Laten we eerst eens afwachten hoe het dit jaar uitpakt,” reageerde ze heel snel. „Bovendien…,” vervolgde ze met zachte stem, „bovendien hoop ik dat je volgend jaar een vriendje hebt en helemaal geen tijd om te koken.”

„Mam!” Voor de derde keer in tien minuten werd ik vuurrood. Wild stond ik op en liep naar het aanrecht. Daar bleef ik staan, met mijn handen leunend op het blad, mijn rug naar mijn moeder.

Die stond ook op, veel rustiger dan ik. Even later voelde ik haar zachte hand op mijn onderrug. „Ik gun het je zo, jongen. Meer bedoelde ik er niet mee.” Daarna liep ze naar de ijskast en begon dingen voor het avondeten te verzamelen.

Hoe snel kun je van emotie wisselen? Nog geen half uur geleden was ik vrolijk, zonet was ik kwaad en nu schaamde ik me en werd ik kwaad op mezelf. Waarom kon ik nooit normaal reageren als iemand begon over een vriendje? Oké, het woord zelf bezorgde me kokhalsneigingen, maar los daarvan? Mijn moeder had het inderdaad toch alleen maar goed en lief bedoeld? Waarom reageerde ik dan zo verdedigend en agressief tegelijk? Ik wilde het er nooit over hebben, dat was het. Met niemand, en zeker met mijn ouders niet. Maar ik moest leren dat gewoon te zeggen.

Langzaam liet ik het aanrecht los en draaide me half om. „Kan ik iets doen?” vroeg ik met een benepen stemmetje. Een seconde keek mama me een beetje verdrietig aan, daarna glimlachte ze lief. „Wil je uien en knoflook snijden? Ik maak een varkensfricassee.”

Een varkensfricassee, dat is mama’s idee van ‘iets makkelijks’. Ik grinnikte even en was mijn bui van zojuist alweer vergeten. Met een snijplank, een mesje, twee uien en een bolletje knoflook ging ik aan de keukentafel zitten en begon te pellen en te snijden.

Ik had nog geen halve ui gedaan, toen de keukendeur vrij wild en geluidruchtig openging en mijn vader binnenkwam. Maar hij was niet alleen. Hij had een jongen bij zich die ik onmiddellijk herkende, hoewel hij er niet helemaal als zichzelf uitzag.

„Mischa!”

In een vloeiende beweging legde ik ui en mes neer, veegde mijn handen af aan een doek en stond op.

Hij had zijn hoofd gebogen en keek nu een klein stukje op. Zijn ogen waren rood en vochtig, op zijn wangen zaten sporen van tranen. Zijn gezicht was ook een beetje vuil, vlak bij zijn oor zat een schram die volgens mij nog steeds bloedde. Ik schrok en wist totaal niet wat ik moest doen.

Gelukkig was daar mijn vader. „Dus je heet Mischa?” vroeg hij, zonder antwoord te verwachten. „Kom, doe je jas uit en ga eens even zitten. Eerst even bijkomen. Je weet zeker dat je niets ernstigs hebt?” Papa droeg een kleine sporttas die hij in de hoek van de keuken zette.

Opnieuw schrok ik. Iets ernstigs? Wat was dan het niet ernstige?

Mijn vader schoof een stoel aan tafel achteruit en gebaarde Mischa dat hij moest komen zitten. Mama, die nog geen woord gezegd had, bleef het allemaal van een klein afstandje bekijken. Mischa had met enige moeite zijn jas uitgetrokken en liep langzaam naar de stoel. Het leek alsof hij met zijn been trok en dat hij pijn had, want hij verbeet zich zichtbaar. Toen hij eenmaal zat, zei hij met een rauwe stem, die ik nauwelijks als de zijne herkende: „Dank u wel.”

Ik stond nog altijd bij de plaats waar ik had zitten snijden. De zitting van de stoel drukte zachtjes tegen mijn knieholten. Hier begreep ik niets van. Wat was er in vredesnaam gebeurd en waarom was Mischa met mijn vader meegekomen?

„Mischa is met zijn fiets gevallen,” zei papa rustig, alsof hij mijn gedachten las. „Hier verderop in de bocht. De straat is glad geworden en hij kon de bocht niet houden. Ik heb het zien gebeuren en hem even meegenomen om bij te komen.”

„Volgens mij moet er iets meer gebeuren dan even bijkomen.” Mijn moeder kwam in actie. Ze ging op haar hurken naast Mischa zitten en streek met een vinger over die schram op zijn wang.
Hij draaide zijn hoofd weg. „Rustig maar, jongeman. Dat moet wel ontsmet worden voordat er iets gaat ontsteken. Pak even de verbanddoos.” Het was papa die in beweging kwam. Ik kon nog altijd geen stap verzetten. „Heb je meer schaafwonden?”

Zachtjes schudde Mischa zijn hoofd. Mijn vader kwam met een flesje en een prop watten, waar mijn moeder mee aan de slag ging. „Dit prikt even, niet schrikken.” Dat deed hij natuurlijk toch, maar verder liet hij zich gelaten behandelen. Het deed hem pijn, dat zag ik aan zijn gezicht, toch liet hij dat verder niet merken. Toen mijn moeder klaar was en zei dat ze er geen pleister op zou doen omdat het al bijna niet meer bloedde en eventueel vuil er nu nog uit kon, leek het alsof op dat moment alle kracht uit Mischa’s lichaam vloeide. Hij liet zijn armen slap op tafel rusten en zakte met zijn bovenlichaam een beetje voorover. Zijn hoofd liet hij hangen en hij ademde zwaar.

„Dank u wel.” Dat was de tweede keer dat hij deze drie woorden uitsprak, nu met een nog zwaardere stem, die in zijn keel leek te blijven hangen. Het was eigenlijk nauwelijks te verstaan.

Mijn hoofd tolde. Wat was er aan de hand? Ja, hij was gevallen, dat wilde ik geloven. Maar tenzij hij daarbij zwaargewond was geraakt – en dat was overduidelijk niet het geval – verklaarde dat niet zijn algehele verschijning en gemoed. Mama dacht kennelijk hetzelfde, want die begon een vraag te formuleren, maar werd na tweeëneenhalf woord door papa vriendelijk doch beslist onderbroken.

„Volgens mij moeten we Mischa eerst eens rustig laten bijkomen en hem de gelegenheid geven zich even op te frissen. Ga maar even douchen, jongeman. Sam, laat jij hem zien waar jouw badkamer is?”

Met een schok belandde ik vanuit mijn half dromerige gedachtewereld weer in de werkelijkheid. Papa had heel beslist gesproken, op een toon die geen tegenspraak duldde. Die kwam er dan ook niet. Mischa had zijn nog altijd doffe blik nu op mij gericht en ik meende achter die grijze mist in zijn ogen iets van hoop te zien.

„Eh… ja… Kom maar mee. Wil je ook even liggen of zo?” Ik flapte het er zomaar uit en had er direct spijt van.

Hij had zijn ogen weer neergeslagen, maar zijn stem was op de weg terug. „M’n gezicht wassen is voldoende, maar dank je wel.” Het was gefluisterd, alsof hij zich schaamde, maar goed verstaanbaar.

Opeens leek ik de daadkracht van mijn vader over te nemen. ‘Een ding tegelijk,’ dacht ik. Dus eerst naar de badkamer. „Kom maar mee,” zei ik zo vriendelijk en uitnodigend mogelijk. Ik liep om de tafel heen en wachtte tot hij opgestaan was. Dat ging moeizaam en dat baarde mij weer zorgen. „Heb je pijn?” vroeg ik bezorgd.

Hij stond rechtop en deed een paar voorzichtige kleine pasjes in mijn richting. „Nee,” hij schudde zijn hoofd en deed zelfs een poging tot geruststellend glimlachen. „Ik ben een beetje stijf van die smak die ik gemaakt heb. Dat gaat straks wel weer beter.”

Daar had ik een hard hoofd in en mijn ouders leken ook verre van overtuigd door die woorden. Geen van drieën zeiden wij echter iets. Ik keek hen nog een keer aan. Mama glimlachte en knikte alsof ze me wilde aansporen, papa knikte ook, goedkeurend en bemoedigend. Met Mischa verliet ik de keuken en de deur achter ons dicht. Mijn hart begon als een razende te bonken.

„Gaat het wel?” vroeg ik bezorgd, toen we twee treden van de trap naar boven genomen hadden. „Zal ik je ondersteunen?” Van de gedachte begon ik te zweten.

Hij schudde zijn hoofd zachtjes en stapte de volgende trede op. „Nee, dank je wel. De leuning is voldoende. Maar mijn knie is zo stijf dat ik de treden één voor één moet doen.”

Ik had het gezien en mijn bezorgdheid nam toe. Zijn rechterbeen leek niet meer te kunnen buigen, Mischa hield het kaarsrecht en kon zo maar moeizaam omhoog komen. Zwijgzaam beklommen wij naast elkaar de trap, waarbij hij de armleuning zo stevig vasthield dat de knokkels van zijn vingers steeds even wit werden. Ik bleef naast en een klein beetje achter hem, half onbewust hield ik er rekening mee dat hij zou kunnen vallen. Zijn ademhaling werd zwaarder en hij verraste me dan ook toen we bijna boven waren en uit het niets zei: „Sorry dat ik jou zo lastig val op de avond voor Kerst.” Zijn gezicht was rood geworden en ik wist niet of dat door de inspanning kwam of veroorzaakt werd door deze opmerking van hemzelf. Het maakte me ook niet uit.

„Ben je gek, daar hoef je geen sorry voor te zeggen hoor, hou op!” Ik had het ferm, beslist willen zeggen en daar slaagde ik misschien iets te goed in.

Mischa hield even in, haalde scherp adem en keek opzij tegelijkertijd. Het waren twee seconden, waarin wij elkaar recht aankeken. Na die twee tellen ademde Mischa weer uit, richtte zijn blik weer op de traptreden en zette zich weer in beweging. „Dank je wel.”

Mijn hersenen registreerden het amper. Terwijl hij verder ging, bleef ik staan. In zijn ogen, die prachtige helderblauwe ogen die nu een stuk minder rood, dof en mistig waren dan toen hij binnenkwam, had ik iets gezien. Iets dat een vlam in mij aanwakkerde. Iets dat een zaadje van verwachting plantte. Iets waarvan ik geen flauw idee had wat het was.

*

In de badkamer keek Mischa eerst in de spiegel en maakte een grimas. „Hmf. Ik heb er wel beter uitgezien.” Terwijl hij de schram op zijn wang bestudeerde, probeerde ik niet te lang over die opmerking te blijven nadenken. Eerst waren er andere dingen te doen.

Ik keek naar de wastafel en daarna naar de douche. „Waarom ga je niet gewoon even douchen?” vroeg ik zo gewoon mogelijk. „Word je warm van, is lekker verfrissend voor je hele lichaam en helpt tegen die stijfheid.” Ik hoorde mezelf en vond dat ik klonk als een overbezorgde moeder. Dat kon me nu eigenlijk weinig schelen, want ik vond ook dat ik gelijk had. Mischa moest een beetje opknappen, niet alleen wat water in zijn gezicht gooien.

Het duurde een paar seconden voordat hij antwoord gaf en toen dat kwam, klonk het al een stuk minder stellig dan ik verwacht had. „Nee… dat is echt niet nodig, dank je wel.” Het leek wel of hij me niet durfde aan te kijken.

„Nou niet zo overdreven beleefd blijven doen. Jij gaat douchen.” Op elk van die drie laatste woorden legde ik nadruk en ik kwam in beweging. Uit het kastje onder de wastafel haalde ik een handdoek. In de douchecabine keek ik snel of daar alles was wat hij nodig kon hebben. Toen ik me weer omdraaide, schrok ik een klein beetje.

Mischa stond naar me te kijken, met een blik en een houding die hulpeloosheid, machteloosheid en ontreddering uitstraalden. Zijn schouders waren wel tien centimeter gezakt, hij liet zijn hoofd enigszins hangen. Ik hoopte dat de schrik niet van mijn gezicht te lezen was en herstelde me snel. „Nou, volgens mij is alles er dat je nodig hebt. Anders vraag je het maar, ik zal op mijn kamer wachten.”

Ik deed een pas naar de deur, toen hij sprak. „Eh… Sam?” Hij wachtte tot ik me weer omgedraaid had. Hij stond nog steeds op dezelfde plaats en keek naar de vloer. „Ik eh… ik denk niet dat ik al mijn kleren uit krijg.”

Mijn maag sprong een salto om mijn hart heen, dat van schrik een slag oversloeg. Eenmaal geland begonnen er allerlei tintelingen door mijn lijf te trekken. Ik had met Mischa te doen vanwege zijn hulpeloze en verlegen stem. Tegelijkertijd kon ik er niets aan doen dat ik een beetje opgewonden raakte. Resoluut verplaatste ik dit alles na een paar seconden naar de achtergrond… voor zover mijn lichaam en geest zich op dit moment iets lieten dicteren.

„Probeer het eerst eens,” begon ik praktisch en op een zo normaal mogelijke toon. „Begin met je shirt.” Hij droeg zijn supermarktbloesje nog steeds.

Langzaam keek hij op. De rode kleur verdween geleidelijk van zijn wangen. Er verscheen zelfs een glimlachje om zijn mond. „Jij wilt dat ik hier een striptease voor je ga opvoeren?” Het was ongelofelijk hoe snel deze jongen van verlegen naar ondeugend kon schakelen.

Nu werd ik weer rood. „N-nee, natuurlijk niet! Ik bedoelde… ach laat ook maar! Zal ik je nu helpen of niet?”

Mischa antwoordde niet. In plaats daarvan begon hij zijn shirt open te knopen en liet het even later van zijn schouders afglijden. Ik had scherp op zijn gezicht gelet en gezien dat hij af en toe even zijn ogen samenkneep en zijn spieren aanspande. Nu trok hij het witte t-shirt uit de band van zijn broek en begon het over zijn hoofd te trekken. Daarbij kreunde hij af en toe zachtjes en ik werd onmiddellijk weer week. Snel stapte ik op hem af en hielp hem bij het laatste stukje.

Nu stond hij met ontbloot bovenlijf voor me en daar had ik uren naar kunnen kijken, als ik niet werd afgeleid door een plek op de zijkant van zijn buik, net onder zijn ribben. Wat voor kleur was het eigenlijk, rood, blauw of toch paars? Een mengeling van dat alles? Scherp ademde ik in en wees ernaar. Nog voordat ik had kunnen vragen: „Wat is dat?” deed hij een stapje achteruit.

„Niet aanraken!” riep hij bang. „Dat is gevoelig. Daar is het stuur van mijn fiets tegenaan geknald toen ik viel.”

„Maar…” Ik schudde mijn hoofd. Dat kwam na het douchen wel. „Oké.” Mijn blik gleed van zijn rechterschouder, waar ook wat blauwe plekken en een paar schrammen te zien waren, via zijn rode en schijnbaar iets gezwollen elleboog over zijn arm. Het was duidelijk dat hij op zijn rechterzij was gevallen. Straks, Sam. Straks. „Ga even zitten.” Ik wees naar het houten krukje dat naast de wastafel stond. Mischa keek verbaasd, maar deed het toch. Behoedzaam liet hij zich zakken, terwijl hij zich vasthield aan de wastafel en zijn rechterbeen gestrekt hield. Toen hij zat, blies hij kort uit. Ik zei niets en knielde bij zijn voeten neer. Snel trok ik de veters van zijn schoenen los en haalde ze van zijn voeten. „Zo zeg! Wat is dit? Maat 50?” Niet eerder was me opgevallen dat hij zulke grote voeten had.

Mischa lachte kort. „Nee. 45. Sorry dat het stinkt, trouwens. Ik heb de hele dag gewerkt.”

Het stonk niet. Wat ik rook was… mannelijkheid. Met twee vlugge bewegingen had ik ook zijn sokken uitgetrokken. Zelfs zijn voeten waren mooi. Vanuit mijn geknielde positie keek ik vlug omhoog. „Nou moet je toch weer even opstaan…”

Voor een moment keek hij me niet begrijpend aan, toen viel het kwartje. In omgekeerde beweging, maar nog net zo moeizaam, kwam hij weer overeind. Mischa wachtte even tot hij zichzelf kennelijk stabiel genoeg vond en kon toen weer zonder steun van de wastafel staan. Hij maakte zijn riem los, knoopte zijn broek open en schoof die naar beneden. Daar nam ik het over. „Houd je goed vast, ik wil niet dat je valt. Eerst links. Andere links. Zo ja,… til je voet eens op.” Snel trok ik de broekspijp naar beneden. Het ritueel herhaalde zich aan zijn rechterkant. Daar deed ik iets voorzichtiger, maar al snel was zijn broek uit. Ik keek naar zijn knie en schrok voor de zoveelste keer. Zijn rechterknie was bijna twee keer zo dik als de linker. Aan de buitenzijde zat een plek met geronnen bloed, daaromheen was net zo’n bloeduitstorting als op zijn buik zichtbaar. Ik vloekte zachtjes. „Jij bent lelijk terechtgekomen!” Ook op zijn onderbeen en zijn enkel zaten een paar schrammen, maar dat viel in het niet bij zijn gehavende knie.

Ik hoorde Mischa zuchten. Nog altijd hield hij de wastafel vast en hij had zijn ogen even gesloten. Ik stond op. Hij droeg nu alleen nog een lichtblauwe boxer en het was slechts dankzij mijn bezorgdheid vanwege zijn verwondingen dat ik niet al na drie seconden contact tussen mijn vingers en zijn huid kneiterhard geworden was. Daar moest ik nu ook niet aan denken, anders gebeurde het alsnog, gehavend of niet. Ik werd weer zakelijk. „Nu kun je jezelf wel redden, denk ik?” vroeg ik met een knik naar zijn onderbroek. Ook daar moest ik niet naar kijken, want mijn onderbewustzijn had de contouren van hetgeen zich daaronder bevond al geregistreerd.

Gelaten glimlachend knikte Mischa. „Ja, daar kan ik zo uit stappen.” Hij pauzeerde kort. „Dank je wel.”

Dat was mijn teken om te vertrekken. Snel liet ik hem zien welke knoppen in de douche voor het aanzetten en voor de temperatuur waren. Ik wees op de beugelstang, waar hij zich aan kon vasthouden, want dat leek me wel nodig. Ik legde nog een tweede handdoek klaar en keek nog een keer snel naar de jongen waar ik de afgelopen jaren zo vaak naar gekeken had. Ik had veel over hem gefantaseerd, maar dit scenario had er niet bij gezeten. Vlug legde ik uit waar mijn kamer was, zei dat ik op hem zou wachten en dat hij me moest roepen als hij iets nodig had.

„Komt goed, Sam. Dank je wel.” Ineens keek hij weer verlegen, maar het bronzen stemgeluid was terug. Ik glimlachte nog een keer, liep de badkamer uit en sloot de deur achter me. Op de overloop bleef ik staan totdat ik water hoorde stromen.

Henk
Berichten: 4
Geregistreerd: vrijdag 01 augustus 2014 02:57
Woonplaats: Groningen
Ontvangen Bedankjes: 6 keer
Bericht Een gevulde Kerst (II) door Henk » donderdag 27 december 2018 11:23

*

Op mijn kamer liet ik me ruggelings op het bed vallen. Langzaam ontwaakte ik uit de verdoving die toegediend was op het moment dat Mischa met mijn vader de keuken binnenkwam. Hij was met de fiets gevallen vanwege de gladheid. Wat deed hij eigenlijk hier in de straat? Hij had gewerkt, zei hij en van die supermarkt naar zijn huis… O nee. Hij had me verteld dat hij de Kerst bij zijn vader zou doorbrengen. Ik wist niet waar die woonde. Zou hij eigenlijk niet even moeten laten weten wat er gebeurd is en dat hij wat later komt? Dat zou ik hem zometeen als eerste vragen.

Ik sloot mijn ogen voor een moment en haalde het plaatje van zijn lijf in gedachten tevoorschijn. Toen hij daar alleen in zijn boxer voor me stond… wat een lekker ding. Als vanzelf genazen zijn verwondingen in mijn gedachten en zag ik hem met een perfect lichaam. Gespierde armen en benen, maar niet zo overdreven. Lange armen en benen ook, grote handen en voeten. Die torso… breed in de schouders, smal in de taille. Strakke buik. Gladde borst en kleine tepeltjes…

In mijn broek begon wat te knellen. Snel sperde ik mijn ogen wijd open en dwong mezelf op te staan. ‘Ophouden nu, Sam,’ sprak ik mezelf zonder geluid te maken streng toe. ‘Zometeen kleedt hij zich weer aan, gaat naar huis en dat was het dan… Maar ik hoef geen kerstcadeau meer.’ Snel keek ik om me heen en ervoer iets geheel nieuws: ik begon me te ergeren aan de enorme puinhoop die mijn kamer was. Snel ruimde ik wat dingen op. In gedachten hoorde ik mijn moeder: ‘Dat is geen opruimen, dat is verplaatsen.’ Dat was het ook, maar voor echt opruimen had ik geen tijd. Snel schoof ik met mijn voeten allerlei kleren onder het bed, op mijn bureau maakte ik stapeltjes van papieren en boeken en ik verzamelde de meeste losse rondslingerende dingen in een doos. Wat die doos hier deed, weet ik niet. Net zomin als hoelang dat glas en dat bord hier al stonden. Het was in ieder geval hoog tijd dat ze afgewassen werden.

Ik klopte de deken van het bed uit en werd zelf getroffen door de minder aangename lucht die daarvan afkwam. Had ik nog tijd? Sneller dan ik ooit gedaan had, verschoonde ik het hele bed. Het oude hoeslaken, dekbedovertrek en de gebruikte kussenslopen propte ik bij elkaar tot een grote bal en gooide die op de overloop vlug in de wasmand. Rook het hier überhaupt wel fris, vroeg ik me af toen ik mijn kamer weer binnenkwam. Zonder een antwoord te bedenken, zette ik het raam een klein stukje open. Het was koud buiten, maar het regende niet. De aangename winterlucht kwam mijn kamer binnen, maar ik moest oppassen dat het hier niet te koud werd.

Nu kon ik even niets meer bedenken. Ik ging op de rand van mijn bed zitten. Onrustig friemelde ik met mijn vingers, liet mijn handen over mijn armen en bovenbenen glijden en werd kriegelig van mezelf. Elk moment kon Mischa klaar zijn met douchen en… Opeens denderden twee gedachten mijn hoofd binnen. Hij had hulp nodig gehad bij het uitkleden… hoe zat dat met aankleden? En direct daar achteraan: zich afdrogen, zou dat wel lukken? Ik kreeg het warm en wist niet wat ik moest doen. Gehaast stond ik op, liep naar de deur, bedacht me en liep weer terug. Dat herhaalde zich een paar keer. Vlak voor de gesloten deur bleef ik ten slotte staan en keek op mijn horloge. Kwart voor zeven. Voor mijn gevoel waren er uren verstreken sinds Mischa was binnengekomen, maar dat bleek mee te vallen. Of tegen, het is maar hoe je het bekijkt.

Ik nam een besluit. Even sloot ik mijn ogen, terwijl ik mijn hand op de deurklink legde. Een paar seconden bleef ik zo staan, haalde vervolgens diep adem en ging op missie. Op de overloop hoorde ik eerst niets. Vlak voor de badkamerdeur hoorde ik in ieder geval ook geen water meer stromen. Wat ik wel hoorde – nadat ik mijn oor bijna tegen de deur had aangelegd – was een zware ademhaling, die gepaard ging met zacht kreunen en af en toe scherp uitblazen. Voordat mijn fantasie met me op de loop ging, klopte ik twee keer hard op de deur. „Mischa? Gaat het allemaal goed? Lukt het?”

Als je in een bepaalde bui bent, kan elk woord dubbelzinnig overkomen. Dat in ieder geval mijn toon de juiste was, bleek uit de reactie.

„Ja, dank je wel! Gaat goed,” klonk het door de houten deur. Mischa hijgde lichtjes, zo dacht ik op te merken. Naast die ademhaling hoorde ik even niets. Ik stond nog te bedenken wat ik nu zou kunnen zeggen, toen er toch een vervolg van binnen kwam. „Misschien… misschien wil je me zo even helpen?”

Een warme gloed gleed door mijn lijf. „J-ja, natuurlijk!” riep ik terug. Ik besefte me opeens dat we beide hard aan het praten waren. Ik stond in tweestrijd. ‘Zo even,’ had hij gezegd. Moest ik nu nog een keer aankloppen en vragen of ik binnen mocht komen, of moest ik wachten tot hij zou zeggen dat het zo ver was?

Kennelijk had ik het eerste moeten doen. „Sam?” klonk het weer hard.

„J-ja?” Waarom kon ik niet ophouden met stotteren?

„Wil je me dan even helpen?”

„Eh… ja, natuurlijk!” Ik klopte nog een keer op de deur om te laten weten dat ik dan nu echt binnen zou komen en wachtte nog een paar seconden om Mischa de gelegenheid te geven daartegen te protesteren. Dat deed hij niet.

In de badkamer was het warm en er hing nog altijd stoom tegen het plafond. ‘Mooi,’ dacht ik bij mezelf. ‘Dan heeft hij tenminste lekker heet gedoucht.’ Mischa stond op min of meer dezelfde plek als waar ik hem achtergelaten had. Hij had een handdoek om zijn middel geknoopt. Zijn natte haren stonden alle kanten op en zijn huid zag een beetje rood. Voor zover ik het op dat afstandje en in de vochtige ruimte goed kon zien, was het echter zijn gezicht waar ik echt blij van werd. Zijn ogen twinkelden weer een beetje en de vrolijke trekken om zijn mond waren terug.

„Dat was heerlijk. Dank je wel dat ik even mocht douchen. Ik ben weer iets opgeknapt.” Mischa leek echt gelukkiger dan een half uur geleden. „Eh. Beetje stom, maar eh… mijn onderbroek is nat geworden.” Hij sloeg zijn blik neer. „Mag ik er een van jou lenen?”

Het was moeilijk te verstaan geweest, maar ik had het toch goed verstaan. Ik knipperde met mijn ogen. Tegelijk met de onvermijdelijke hete golf bloed die vanuit mijn hart door mijn lichaam gepompt werd, kwam er een praktische gedachte naar boven. Zou dat passen? Mischa was niet alleen bepaald langer, maar ook breder dan ik.

Hij kuchte en ik ontdekte dat ik als een vis op het droge naar adem happend naar hem had staan staren. „E-eh ja… ja, natuurlijk!” Hoe vaak had ik dat het afgelopen uur al gezegd? Snel draaide ik me om en haalde een boxer uit mijn kast. Ik koos heel snel een neutrale, donkerblauwe. Binnen een minuut was ik terug in de badkamer. „Probeer deze eens.” Het klonk ongelofelijk fout in mijn eigen oren, maar Mischa reageerde er niet op. Hij stond daar een beetje hulpeloos met het stuk textiel in zijn handen. „Eh…,” begon ik weer. Of ik nog steeds vuurrood was of het opnieuw werd, weet ik niet. „Lukt eh… zal het lukken?” Ik wist werkelijk waar niet hoe ik dit moest zeggen of vragen.

Er verscheen een glimlach op het eveneens rode gezicht van Mischa. „Jawel. Ik kan me al iets beter bewegen dankzij die warme douche. Dat was een goed idee!”

Ik kreeg haast, zonder te weten waarom. Ik had nog wel even langer naar dat halfnaakte lichaam willen kijken. Toch draaide ik me om en liep de badkamer weer uit. „Oké, mijn kamer is dus hiernaast. Ik zie je zo wel.” De deur deed ik weer zorgvuldig achter me dicht en ik ademde lang en zuchtend uit.

*

Het duurde bijna tien minuten, maar toen werd er toch aangeklopt. Ik had mijn deur op een kier laten staan en was op mijn rug op bed gaan liggen, mijn handen achter mijn hoofd gevouwen. Met mijn ogen halfdicht liet ik dat beeld steeds weer terugkeren, tot het in mijn geheugen gegrift stond.

„Ja, kom binnen!” Ik kwam overeind en ging op de rand van het bed zitten. Mischa kwam binnen. Het was hem inderdaad gelukt zich aan te kleden, op een ding na. Zijn rechtervoet was nog bloot. Die ene sok en zijn beide schoenen droeg hij in zijn handen. Hij keek weer verlegen en dat maakte hem zo mooi…

„Ik, eh… ik krijg alleen die sok niet aan. Ik kan mijn knie weer een beetje buigen, maar niet ver genoeg. Wil… eh… zou jij…”

Ik was al opgestaan en duwde hem met zachte hand naar de rand van mijn bed. Hij ging zitten met een dankbare blik. Snel knielde ik neer, nam de sok van hem over en met enige moeite kreeg ik die om zijn voet. Het contact tussen mijn vingertoppen en zijn zachte huid zorgde weer voor ruimtegebrek in mijn kruis, maar nu genoot ik van het moment.

„Dank je wel.” Hij was echt dankbaar, zo hoorde ik in zijn fluisterende stem en las ik af aan zijn gezicht.

Ik ging weer rechtop staan, een beetje van hem afgedraaid zodat hij niet vol in mijn kruis keek. „Je moet eens ophouden met steeds te bedanken,” zei ik gespeeld verontwaardigd. „Als ik je kan helpen, doe ik dat.” Opeens schoot mijn eerdere gedachte weer te binnen. „Zeg… je was op weg naar je vader, toch? Moet je die niet even bellen of zo, dat je later bent?”

Nooit eerder had ik meegemaakt dat iemand zo snel van gemoedstoestand kon veranderen. Zojuist leek Mischa min of meer bijgekomen van zijn onfortuinlijke val en hoewel hij van in ieder geval zijn knie nog wel een tijdje last zou hebben, was die lieve glimlach meer permanent teruggeweest en leek hij in de gegeven omstandigheden tevreden. Zodra ik het woord ‘vader’ had laten vallen, was hij ineengekrompen alsof ik hem met een mes gestoken had. Hangende schouders, hangend hoofd, voorovergebogen, in elkaar gedoken… Een paar seconden dacht ik dat hij bang was, hoewel ik niet kon bedenken waarvoor. Toen zag ik dat het geen angst was, maar verdriet. Vanuit mijn staande positie zag ik een waterdruppel op de vloer vallen. Die kwam niet uit zijn haren, maar viel uit zijn oog. Het was een traan. Het leek wel of hij geen adem meer haalde, hij bewoog niet, hij deed eigenlijk niets.

Voorzichtig kwam ik nog een stapje dichterbij. „Mischa?” probeerde ik voorzichtig, terwijl een lichte paniek zich meester van me maakte. Geen reactie. Heel behoedzaam legde ik een hand op zijn schouder en daarop keek hij met een ruk omhoog. Ik schrok, niet alleen van die beweging. De blik in zijn ogen, zijn gezichtsuitdrukking, er raasde van alles door elkaar heen. Verdriet, boosheid en misschien toch ook wel angst.

Ik had mijn hand onmiddellijk weggetrokken en weer een stapje achteruit gedaan, na die felle reactie. Nu werd zijn uitdrukking weer iets zachter, zonder de andere emoties geheel en al te laten verdwijnen. „Sorry. Ik wou je niet laten schrikken.” Zijn stem was dik, rauw. Voordat ik iets kon zeggen ging hij verder. „Mijn vader is er niet.” Daarna zei hij niets meer, staarde wezenloos voor zich uit.

Begrijpen deed ik het allerminst. Langzaam ging ik naast hem zitten, op een kleine halve meter afstand, terwijl ik zacht vroeg: „Maar… je zou de kerstdagen toch bij je vader zijn?”

Eerst dacht ik dat hij het niet gehoord had, in een soort trance zat waarin niets tot hem doordrong. Net toen ik het nog een keer wilde vragen, begon hij monotoon voor zich uit te praten. „Ja. Dat was tenminste de bedoeling… dacht ik. Maar kennelijk…” Het laatste deel van dat woord ging verloren in een luide snik en daarna brak er een dam door. Tot mijn grote schrik begon Mischa onbedaarlijk te huilen met zijn hoofd in zijn handen. Vijf lange tellen wist ik niet wat ik moest doen en toen deed ik wat gewoon in me opkwam.

Ik schoof naar hem toe, legde mijn linkerarm om zijn schouders en trok hem een beetje tegen me aan. Het leek alsof hij erop gewacht had. Zonder te stoppen met huilen, draaide hij zich naar me toe en hing met zijn hoofd tegen mijn rechterschouder. Nu legde ik ook mijn andere arm om hem heen en trok hem steviger tegen me aan. Mijn rechterhand wreef zachtjes over zijn rug.

We zeiden niets. Ik wist niet wat ik moest zeggen en Mischa kon niet praten en huilen tegelijk. In plaats van echt te genieten van zijn lichaam zo dicht op het mijne – ik kon de citroengeur van mijn eigen shampoo in zijn haren ruiken – staarde ik over zijn schouders naar een punt op de muur. Nog altijd wist ik niet wat er nou precies aan de hand was, maar dat het Mischa zo verdrietig maakte was erg genoeg. Ik bleef hem vasthouden en over zijn rug strelen, totdat het schokken van zijn snikken langzaam minder werd.

Hoelang het geduurd heeft, wist ik niet en maakte me ook niet uit. Heel voorzichtig, alsof hij bang was iets te breken, maakte Mischa zich uit mijn omhelzing los. Mijn hand liet ik nog even op zijn schouder liggen. Nu zaten we weer gewoon naast elkaar, onze bovenbenen stijf tegen elkaar aan gedrukt. Op hetzelfde moment draaiden we ons hoofd. Met rode, droevige ogen, die scherp contrasteerden met de glimlach die hij toch om zijn mond wist te toveren, keek hij me aan. „Sorry,” begon hij met een stem dik van tranen. „Ik zit jouw kerstavond te verkloten door dit hele gedoe en dan begin ik ook nog een potje te janken.” Zachtjes beet hij op zijn eigen onderlip. Het was duidelijk dat hij naar woorden zat te zoeken.

„Hé,” begon ik zacht en mijn hand wreef over zijn schouder en rug. Mijn eigen ogen waren ook vochtig geworden. „Geen sorry zeggen. Jij kunt er volgens mij weinig aan doen en bovendien heb ik je al gezegd dat ik je graag help.” Nu kon ik de juiste volgende woorden ook even niet vinden. Ik wilde enerzijds wel verder vragen, aan de andere kant niet nog een huilbui veroorzaken en ik vreesde dat ik dat wel zou doen als ik het woord ‘vader’ nog een keer liet vallen.

Het bleek niet nodig. Mischa ging zelf verder en glimlachte nog een keer kort. „Je bent echt een goede jongen, weet je dat wel?” Het was een vraag waar hij geen antwoord op verwachtte, toch spraken de vlammen die uit mijn gezicht sloegen boekdelen. Serieus ging hij verder en hij keek weer recht voor zich uit. Het leek wel of hij met man en macht probeerde de emotie te onderdrukken, zo vlak sprak hij de zinnen uit. „De afspraak was inderdaad dat ik vanavond naar mijn vader zou gaan en daar de rest van de week blijven. Mijn moeder is aan het werk, die komt pas vrijdagavond weer thuis. Alleen…” Hij verbeet zich. „Alleen is mijn vader dat op de een of andere manier vergeten. Toen ik… toen ik het pad opfietste, zag ik al dat alles donker was en zijn auto was er niet. Nu kan ik wel naar binnen met mijn eigen sleutel, maar ik was toch benieuwd waar hij was. Dus binnen belde ik hem. Nou… meneer was op Schiphol en stond op het punt het vliegtuig naar Singapore te nemen!” Mischa lachte er schamper en bitter bij. De schok moet van mijn gezicht af te lezen zijn geweest, maar hij vertelde verder zonder te laten blijken of hij dat inderdaad gezien had. „Hij heeft een nieuwe scharrel en dat mokkel komt uit Singapore. Die wilde kennelijk de Kerst bij haar thuis vieren en dat leek hem ook wel een goed idee. In een soort opwelling had hij bedacht haar achterna te reizen… zonder bij mij, zijn eigen zoon, stil te staan.” Mischa snoof nog een keer. „Ik was woedend, heb gescholden en geschreeuwd, maar het hielp allemaal niks. Ik kon mezelf wel redden, hij ging naar Singapore en hing zomaar op.” Diepe zucht. „Toen wilde ik niet langer in dat huis zijn en ben ik nog altijd superkwaad weer op de fiets gestapt. Als ik dan toch alleen zou zijn, dan maar in mijn echte huis, bij mijn moeder… ook al is zij er niet. Ik heb als een malle gefietst en gleed hier in de straat in de bocht onderuit. De rest weet je.” Mischa zuchtte nog een keer diep en nu leek het alsof hij, na deze woordenstroom, letterlijk helemaal leegliep.

Ik verstevigde mijn greep om zijn schouders. Hoewel het me een beetje duizelde, wist ik al vrij snel wat ik wilde… en wat ik moest doen. „Hé,” fluisterde ik zachtjes. Ik had besloten niet te reageren op wat zijn vader hem had aangedaan. Ik kon me Mischa’s boosheid heel goed voorstellen en voelde mezelf ook enigszins razend worden om die actie. Maar daar had Mischa nu niets aan. Ik wilde vooruit kijken en ik wilde dat hij dat ook zou doen. „Je hoeft niet alleen te zijn.” Ergens knaagde nog een klein stukje onzekerheid aan mijn plan. Ik stond het niet toe de overhand te krijgen: de overtuiging dat mijn ouders het goed zouden vinden, was vele malen groter. Maar ik moest het wel gaan vragen.

Heel langzaam, alsof hij voorzichtig wilde zijn en niets breken, draaide Mischa zijn hoofd in mijn richting. Hij huilde niet meer, zijn ogen waren al minder rood, maar op zijn gezicht waren nog altijd sporen van tranen te zien. Wat mij het meest verheugde, was echter de sprankeling in zijn ogen – die had ik vandaag nog niet gezien. Er sprak hoop en verlangen uit. Daarmee in tegenspraak waren zijn o zo beleefde woorden. „Dat is heel l… aardig van je, Sam. Maar het is niet nodig. Ik red me wel.” Zijn lichaamshouding en gezichtsuitdrukking verrieden dat hij het alleen maar zei omdat hij dacht dat hij het moest zeggen.

Nu moest ik doordrukken, zonder al te dwingend te zijn. Om mijn woorden kracht bij te zetten, stond ik alvast op. „Doe niet zo ongezellig. Ik zou het heel leuk vinden als je bij ons blijft.” Ik begon me alvast naar de deur te draaien. „In ieder geval kun je vanavond mee-eten. Dan zien we daarna wel verder.” In mijn gedachten was ik al drie dagen verder en op alle drie was Mischa bij me. Ik gaf hem geen gelegenheid tegen te sputteren en liep naar de deur. „Ik ga het beneden even vragen, maar het zal geen probleem zijn. Waarom ga jij niet even liggen om bij te komen? Je ziet er nog steeds moe uit.”

In de deuropening bleef ik even naar hem kijken. Hij zat nog altijd bewegingsloos op de rand van het bed en keek mij aan, zijn mond een klein stukje open. Zijn rechterbeen hield hij, zoals de gehele tijd, gestrekt voor zich. Opeens leek het alsof hij zich aan de vermoeidheid overgaf. Een paar keer ademde hij rustig, maar zwaar in en uit en zei toen: „Oké. Dank je wel. Als je ouders het goedvinden… en anders ga ik gewoon naar huis.” Daarna manoeuvreerde hij zich behoedzaam in een liggende positie, bovenop mijn deken.

*

Of ik het verhaal enigszins samenhangend had verteld, wist ik niet. Of het overtuigend genoeg was, ook niet. Mijn eigen opwinding zat me in de weg. In de keuken zat mijn vader aan tafel, mijn moeder stond bij het fornuis. Toen ik zweeg, keken zij elkaar aan, met een ernstige blik in hun ogen die me niks beviel. Ik werd nog zenuwachtiger en had het gevoel dat ik op ploffen stond, toen sprak mijn vader.

„Natuurlijk mag hij hier blijven. Het is toch niets voor zo’n jongen om alleen te zijn tijdens de kerstdagen?” Ik werd op slag tien kilo lichter. „Maar ik wil nog wel even met hem praten. Dat ga ik nu doen, help jij je moeder met het afmaken van het eten en het dekken van de tafel? Voor vier?”

Ik wilde hem wel om de nek vliegen, maar papa was sneller en liep al op de trap, toen ik weer bij mijn positieven kwam. Dan moest mijn moeder het ontgelden. Die weerde zich een beetje lachend af, bij de pannen waarin ze af en toe roerde. „Nou, rustig! Ga de tafel dekken, zoals papa zei.”

Dat deed ik in sneltreinvaart en letterlijk fluitend. Het eten was klaar en mama stond met haar rug tegen het aanrecht geleund. Nog altijd lachend bekeek ze mijn verrichtingen. Op het moment dat ik het laatste glas neerzette, keek ik haar aan. „Zeg, Sam? Dit mag ik van je vader eigenlijk niet zeggen, maar ik doe het toch. Wees wel voorzichtig, hè? Verliefd zijn is heerlijk, maar die jongen lijkt me kwetsbaar. Doe rustig aan.”

Ik bevroor in mijn bewegingen en zette grote ogen op. Opeens was mijn vrolijkheid verdwenen. Ik wilde hier ook helemaal niet met haar over praten. Natuurlijk was ik verliefd en natuurlijk zou ik voorzichtig zijn. Voor zover ik wist, was Mischa geen homo. Maar dat maakte me niet uit, ik vond zijn gezelschap al een heerlijk vooruitzicht.

„Waarom mocht je dat van papa niet zeggen?” Ik koos voor de vlucht naar voren.

Even keek ze mij onderzoekend aan, toen verscheen de glimlach weer. „Nou, daarom. Ik heb me dus inderdaad vergist. Papa zei al dat je er verantwoordelijk mee om zou gaan.” Ze zweeg kort. „Trouwens, hij had ook voorspeld dat je zoiets zou komen vragen. Mischa had hem al iets gezegd over zijn vader die niet thuis was.” Nog een korte pauze en een diepe zucht. „Maar een vader die zijn kind zo in de steek laat… Wat doet zijn moeder eigenlijk voor werk, als die er ook niet is tijdens de kerstdagen?”

„Die is stewardess,” wist ik. Ik had Mischa niet gevraagd waar zij was, maar nu ik erover nadacht, herinnerde ik me dat hij had gezegd dat zijn moeder aan het werk was en pas vrijdagavond terug zou zijn. Dat zei ik dan ook tegen mama.

„Tja, als zij en Mischa erop gerekend hadden dat hij bij zijn vader zou zijn…” Ze schudde haar hoofd. „Nou ja. Niet meer over praten, denk ik, tenzij Mischa dat graag wil.” Ze draaide zich om en begon het eten op schalen te scheppen. „Hier is hij welkom,” sprak ze meer tegen de rijst dan tegen mij. Ik bedacht me dat ik eigenlijk een geweldige geluksvogel was, met zulke ouders.

Het duurde toch nog bijna tien minuten voordat papa terugkwam… met Mischa. Van de tranen op zijn gezicht was niets meer te zien en hij keek daadwerkelijk gelukkig uit zijn ogen. Ik moest gniffelen om zijn pluizige, warrige haar dat op zijn hoofd stond en nam me voor hem straks een beetje van mijn gel te lenen.

„Eindelijk!” verzuchtte mijn moeder, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. „Ga snel zitten, dan is het nog niet helemaal afgekoeld.” Met een zacht dwingende hand duwde mijn vader Mischa naar de stoel naast de mijne. Hij ging verlegen zitten.

„Je hebt nog steeds last van je knie, hè? Nou, eerst maar eens een goede nachtrust en dan kijken we morgen verder. Tast eerst toe!” Het was duidelijk dat Mischa moest wennen aan de daadkracht die mijn ouders ineens ten toon spreidden. Ik besloot hem te helpen.

„Zal ik voor je opscheppen? Dit is varkensfilet, met knoflook, uien en room, en met tuinerwten. Dat is gewoon witte rijst, die hoort erbij. Zeg maar hoeveel je wilt…” Al bij een bescheiden hoeveelheid hief Mischa zijn hand op, nog altijd te beduusd om iets te zeggen. Mijn vader en moeder waren alweer met elkaar in gesprek, over hele andere dingen.

„Dank je wel,” fluisterde hij toen ik het bord weer voor hem neerzette. Het werd een gezellige maaltijd. Mischa begon met het alleen antwoord geven op vragen van mijn ouders, maar gaandeweg begon hij ook uit zichzelf te vertellen. Opeens legde hij zijn bestek neer en keek mijn moeder en vader ernstig aan. „Ik heb u nog niet eens bedankt. Het… eh… ik vind het geweldig wat u voor me gedaan heeft… en dat ik hier even mag blijven.” Bij die laatste woorden sloeg hij zijn blik neer en keek naar het restantje eten dat er nog op zijn bord lag.

Mijn moeder wapperde een paar keer ongeduldig met haar hand. „Is al goed, jongen. Je bent van harte welkom. Maar schep nog eens op, je gaat me niet vertellen dat je aan dat muizenhapje genoeg hebt. Schaam je nergens voor, ik ben Sam gewend die enorme hoeveelheden verorbert en als het op is nog honger heeft en het behang van de muren wil eten.”

„Mam!” Waarom moesten ouders je vroeg of laat bij anderen altijd voor schut zetten?

Mijn vader was al in de lach geschoten. Of dat nu was om de opmerking van mijn moeder of om mijn verbouwereerde en licht beledigde gezicht, was niet duidelijk. Mischa begon zachtjes mee te lachen, maar deed wel wat mijn moeder gezegd had.

Nou, dan lachte ik ook maar. Als een boer met kiespijn en ik schepte voor mezelf nog een keer op, toen Mischa klaar was. Als ik toch zo bekend stond, zou ik mijn reputatie ook waar maken. Hoofdschuddend bekeek mijn moeder het. „Waar laat je het toch?” Ik reageerde wijselijk niet, grijnsde hooguit een keer met volle mond naar haar en keek toen opzij. Mischa keek vrolijk, terwijl hij lekker doorat.

Alle ingrediënten voor een heerlijke Kerst waren in huis.

*

Het kostte de nodige overredingskracht om het arrangement voor de nacht zo te krijgen als ik het hebben wilde: Mischa op mijn kamer en in mijn bed. Zelf zou ik wel op het luchtbed op de grond gaan liggen.

„Jij hebt een goede nachtrust nodig en die krijg je niet op dat luchtbed.”

Mischa was vrij koppig en veel te bescheiden: lastige combinatie. „Ik bezorg jou al zoveel overlast en dan ga ik niet ook nog je bed inpikken.”

„Als je nu nog een keer zegt dat je lastig bent, zal ik je laten merken hoe lastig ík kan zijn…” Ik probeerde dreigend te klinken, maar het klonk mijzelf al niet erg overtuigend in de oren.

Mischa lachte er dan ook om. Nu was het op zich een verademing hem te zien en horen lachen. Het bracht mij echter geen stap dichter bij mijn doel. Ik gooide het over een andere boeg. „Als mijn ouders morgen horen dat ik jou op de grond heb laten slapen, word ik onterfd!” Ik was inderdaad wel opgevoed met de notie van gastvrijheid en goed gastheerschap. Ook als Mischa niet gewond was geweest, had ik hem in mijn bed laten slapen. Dat voegde ik er dan ook nog maar eens aan toe.

Het werkte, hij begon zichtbaar te weifelen. Gelukkig maar, want ik was niet van plan na de eerste gewonnen slag ook maar iets van mijn doelen bij te stellen. Het was moeilijk genoeg geweest om mijn ouders, en dan met name mijn moeder, ervan te overtuigen dat het het beste was dat Mischa op mijn kamer zou slapen. ‘Mam, de logeerkamers zijn net schoon en klaargemaakt voor morgen. Dan zou Mischa toch weer ergens anders moeten slapen. Waar eigenlijk? Morgen zijn alle kamers bezet. Wou je hem in de woonkamer laten liggen?’ Nog altijd zinde het mama maar half, toch ging ze overstag. Het laatste zetje had nota bene papa gegeven.

‘Laten we gewoon doen wat Sam zegt. Hij heeft wel gelijk over de komende dagen en wat maakt het allemaal nu uit? Laat die jongens gewoon bij elkaar op een kamer liggen.’

Dat was dus gelukt en nu had ik Mischa bijna zo ver dat hij ook daadwerkelijk mijn bed zou nemen. „Oké…,” begon hij aarzelend een nieuwe zin. Hij keek weer verlegen en ontweek mijn blik. Het was duidelijk dat hij stond na te denken over het vervolg.

Daarin was ik nog amper geïnteresseerd. Aan het ‘oké’ had ik meer dan genoeg. Ik trok mijn shirt uit en knoopte de riem van mijn broek los. Ik merkte dat hij weer naar me keek en nu ving ik zijn starende blik.

Mischa voelde zich duidelijk betrapt. Toch wist hij zich een houding te geven. Hij kuchte een keer en schraapte zijn keel. „Oké,” zei hij nog een keer alsof er niets aan de hand was. „Maar alleen als jij ook in bed komt liggen.” Hij grijnsde er ook nog bij!

Mijn vingers leken vast te vriezen aan mijn broeksriem en mijn ogen werden zo groot dat ik even vreesde dat ze uit de kassen zouden vallen. Ik zou niet ontkennen dat de gedachte ook al door mijn hoofd gespookt had, maar die had ik even zo snel weer verworpen. Dat zou het voor Mischa nog ongemakkelijker maken en hoewel hij redelijk snel begon te wennen, hier bij ons, was niet alles zomaar normaal. Maar nu stelde hij het zelf voor…

Ik stond weer naar hem te staren en moest een keer uitdrukkelijk met mijn ogen knipperen om weer in het hier en nu te belanden. Nog altijd lachte hij een beetje schuchter. „Als ik in je bed moet slapen, oké, maar ik wil niet dat jij dan op de grond gaat liggen. Bovendien, waarom heb je anders zo’n groot bed?”

‘Dat is inderdaad bedoeld om met knappe jongens te delen,’ flitste het door mijn gedachten, maar ik had de tegenwoordigheid van geest dat niet te zeggen. „Eh…,” ik probeerde mijn stem terug te vinden. „Je weet dat eh… dat ik homo ben, hè?” Ik vond het ongelofelijk stom om dat te zeggen en toch wilde ik zeker weten dat hij zich niet ongemakkelijk zou voelen.

Zijn grijns week niet. „Ja. Nou en?”

Meer zei hij niet. ‘Nou en.’ Het lag waarschijnlijk aan de hele situatie, maar ik kon niet anders dan bedenken dat dit de meest directe, eerlijke en prachtige acceptatie van wie ik was moest zijn die ik de afgelopen jaren had ervaren. Van die gedachte werd ik emotioneel en dat wilde ik niet. Snel draaide ik me half om en kleedde me zwijgend verder uit tot op mijn onderbroek. Normaal gesproken sliep ik naakt, maar dat leek me vanavond geen goed idee.

Vanuit mijn ooghoeken had ik gezien dat ook Mischa was begonnen zijn kleren uit te trekken. Het ging nog altijd moeizaam en zijn gezicht vertrok af en toe van pijn, toch lukte het hem dit keer helemaal zelf. Onze tanden hadden we al gepoetst, dus het moment was daar. Ik had niets meer gezegd en ook Mischa was stil gebleven. Er hing een vreemd soort gespannen lading in de lucht, hier in mijn kamer. Snel wierp ik nog een blik op zijn mooie, licht gehavende lichaam. Dat moest ik niet te lang doen, want dan zou mijn eigen lichaam geheel autonoom reageren. Opeens denderde de realiteit bij me binnen: waar ik niet over had durven dromen of fantaseren – maar toch gedaan had – zou nu gaan gebeuren. Ik zou samen met Mischa in een bed liggen. In mijn bed. Er zou niets gebeuren, er mócht niets gebeuren, hield ik mezelf streng voor. Samen in bed liggen was al meer dan ik ooit voor mogelijk zou hebben gehouden, dus daar moest ik maar van genieten… in stilte.

Ik liet het luchtbed links liggen en stapte om mijn bed heen. Dan kon hij op de kant waar hij toch al zat gaan liggen. Hij volgde mijn bewegingen, nog altijd zonder te spreken. Zijn prachtige helderblauwe ogen twinkelden en de glimlach was terug op zijn gezicht. Toen ik onder de deken lag en ervoor zorgde aan mijn linkerzijde meer dan genoeg ruimte voor hem over te laten, kroop hij er ook onder. We lagen naast elkaar op onze rug, een paar decimeter tussen onze lichamen. Ik lag bijna op de rand van het bed, dat moest voor Mischa ook gelden. Bijna tegelijk zuchtten we een keer en konden beide daarna een klein lachje niet onderdrukken.

„Nou, welterusten,” zei ik harder dan de bedoeling was. „Wil jij het licht uitdoen? Boven het kastje zit een knop.” Zonder te kijken voelde ik hem bewegen en even later werd het donker.

Mischa draaide zich op zijn zij, zijn rug naar me toe. „Slaap lekker,” fluisterde hij.

Voelde ik nou toch een lichte teleurstelling? Had ik meer verwacht? Nee, nog geen nachtzoen. Of wel? Ik lag bewegingloos naar het plafond te staren dat ik niet kon zien. Mijn hart begon steeds sneller te bonken en ik verbeeldde me dat ik begon te zweten. Hier lag ik dan. In mijn eigen bed, naast de jongen waarnaar ik zo verlangd had. Waarom kon ik er dan niet van genieten? Ik was alleen maar zenuwachtig en waarom? We zouden alleen maar slapen. Dat lukte Mischa een stuk beter dan mij. Zijn ademhaling werd binnen enkele minuten rustiger en dieper. Ik voelde me rusteloos, maar durfde niet te bewegen. Hoe laat was het? Ach, ik had mijn telefoon op mijn bureau neergelegd, stom. Niet dat ik het had aangedurfd erop te kijken, uit angst Mischa wakker te maken.

Heel voorzichtig draaide ik mijn hoofd in zijn richting. In het duister kon ik de contouren van zijn achterhoofd ontdekken. Ook Mischa had nog niet bewogen. Sliep hij eigenlijk wel? Ja, concludeerde ik na nog een tijdje naar zijn ademhaling te hebben geluisterd. Dat was trouwens wel rustgevend. Langzaam draaide ik me ook op mijn zij – ik kon niet op mijn rug slapen. Nu lag ik al iets dichterbij hem en zag zijn schouder boven de deken uitsteken. Mooi uitzicht, zelfs zonder licht. Hier kon ik wel een tijdje naar kijken. Als ik dan toch niet kon slapen, was dit een mooi alternatief.

De gebeurtenissen van deze dag, of liever deze avond, kwamen me nog eens voor de geest. Nu kon ik in alle rust alles nog eens op een rijtje zetten. Over wat er allemaal precies gebeurd was, dacht ik niet te lang na. Mijn gedachten kwamen steeds sneller uit op dezelfde momenten. De keren dat ik met Mischa alleen was geweest en hij bijna geen kleren had gedragen. Wat had die jongen toch een prachtig lichaam… En hij was nog aardig ook. Nee, meer dan aardig. Lief… en aandoenlijk als hij verlegen werd. Er was één ding waar ik van mezelf eigenlijk niet aan mocht denken, laat staan op hopen. Dat werd steeds moeilijker. Voelde hij voor mij nou ook… meer dan… of liever, voelde hij überhaupt iets voor mij? Ik dacht vanavond een paar keer zoiets te merken. Dat was echter steeds maar heel even geweest en daarna ging het weer over tot de orde van de dag. Nee, ik mocht het gewoon niet denken… en toch bleven de gedachten woelen, terwijl ik zelf doodstil bleef liggen.

*

Ergens was ik toch in slaap gevallen. Lekker langzaam werd ik wakker, kennelijk had ik ook diep geslapen. Dat heerlijke moment tussen dromen en waken in kon mij nooit lang genoeg duren. Op deze Eerste Kerstdag werd ik me echter met een schok bewust van de realiteit. Ik lag naast Mischa in bed… en niet alleen dat. Nog voor ik mijn ogen echt goed geopend had, rook ik nog altijd vaag die citroengeur in zijn haar. Ik voelde zijn lichaamswarmte. Opeens sperde ik mijn ogen wijd open. Zijn rug lag tegen mijn borst. Allebei bloot. Mijn neus was begraven geweest in zijn nek, voordat ik met een ruk terugdeinsde. Maar het allerergste… mijn arm lag om zijn bovenlijf. Een paar vingertoppen raakten zijn borstbeen en ik meende het geknetter van overspringende elektriciteit te kunnen horen.

Mischa sliep nog. Langzaam schoof ik achteruit en probeerde mijn ademhaling onder controle te brengen. Toen ontdekte ik iets dat nog erger was dan die arm om hem heen. Mijn hart klopte in mijn keel en in dat andere lichaamsdeel dat met een ‘k’ begint. Daar had zich zoveel bloed verzameld dat ik me afvroeg of ik flauw zou vallen. Zou hij het gevoeld hebben? Had ik zo dicht tegen hem aangelegen dat…

Licht hijgend en zo voorzichtig mogelijk kroop ik uit bed. Ik probeerde de deken zo min mogelijk te bewegen en legde die weer rustig neer toen ik eenmaal op de rand van het bed zat. Mijn ogen kon ik niet van de slapende gestalte losmaken. Zachtjes blies ik uit en stond mezelf toe nu echt te genieten van het uitzicht. Mischa lag op zijn linkerzij, zijn knieën opgetrokken, alleen zijn hoofd en schouders kwamen boven de deken uit. Zijn haar zat nog altijd warrig – gisteravond had hij er niets meer aan willen doen, toen hij erachter was gekomen dat hij al een tijdje zo rondliep. Het zag er zo… lief uit.

Ik had mezelf weer onder controle. Kijken mocht, toch? Ik hoopte vurig dat hij niets gemerkt had van dat directe lichaamscontact. Kennelijk waren we in de loop van de nacht naar elkaar toe gekropen. Ik merkte dat ik begonnen was te glimlachen. Na de eerste schrik overheerste nu het geweldige gevoel. Dat wilde ik nog een tijdje vasthouden. Ik wierp een blik naar beneden en bedacht dat het nog wel even zou duren voordat ik naar de wc kon. Dan eerst maar douchen.

Toen ik van de rand van het bed opstond, kraakte een plank. Mischa begon langzaam te bewegen en kreunde een keer zachtjes. Ondanks mijn inspanningen werd hij toch wakker en rekte zich een keer uit. Die lange benen pasten maar net onder het dekbed. Hij draaide zich op zijn rug en knipperde een paar keer met zijn ogen. Ik bleef van de aanblik genieten, ook toen de onvermijdelijke verwarring op zijn gezicht verscheen. Dat duurde maar een paar seconden, tot hij mij zag staan. Een goedkeurende kreun vergezelde het verschijnen van zijn glimlach. „Hoi!” Zijn nog altijd slaperige stem kraakte.

Daar moest ik zacht om lachen. Hij zag er op deze manier… onweerstaanbaar uit. „Goedemorgen!” Ik liep om het bed heen. „Blijf rustig nog even liggen. Je kunt nu nog van de rust genieten. Als mijn zussen vanmiddag komen, is dat voorbij. Als je nog even wilt slapen, ga gerust je gang. Ik ga alvast douchen.”

„Hmm,” klonk een nieuwe langgerekte kreun. „Ik heb als een blok geslapen.” Hij verschoof een beetje en sloot zijn ogen weer. „Even wakker worden, hoor.”

Ik lachte opnieuw. „Doe rustig aan.” Uit mijn kledingkast pakte ik een schone onderbroek en liep mijn kamer uit. Opeens werd ik me weer bewust van de toestand tussen mijn benen en ik schrok. Zou hij het gezien hebben? Hij had er vol zicht op gehad. Maar echt wakker was hij nog niet… Toch?

Werktuigelijk schudde ik mijn hoofd. Ik kon er nou toch niets meer aan doen en zo ongewoon was het toch ook niet, voor een jongen van zeventien in de ochtend? Ik nam me voor vandaag minder te piekeren en gewoon te genieten. We zagen wel waar het schip zou stranden.

*

Frisgewassen, geschoren en aangekleed stapte ik om negen uur de keuken binnen. Daar zat, geheel zoals verwacht, mijn moeder aan de koffie. Ook zij had zich feestelijk gekleed, in een prachtige rode jurk. „Hoi mam!” Ik gaf haar de gebruikelijke zoen op de wang en kreeg er een terug.

„Goedemorgen jongen! Wat zie je er stralend mooi uit! Er is koffie, als je wilt. Met ontbijten wou ik nog even wachten, maar niet te lang. Ik heb je vader al gesommeerd. Slaapt Mischa nog? Lekker laten liggen, die jongen was doodop.” ’s Ochtends was mama altijd bijzonder wakker, snel en actief.

Ik schonk koffie in en ging zitten. „Ja, hij slaapt niet echt meer, maar ligt nog even wakker te worden.” Terwijl ik mezelf had aangekleed, had ik hem lekker laten doezelen. Natuurlijk had ik mijn ogen niet van hem kunnen afhouden. Toen ik echt niet langer kon treuzelen, had ik nog een handdoek voor hem neergelegd en gezegd: ‘Je weet nog waar de badkamer is. Wees niet bang dat je mijn ouders tegenkomt: die hebben beneden hun eigen badkamer. We zien je wel verschijnen.’

„Heb je zelf goed geslapen?” Dat grijnzende gezicht van mama was onheilspellend te noemen.

„Ja… hoezo?” vroeg ik achterdochtig.

„Nou, met een jongen in je armen slapen is toch wat anders dan alleen.” Ze nam een slok koffie en keek overdreven met opgetrokken wenkbrauwen over de rand van haar mok.

„Mam!” Voor de verandering werd ik weer eens vuurrood. „Heb je…” Ik hoefde mijn zin niet af te maken.

Zij zette haar koffie neer. „Ja, natuurlijk heb ik gekeken, Sam. Die jongen was gisteravond nou niet bepaald in goeden doen. Dus ik wilde gewoon even kijken hoe het vanmorgen ging.” Ik kon niets uitbrengen, alleen maar vol ongeloof naar haar kijken met mijn mond een stukje open. Dat zorgde er hooguit voor dat zij begon te lachen. „Ach, Sam. Kijk niet zo betrapt. Volgens mij heb je precies het juiste gedaan.” Even hield ze in, toen verscheen die duivelse grijns weer. „Bovendien zag het er wel lief uit.”

„Mam!” Mijn vocabulaire leek opeens beperkt. Ik schudde mijn hoofd en kon er niet goed bij dat mijn moeder me had zien liggen… met een arm om Mischa heen. Ik wist ook niet zeker of ik nu boos, bang of juist nonchalant moest zijn. „Je beseft toch wel dat ik je nu moet vermoorden, hè?” Het werd dus nonchalant.

„Nou, nou, wat een teksten op een vredige kerstochtend,” klonk de brommende stem van mijn vader achter me. „Wat is hier aan de hand?”

Ik wisselde een snelle blik van verstandhouding met mijn moeder en schudde mijn hoofd. „Niets.”

Papa keek verbaasd van de een naar de ander, maar mijn moeder verried gelukkig niets. Uit ervaringen uit het verleden wist ik echter dat mijn vader het voor het einde van de dag toch wel te horen zou krijgen. Dat maakte me niet uit, als ik er maar niet bij hoefde te zijn als ze het vertelde. Mijn vader haalde zijn schouders een keer op en veranderde van onderwerp. „Mischa slaapt nog?”

Het ergerlijke giechelen van mijn moeder negeerde ik. „Ja. Ik heb hem gezegd rustig aan te doen en beneden te komen wanneer hij wil.”

Papa knikte en keek mijn moeder aan. Die deed gelukkig weer normaal. „Zullen we er maar een brunch van maken, straks?”

„Ja, goed plan. We hoeven ons ook niet te haasten vandaag. Sam heeft de leiding.”

Het was plagerig bedoeld, maar ik werd er alleen nog vastberadener van. „Zeker. Vanaf twee uur geldt hier in de keuken artikel 461 van het wetboek van strafrecht.”

Nu had ik mijn moeder echt verbaasd gekregen, terwijl papa begon te lachen. „Verboden toegang voor onbevoegden,” legde hij aan haar uit.

Daar kon zij gelukkig ook om lachen. We dronken nog een kop koffie en praatten nog over van alles en nog wat. Ook over Mischa, zonder dat mijn ouders nog toespelingen maakten op mijn gevoelens. Verder ging het over Chantal, die had laten weten rond drie uur te arriveren. Margot kwam later in de middag.

Ik keek even in de pan met stoofperen, die de hele nacht in het bessensap hadden gelegen. Ze waren mooi rood geworden. Mijn vader ging in zijn werkkamer nog even zitten lezen, mijn moeder deed van alles en nog wat en ik liep er een beetje verloren tussendoor.

Het was half elf geweest, toen Mischa de keuken binnenkwam. Zijn haar zat nu keurig in model, hij had mijn gel kennelijk gevonden. Hij droeg dezelfde kleren als gisteren, inclusief dat supermarktbloesje en het leek alsof hij minder met zijn rechterbeen trok. „Goedemorgen!” groette hij een beetje schuchter.

„Dag, beste jongen!” Mijn vader kwam achter hem aan de keuken in. „Ga snel zitten, dan zullen we wat eten op tafel toveren. Wil je koffie?”

Eigenlijk ging het verder, zoals het gisteravond na de koffie geëindigd was. Mischa en ik waren al tegen tien uur naar boven gegaan. Daarvoor hadden we nog even zitten praten met mijn ouders. Daarbij had ik een paar dingen geleerd die ik nog niet over hem wist. Zo deed hij aan wedstrijdzwemmen, wat voor mij onmiddellijk die borstkas en sterke armen verklaarde. Zijn moeder was in New York, zou nog doorvliegen naar Los Angeles en inderdaad pas op vrijdag terugkomen.

Wat ik niet wist, maar nu hoorde, was dat mijn vader gisteravond, toen hij boven op mijn kamer bij Mischa was geweest, diens beide ouders nog gebeld had. Geen van beide had opgenomen, maar hij had hun voicemail ingesproken. Nu vertelde mijn vader dat Mischa’s moeder gisteravond laat nog terug had gebeld.

Gedurende een ogenblik trok een grauwsluier over Mischa’s gezicht, maar dat veranderde snel terug naar een neutrale blik. Geen glimlach.

„Ze was behoorlijk… niet gelukkig met de actie van je vader. Daar zal ik maar niet meer over vertellen. Ze was in ieder geval blij dat je bij ons bent en ze zal je vanmiddag of vanavond zelf nog bellen.”

Voorzichtig brak de glimlach weer door. „Dat is fijn, dank u wel.” Het leek alsof Mischa op dergelijk nieuws had zitten wachten, want hij at nu met veel meer smaak en was duidelijk vrolijker. Dat had ook zijn weerslag op mijn eigen gemoedstoestand. Ik had er weer vertrouwen in dat het de beste Kerst ooit zou worden.

*

Dat werd het ook, maar wel op een manier die ik op dat moment totaal niet aan zag komen. Terwijl de ochtend langzaam in de middag vergleed, deden we van alles. Eerst vroeg Mischa me – weer met dat lieve, verlegen gezicht – of hij een overhemd mocht lenen.

„Jullie zien er prachtig uit, ik heb geen nette kleren… bij me.”

Ineens herinnerde ik mij de tas die mijn vader gisteren had binnengebracht. Die stond nog altijd in de hoek van de keuken. Tot dusverre had Mischa een onderbroek van me geleend en gisteravond had ik hem een nieuwe tandenborstel gegeven. Meer had hij niet nodig gehad. De aarzeling in zijn stem zorgde ervoor dat ik niet suggereerde dat hij, als hij dat per se wilde, natuurlijk andere kleren kon ophalen.

„Je mag alles lenen, maar ik denk dat je beter iets van mijn vader kunt uitzoeken. Mijn shirts zijn te klein voor je.”

Zo geschiedde. Het hagelwitte overhemd was hem iets te groot, maar dat viel amper op. Een nette broek was een grotere uitdaging. Het donkerblauwe exemplaar waar mijn vader mee kwam aanzetten, was twee keer te groot. Mischa verdronk erin en ook met een riem zag het er niet uit. De pijpen waren wel lang genoeg en dat was precies het probleem met mijn broeken: die waren te kort. Juist op het moment dat Mischa mijn zwarte broek had dichtgeknoopt – om zijn middel paste het perfect – kwam mijn moeder langs.

„Ach, dat is toch mode tegenwoordig? Hoog water? Dit kan prima, en Mischa, je kunt ook gewoon je spijkerbroek aantrekken hoor. Niet iedereen loopt er netjes bij vandaag.”

Eigenlijk vond ik het ook wel meevallen. De pijpen van mijn broek lieten aan de onderkant ongeveer tien centimeter van Mischa’s benen bloot. Ik vond het helemaal niet erg tegen die mooie enkels van hem aan te kijken, maar ik zag hem weifelen.

„Het kan echt wel,” drong ik aan. Onzeker, maar flauw glimlachend gaf hij toe.

Daarna werd hij door mijn ouders voorbereid op het komende bezoek. Mama liet tussen neus en lippen door vallen dat zij gisteravond de rest al had ingelicht over Mischa’s verblijf. Ik werd onmiddellijk nerveus. Waar was mijn telefoon? Oh ja, die lag nog boven aan de lader. Ik rende de trap op en denderde mijn kamer in. Twee dingen vielen onmiddellijk op. Mischa had het bed opgemaakt – dat deed ik eigenlijk nooit, tot groot ongenoegen van mijn moeder. Wat het eerste opviel, was echter de geur die hier hing. Zo’n echte slaapgeur, maar nu rook ik niet alleen mezelf. Mijn lucht had zich gemengd met die van Mischa en om eerlijk te zijn vond ik het heerlijk. Ik zette dan ook geen raam open, maar liep rechtstreeks naar mijn bureau.

Ja hoor, mijn zussen lieten zich weer van hun beste kant zien. De eerste berichten dateerden van gisteravond, vlak nadat mijn moeder in de familiegroep de naam Mischa had laten vallen.

‘Heb jij EINDELIJK een vriendje?’

‘Wanneer had je gedacht mij dat te vertellen?’

‘Broertje! Supertof!’

‘FOTO!’

Vanmorgen was het verder gegaan, zonder dat ik ook maar een moment eraan gedacht had op mijn telefoon te kijken.

‘Sam! Reageer eens!’

‘Hij moet nog wel door de keuring.’

‘Is hij een beetje knap?’

‘Sam?????????’

Ik zuchtte en moest eigenlijk ook wel lachen. Ik besloot niet te reageren, ze zouden hem vanmiddag wel zien. Is hij een beetje knap? Nou, wel iets meer dan een beetje, zeker in die nette kleren.

Mischa doorstond de stoomcursus over mijn familie met glans. Hij deed wat mijn vader tot besluit samenvattend zei: „Laat het maar over je heen komen.”

We zaten gevieren aan de keukentafel over van alles en nog wat te praten, toen ik een auto de oprit hoorde oprijden. Ik zuchtte een keer en zei melodramatisch: „Brace for impact!” Mischa moest erom lachen, maar dat zou hem wel gauw vergaan, zo dacht ik.

De achterdeur ging open en een blonde wervelwind stormde naar binnen. „Oma! Opa! Ome Sam!” De vijfjarige Hugo stuiterde van opwinding. Achter hem verschenen, veel rustiger, mijn zus Chantal en haar man Joris. Ze hadden allebei tassen in hun handen.

„Doe eens even rustig, druktemaker,” zei Chantal met nadruk tegen haar zoon. „Trouwens, er is nog iemand die je nog niet begroet hebt.” Haar eigen blik bleef ook op Mischa rusten en er verscheen een brede grijns op haar gezicht.

Hugo hield zich vast aan mijn broekspijp en keek voorzichtig om me heen. Zo enthousiast als hij was binnengekomen, zo verlegen was hij nu bij de vreemde. Mischa deed precies het goede. Hij stond op, liep achter me langs en ging bij Hugo op zijn hurken zitten. De broekspijpen van mijn broek trokken tot halverwege zijn kuiten op, maar daar besteedde niemand aandacht aan.

„Ben jij Hugo?” Het jongetje knikte verlegen. Mischa stak zijn vuist naar voren. „Ik ben Mischa.” Het duurde maar een paar seconden voordat Hugo besloot dat hij deze nieuweling kon vertrouwen. Met alle kracht die hij in zich had, stootte hij zijn eigen knuistje tegen de knokkels van Mischa.

„Hoi… Mischa.” Nu keek hij even naar mij omhoog, direct daarna weer naar Mischa.

„Ja, ik ben een vriend van Sam. Ome Sam.” Dat had Mischa dus gehoord en bij het uitspreken van die woorden grijnsde hij naar mij. Ik stak mijn tong uit.

„Oooh… dan is ome Sam niet meer alleen!” Na deze, wat mij betreft enigszins voorbarige constatering liet Hugo mij los en rende om Mischa heen naar Chantal. „Mama, mag ik mijn cadeautje aan ome Sam geven?”

„Nu nog niet, kleine ongeduld. Eerst even rustig zitten.” Dat waren twee woorden die niet in Hugo’s woordenboek voorkwamen en hij rende verder het huis in.

Chantal en Joris hadden inmiddels mijn ouders begroet. Ik kreeg twee zoenen van Chantal en een hand van Joris en daarna was Mischa aan de beurt. Die was weer rechtop gaan staan en keek mijn zus met een lichte blos op zijn wangen aan. Chantal bleef hem een paar tellen aanstaren en stapte toen naar voren. „Aangenaam, Mischa. Ik ben Chantal. Welkom bij dit zootje ongeregeld.”

Opeens besefte ik mijn kapitale blunder. Ik had wel moeten antwoorden op haar berichten. Zij dacht nu dat Mischa inderdaad mijn ‘vriendje’ was. Dat moest ik bij de eerste gelegenheid rechtzetten.

Het gezelschap zette zich rond de keukentafel en werd van koffie voorzien. Gelukkig deden Chantal en Joris heel normaal en alsof Mischa al jaren bij de familie hoorde. Er werd gezellig gepraat en gelachen, terwijl Hugo rondrende. Eerst bleef hij nog een beetje bij Mischa uit de buurt, maar dat was voorbij nadat die hem stiekem twee koekjes had toegestoken.

Het duurde geen uur voordat mijn andere zus met haar vriend aankwam. Margot was een stuk directer dan Chantal en liep direct op Mischa af. „Zo, dus jij bent Mischa.” Hij kreeg wederom twee zoenen en liet dat dit keer gelaten over zich heen komen, zonder te blozen.

„Dan ben jij Margot.” Deze evenzeer directe reactie verraste iedereen, mij niet het minst. Het deed me goed dat hij zo snel aan mijn familie kon wennen. Als er toch eens meer mogelijk was…

Margots volgende woorden deden mij uit de dagdromerij opschrikken. „Ja, en onthoud die naam goed. Want als je Sam pijn doet, zal ik je achtervolgen tot in de hel.”

„Margot!” Mijn vader en ik riepen het tegelijk. Mijn moeder stond met open mond te kijken, Chantal en Joris wisten niet waar ze moesten kijken. Gelukkig was Hugo in de woonkamer.

Ik kreeg oogcontact met mijn jongste zus en schudde heel lichtjes mijn hoofd. Er verscheen een onzichtbaar vraagteken op haar gezicht en ik schudde nog een keer. Het vraagteken maakte plaats voor zichtbare teleurstelling. Ze stapte op me af en terwijl ze me op de wang zoende, fluisterde ze: „Jammer. Lekker ding!”

Daarna ging ze onmiddellijk over tot de orde van de dag, namelijk het begroeten van onze ouders, Chantal en Joris. Ik had gelegenheid haar Maurits eens nader te bekijken. Die was een beetje op de achtergrond blijven staan, maar kwam nu aarzelend naar voren. Naar Mischa stak hij een hand uit en ook bij mij bleef hij enigszins op afstand. Ik had hem drie keer eerder gezien, twee daarvan hier in huis. Ik dacht dat het een prototype corpsbal was, maar van bravoure was weinig te merken. Hij was eerder verlegen, of nee, gereserveerd was een beter woord. Iets zei me dat hij zich hier niet helemaal op zijn gemak voelde.

Eerlijk gezegd begreep ik niet wat Margot in hem zag. Ja, hele volksstammen zouden hem wel knap gevonden hebben. Voor mij was hij ‘over the top’. Te glad. Die halflange zwarte haren glommen van de gel en zaten zo strak in model dat windkracht tien er nog geen vat op zou krijgen. Hij had zo’n modieus driedagenbaardje. In tegenstelling tot Joris, die gewoon in zijn vrijetijdskleding was gekomen, droeg Maurits een pak met das en aan alles kon je merken dat hij daar niet comfortabel in was, zeker niet nu hij gezien had dat hij de enige was. Ik vroeg me af of Margot hem ertoe had gedwongen.

Henk
Berichten: 4
Geregistreerd: vrijdag 01 augustus 2014 02:57
Woonplaats: Groningen
Ontvangen Bedankjes: 6 keer
Bericht Een gevulde Kerst (III, slot) door Henk » donderdag 27 december 2018 11:24

Na de begroetingen verplaatste het hele gezelschap zich naar de woonkamer. Nog een rondje koffie werd voor sommigen alvast een borrel. Maurits wilde bier, Joris ook wel, mijn vader en moeder dronken wijn. Chantal en Margot hielden het bij koffie. Ik hielp met uitserveren en ook Mischa stak zijn handen uit de mouwen, zonder dat hem iets gevraagd was. Toen iedereen zat en voorzien was, verontschuldigde ik me en ging de keuken weer in. Naar Mischa gebaarde ik mee te komen.

Ik zorgde ervoor zowel de deur van de woonkamer als die van de keuken achter ons te sluiten. Direct draaide ik me naar Mischa. „Wat vind je ervan?”

Hij schoot in de lach. „Van je familie, bedoel je? Nou, je hebt twee leuke zussen. Hun mannen zeggen niet zo veel, kan ik nog niet veel van vinden. Die kleine Hugo is wel een heerlijk joch. En je vader en moeder kende ik al… iets beter.” De lach verdween. „Dat zijn… geweldige mensen.” Het leek of hij een brok in zijn keel had.

Ik moest het snel weer luchtiger maken. „Nou, ik denk dat je de eerste ronde wel gewonnen hebt. Maar nu moet ik aan het werk, dat eten kookt zichzelf niet.” Ik knoopte een schort om.

„Kan ik iets doen?” vroeg Mischa, een beetje verloren nog altijd bij de tafel staand.

‘Ja, je kleren uitdoen en mooi wezen,’ dacht ik. „Misschien wil je die wortels snijden,” wees ik en zorgde voor het nodige gereedschap.

De rest van de middag gleed in sneltreinvaart voorbij. Ik had het ook te druk met alles wat er bij het koken kwam kijken om ergens anders over na te denken. Mischa was een enorm goede hulp, vroeg hulp of uitleg als hij niet zeker wist hoe iets moest. Bij de meeste dingen die we klaarmaakten zei hij dat hij ze nog nooit gegeten had. Dat weerhield hem echter niet van het proeven en we hadden de grootste lol.

Hij kwam niet terug op de kennismaking met mijn zussen en de familie liet ons gelukkig met rust, afgezien van Hugo die om het kwartier kwam kijken. Mijn vader kwam een paar keer om wijn en bier te halen, mijn moeder kwam niet vaker dan één keer vragen of wij het met z’n tweeën redden of dat we hulp nodig hadden. Dat hadden we beslist niet, verzekerden we haar en halfluid lachend verliet zij de keuken weer.

Om half zes was het meeste werk wel gedaan. Nu hadden wij ook wel iets verdiend, vond ik. „Wil je ook een glas wijn?” Voor mezelf schonk ik een glas wit in. Van mijn ouders mocht ik alleen thuis alcohol drinken. Bij het eten kreeg ik zo nu en dan, meestal op zondag, een glas en op bijzondere dagen als deze was het ook geen probleem.

Mischa haalde zijn schouders op. „Nooit gehad. Mag ik eens proeven?” Bij de eerste slok trok hij precies zo’n gezicht als ik zelf gedaan had bij mijn eerste kennismaking met het gefermenteerde druivensap. Nu kon ik erom lachen.

„Het wordt beter, geloof me.” Mischa keek me vreemd aan en heel vaag, ergens op de achtergrond, meende ik dat dat niets te maken had met de wijn. Ik kon er geen aandacht aan besteden, Mischa besloot een half glaasje in te schenken. „Hier, doe er een beetje water bij. Dan is de smaak niet zo sterk.” Dankbaar keek hij me aan en ging me toen voor door de keukendeur, op weg naar de woonkamer.

Daar heerste een bijzonder gezellige sfeer. Zelfs de stijve Maurits was kennelijk ontdooid, want die zat met mijn vader een spelletje schaak te spelen. Mijn zussen en moeder waren druk met elkaar in gesprek, Joris zat een boek te lezen. Hugo was even nergens te bekennen. De lichtjes in de kerstboom brandden, mijn moeder had kaarsen aangestoken, op de achtergrond hoorde ik de bekende muziek en teksten van Händels Messiah en het was hier, net als in de keuken, aangenaam warm. In de deuropening greep ik in een opwelling van puur geluk even naar Mischa’s hand. Hij keek glimlachend opzij en kneep even in mijn vingers. Meteen werd ik me bewust van de situatie en liet los. Verontschuldigend glimlachte ik naar Mischa, hij knikte alleen maar terug. Met zijn eigen eeuwige glimlach.

„Ha, daar zijn de koks! Hoe gaat het?” Mijn moeder had al twee glazen wijn op, zo te horen.

„Goed, we nemen even pauze. Over een klein uur kunnen we aan tafel. Tenminste, als die gedekt is…” De eettafel in de serre was in de verste verte nog niet klaar om het kerstdiner te herbergen.

Alsof het afgesproken werk was – en achteraf denk ik dat het dat inderdaad was – stonden Chantal en Margot op. „Dat gaan wij doen! Gaan jullie maar even rustig zitten. Jullie hebben genoeg gedaan.”

Voor een moment trok ik wantrouwend mijn schouders op, toch liet ik ze maar begaan. Mischa was verder de kamer ingelopen en stond naast de tafel waar mijn vader en Maurits zaten te schaken. Hm, kon hij dat ook? Dat zou voor mijn vader een pluspunt zijn, ik bakte er niets van.

Zelf liep ik naar mijn moeder, die nu alleen voor zich zat uit te staren. „Hallo, aarde aan mama!” Ik wapperde met mijn hand voor haar ogen. Ze schrok werkelijk en was dus diep in gedachten verzonken geweest. Dat was ook weer niet mijn bedoeling. „Sorry,” fluisterde ik en gaf haar een zoen op de wang.

Ze herstelde zich snel en glimlachte naar me. „Geeft niet. Ik moest even aan mijn vader… aan opa denken.” Tja, die was inderdaad twaalf jaar geleden overleden, drie weken voor de Kerst. Mama had altijd geweigerd dat als een schaduw over onze kerstviering te laten vallen, toch moest ze er af en toe wel aan denken. Dat kon ik alleen maar goed begrijpen en ik ging dicht naast haar zitten, mijn hand op haar been. Ze glimlachte lief naar me.

Haar vader, mijn opa: dat was de laatste grootouder die overleed. De ouders van mijn vader had ik nooit gekend, die waren vijf jaar voordat ik überhaupt geboren werd bij een auto-ongeluk overleden. Mijn andere oma was ook al dood. Vredig in haar slaap overleden, toen ik drie was. Mijn peinzende, dwalende blik viel op Mischa. Hij had gisteravond verteld dat twee van zijn grootouders ook waren overleden, de andere twee woonden in Canada en durfden tegenwoordig niet meer te vliegen. Die kwamen niet meer over voor de Kerst en zijn ouders hadden nooit tijd gehad of willen maken om daarheen te reizen.

Nog voordat ik echt met mijn moeder had kunnen praten, stak Margot haar hoofd om de hoek van de deur. „Sam? Kun je ons even helpen met welk bestek en welke borden we in welke volgorde nodig hebben?”

Ik zuchtte voor de show een keer, maar zette mijn glas neer en stond op. „Tuurlijk.” Ik ging haar achterna de keuken in. Daar had ik amper een voet over de drempel gezet of de deur werd vrij hardhandig achter mij gesloten en Margot geleidde mij met een hand op mijn schouder naar de dichtstbijzijnde stoel.

„Zo broertje! En nu met het water voor de dokter!” Ze probeerde dreigend te klinken, maar slaagde daar niet in. Ik moest alleen maar lachen, terwijl ik braaf op de stoel bleef zitten.

„Het bestek ligt in die la,” wees ik. Met luchtigheid probeerde ik de aandacht af te leiden, want ik wist donders goed wat ze van plan waren.

Chantal kwam aan de andere kant staan, haar armen over elkaar gevouwen. „Niet zo grappig. Is hij nou je vriendje of niet?” Dat was de eerste vraag van het spervuur en ik gaf overal maar antwoord op. Er zat niets anders op, dat wist ik uit ervaring. Deze zussen waren dol op me en ik op hen, hoewel de mate van bezorgdheid wel eens overdreven werd.

„Nee, Mischa is niet mijn vriendje. (…) Dat heb ik niet gedaan, dat schreef mama. En zij zei ook niet dat het mijn vriendje is. (…) Ja, het is wel een knappe jongen. (…) Nee, ik weet niet of hij homo is. (…) Ja, natuurlijk zou ik dat wel willen. (…) Bij elkaar in de klas gezeten. (…)” Opeens daagde het mij. Dit wisten ze allemaal al, dat zou mama hen wel verteld hebben. „Waarom vragen jullie dit allemaal? Heeft mama voor het eerst in haar leven iets niet gezegd?”

Betrapt keken ze elkaar een moment aan, barstten het volgende in lachen uit. Ik deed vrolijk mee. Toen was het eerst Chantal en daarna Margot die me even omhelsde en een zoen gaf. „Je was al ons favoriete broertje, maar als je verliefd bent, ben je nog veel leuker!”

Ik wist beter dan te reageren op dat ‘favoriete’ – bij gebrek aan een ander broertje – en wees in plaats daarvan veelbetekend naar het aanrecht. „Het bestek ligt in die la. Van buiten naar binnen: oestervorken, bouillonlepel, klein mes en vork…”

„Houd maar op. We nemen de bestekla wel even mee. Anders blijven we sjouwen. Wil jij alvast een paar wijnglazen meenemen?” Voortvarend gingen mijn zusters weer aan het werk.

„Ja, ik kom zo!” Eerst wierp ik nog even een snelle blik in de oven. Daar ging alles goed. Met in totaal acht wijnglazen bij de stelen tussen mijn vingers geklemd liep ik daarna achter hen aan de woonkamer weer in. Daar was het tafereel amper gewijzigd. Joris had zijn boek weggelegd en was nu met mama in gesprek. Maurits en mijn vader zaten nog altijd ernstig te schaken. Maar van een aanblik kreeg ik vochtige ogen. Ontroerd zag ik hoe Mischa op de grond naast de kerstboom zat, zijn rug tegen de verwarming. Op zijn schoot zat Hugo, die meekeek naar de plaatjes in het grote kinderboek dat Mischa voor hem vasthield en waaruit hij voorlas. Aan de ogen van Hugo kon ik zien dat de kleine wildebras volkomen gebiologeerd ‘meelas’ met het verhaal dat hem door Mischa verteld werd.

Ik bleef onbeweeglijk staan kijken, tot het moment dat Mischa mijn staren merkte en opkeek. Het moment dat onze blikken elkaar kruisten, ontstak een groot vuurwerk in mijn lichaam – en het was volgende week pas oudjaar. Ik hoopte maar dat niemand het zou merken. Nou ja, niemand behalve Mischa. Die grijnsde van oor tot oor en bleef me aankijken met die twinkelende blauwe ogen, totdat Hugo hem ongeduldig aan zijn mouw trok.

Ik grijnsde een keer terug en liep toen met de glazen naar de eettafel. Mijn moeder kwam ook in beweging en onder haar regie zorgden mijn zusters ervoor dat alles op de juiste plaats kwam te staan. Ik verdween met een gerust hart weer in de keuken om alles nu echt klaar te maken. De eendenbouten waren gaar en ik draaide de oven uit, maar liet ze nog er nog wel in staan. De aardappels waren klaar en ik schepte ze nog een keer om, nogmaals controlerend of het vuur op z’n allerlaagst stond. Ik goot de bonen af en liet ook die in de pan, met het deksel erop. De bisque, ook op laag vuur, roerde ik nog een keer om. De peren zaten al in een schaal, nu vulde ik een enorme schaal met ijs en legde daar de opengemaakte oesters op. Dat was de eerste gang en die kon nu wel naar binnen.

Bij terugkomst in de serre zag de tafel er heel feestelijk uit: rijkelijk gedekt en de kaarsen brandden. Voor Hugo hadden Chantal en Joris een kinderstoel meegenomen en voor hem was er net zo gedekt als voor ons. Ik zette de schaal oesters in het midden van de tafel neer. Chantal en Margot gingen alvast zitten, mijn moeder knikte naar me: de eer was voor mij.

Op de drempel van de schuifdeuren riep ik de woonkamer in: „Dinner is served!” Onmiddellijk bleek dat Hugo goed in onze familie van honger en dorst paste, want opeens was het verhaal niet interessant meer. Hij sprong overeind van Mischa’s schoot en rende langs mij de serre in. Mijn vader was kennelijk gestoord in een winnende stelling, want die kwam met tegenzin overeind. „Pap, je moet nog even wijn halen,” waarschuwde ik hem. Met een grimas veranderde hij van richting.

Mischa was opgestaan en kwam achter Maurits aan. Hij versnelde zijn pas even en fluisterde eenmaal naast Maurits: „Je loper staat ongedekt. Pion opofferen. C2-C3.” Mischa liep door, terwijl Maurits een moment verbluft bleef staan en daadwerkelijk een blik achterom op het schaakbord wierp. Ik sloeg het tafereel met bewondering gade, terwijl mijn waardering van Mischa tot onmogelijk grote hoogte steeg.

„Mama, wat zijn dat voor schelpen?” De hoge, opgewonden toon van de kleine Hugo bracht me weer bij mijn positieven. Op dat moment stond Mischa naast me. Hij grijnsde onbeholpen.

„Is er een tafelschikking?”

Nee, die was er niet. Het duurde ruim drie uur, maar die waren het allemaal meer dan waard. Alles smaakte goed, al zei ik het zelf. Dat deed ik natuurlijk niet en dat was ook niet nodig, want bij elke gang kwam er zo’n lading complimenten over me heen dat ik er ongemakkelijk van werd. Ik vergat niet Mischa in de lof te betrekken. Die wilde daar dan weer niets van weten.

„Hoe heb je zo leren koken,” vroeg hij me op een gegeven moment zacht, terwijl de gesprekken om ons heen verder gingen. Natuurlijk zaten we naast elkaar. Zijn toon en zijn uitdrukking waren vol bewondering en dat maakte me verlegen.

„Hier. Thuis. Van mijn moeder. Die kan het nog veel beter, hoor.”

„Dat zou ik niet zomaar aannemen, Mischa.” Sterf, mijn vader had ons dus toch gehoord. „Het is waar dat hij het van mijn vrouw geleerd heeft, maar hij begint op een tovenaarsleerling te lijken.”

Mischa lachte zacht. „Dat hoop ik niet. Die overspelen hun hand nog wel eens…” Mijn ogen werden groter. Hij lachte een tikje ondeugdend en boog zich naar me toe. „Goethe. Hat der alte Hexenmeister sich doch einmal wegbegeben!...”

„Jaja,” zei ik haastig. „Dat ken ik.” Dat wilde zeggen, ik wist van Goethe en ik kende ook de titel. Maar citeren kon ik het niet. Dat had ik van Mischa ook nooit verwacht. Hij bleef ondeugend en een beetje mysterieus naar me lachen en daar concentreerde ik me dan maar op. De wijn hielp daarbij. Mischa dronk heel zuinigjes mee en lengde steeds aan met water. Niemand die daar iets van zei: zo hadden mijn zussen en ik het allemaal leren drinken.

De kleine Hugo hield het bijna de hele maaltijd vol. Het was mij altijd een raadsel hoe dat kleine vaatje onstuitbare energie het op kon brengen bij een tafel te gaan en te blijven zitten, zonder te zeuren of te willen ontsnappen. Hij kon ook heel goed luisteren, er was weinig dat hem ontging. Als het onderwerp hem niet zinde, bracht hij trouwens zelf wel iets in. Na de carpaccio, die voor hem heel klein gesneden werd en die hij met smaak had verorberd (‘Naar binnen geschrokt’, zei zijn moeder, ‘Eet eens wat rustiger’) riep hij over tafel: „Opa!” Geamuseerd keek mijn vader, nog altijd rustig kauwend, hem aan. „Opa! Ome Mischa kan veel beter voorlezen dan jij!”

Iedereen lachte, hoewel Chantal en Joris duidelijk minder ingenomen waren met de openhartigheid van hun zoon. Ook Mischa lachte, maar overduidelijk meer om niet uit de toon te vallen. Papa lachte het hardst van iedereen. „Nou,” hikte hij na – dat kon trouwens ook van de wijn komen – dan moet Ome Mischa misschien vaker komen om jou voor te lezen!”

Mischa’s wangen kleurden een beetje rood. Ook dat kon van de wijn komen en bij het kaarslicht was het sowieso niet zo duidelijk te zien, tenzij je vlak naast hem zat, zoals ik. Onder tafel legde ik zonder erover na te denken mijn hand op zijn bovenbeen en kneep er lichtjes in ter bemoediging en ondersteuning. Dankbaar glimlachend keek hij me even aan. Aan de overkant van de tafel had Margot alweer een ander onderwerp aangesneden en daarvoor wierp ik haar op mijn beurt een dankbare blik toe. Toen ze in haar poging geslaagd was, keek ze terug en tuitte haar lippen een moment voor een luchtkus. Op dat moment was ik volmaakt gelukkig. Ik had een geweldige familie en naast mij zat de knappe jongen uit mijn dromen. Mijn hand lag nog altijd op zijn been en niet alleen dat, Mischa had zijn hand daar weer bovenop gelegd. Onze vingers raakten lichtjes verstrengeld en zijn duim wreef zachtjes langs mijn pink. Kon dit moment eeuwig duren?

Nee, bleek al snel. Het was tijd voor de volgende gang en ik moest weer aan het werk. Zo ging het nog even door. Halverwege het hoofdgerecht was iedereen eigenlijk al verzadigd – ikzelf niet in de laatste plaats. Men at dapper door, maar van de bijgerechten zou genoeg overblijven om nog een goed deel van een maaltijd mee te vullen. De sfeer was vrolijk, opgelaten en iedereen deed alsof Mischa er gewoon bij hoorde, er al jaren bij hoorde. Dat was niet in het minst aan hemzelf te danken. De overdreven verlegenheid had hij afgeschud en hij praatte beurtelings met mijn moeder, die rechts van hem aan het hoofd van de tafel zat, met Hugo die tegenover hem zat en met mij, links van hem. Aan de grotere gesprekken deed hij rustig mee, zonder op de voorgrond te treden. Dat was meer weggelegd voor Maurits en mijn vader. Voor mijzelf hoefde dat ook niet zo nodig.

Om tien uur was het gedaan met het eten en werd er koffie gezet. Hugo was al in slaap gevallen en werd nu in bed gelegd. Hij wilde nog wel een nachtzoen. Een van opa, van oma, van tante Margot, van ome Sam en… van ome Mischa. Ik bleef de alcohol de schuld geven, maar mijn ogen werden weer vochtig.

Mischa en ik mochten ons niet bemoeien met het afruimen, schoonmaken en opruimen. Met zoveel handen was het ook zo gebeurd. Ondanks de koffie voelde ik rond elf uur de vermoeidheid toeslaan. Het was toch wel een drukke dag geworden en afgelopen nacht had ik… nou ja, had het even geduurd voor ik in slaap viel. Naast mij zag ik Mischa ook knikkebollen. Die had vanmorgen wel iets langer gelegen, maar niet meer echt geslapen, zo had hij verteld. Als je daarbij bedacht dat hij zaterdag, zondag en gisteren gewerkt had, was het niet zo gek dat hij moe was. Ik stootte hem zachtjes aan en zonder iets te zeggen richtte ik mijn ogen naar boven. Met een dankbare glimlach knikte hij. Ik zou het moeilijke gedeelte doen: zeggen dat we gingen slapen. Tot mijn verbazing werd daar alleen maar instemmend op gereageerd, zonder tegenwerpingen en zonder dubbelzinnige opmerkingen. Alleen Margot knipoogde even naar me.

We maakten het verplichte rondje. Mijn vader had zijn schaakpartij met Maurits hervat en wilde eigenlijk niet gestoord worden. Toch stond hij op en gaf me een zoen op de wang. Zijn aarzeling duurde maar twee seconden, toen kreeg Mischa er ook een. Ik weet niet of hij verbaasder was dan ik, maar ik vond het in ieder geval een prachtig gebaar. Hoewel ik van schaken niet veel wist, zag ik na een blik op het bord dat Maurits verre van kansloos was. Of Mischa’s tip hem geholpen had, zou altijd wel onduidelijk blijven. Wel was duidelijk dat hij veel beter tegen drank kon dan mijn vader, dus ik durfde nu wel in te zetten op een winnaar.

Mijn moeder en mijn zussen kregen allen ook een zoen en wij kregen er een terug. Bij Joris sloeg ik kort op de schouder. „Tot morgen!”

Als een koor kwam er uit de kamer, terwijl wij de deur uitliepen: „Slaap lekker, jongens!” Gevolgd door een hoop gegiechel van zowel mijn zusters als mijn moeder en een zwaar, maar zacht lachen van de mannen. Resoluut trok ik de deur achter me dicht. We stonden voor de trap en begonnen de tocht naar boven. Het ging nog altijd niet helemaal soepel, maar Mischa wist toch zonder al te veel moeite en op eigen kracht boven te komen. Snel poetsten we onze tanden, loosden het overtallige vocht in de wc en kleedden ons om. Toen ik voor het raam van mijn slaapkamer stond om de gordijnen dicht te trekken, zag ik dat buiten een heldere sterrenhemel de nachtelijke aarde verlichtte. Het zou koud worden vannacht.

Niet veel later lagen we weer naast elkaar. Beide vermoeid, maar nog te veel opgelaten door de prachtige dag. Mischa had het licht weer uitgedaan. Met minder tussenruimte dan gisteravond lagen we beide op onze rug naar boven te kijken. Ik had mijn handen op mijn buik gevouwen. Misschien had ik toch iets te veel gegeten. Geen gepieker zoals gisteren, hield ik mezelf voor. Gewoon genieten.

„Sam?” begon het voorzichtig.

„Hm?”

„Da… Ik…” Ik liet hem rustig zijn woorden zoeken. „Het is zo geweldig wat jij en je familie voor me hebben gedaan. Dank je wel.”

Hoorde ik nu een snik in zijn stem? Ik zei maar niets over het zoveelste dankjewel. „Geen probleem.” Dat klonk hard, dat moest anders. „Ik bedoel, echt graag gedaan. Ik meende het, hè, toen ik zei dat ik je graag wil helpen. Voor mijn ouders geldt hetzelfde.” Dat wist ik nu wel zeker. Net als mijn zussen, trouwens. Het waren draken, zo af en toe, maar ze hadden het beste met mij… en met mijn vrienden voor.

„Ja, dat weet ik…” Zijn stem klonk vreemd. Onvast. Onzeker. Onvermoed. Het bleef een tijdje stil. „Mijn moeder belde vanmiddag.”

Met een ruk keek ik opzij. Dat had ik niet meegekregen. Maar dat was ook weer niet zo verwonderlijk. Het was zo druk geweest met alle mensen en alle voorbereidingen. Toch, het kon niet lang zijn geweest dat hij met zijn moeder had gesproken.

„Kort maar hoor. Toen het snijwerk achter de rug was en jij met die eendenpoten in de weer was, toen belde ze. Ik ben even naar buiten gegaan.” Mischa snoof. „Ze was echt kwaad, ziedend. Op m’n vader. Maar ze was ook heel blij voor me dat ik… dat ik hier…” Weer een snuif. „Dat ik hier mocht zijn.”

Het werd me bijna te veel en ik draaide me nu geheel op mijn zij. Langzaam stak ik mijn hand uit naar zijn schouder. „Hé,” fluisterde ik zachtjes. „Je bent meer dan welkom, hè?” Mijn vingers begonnen uit zichzelf strelende bewegingen te maken. Mischa bleef doodstil liggen. „Goed van je moeder dat ze even belde. Waar is ze nu?”

Mischa snoof weer en draaide zijn lichaam een beetje, zodat mijn hand van zijn schouder afgleed. Ik durfde het niet aan opnieuw contact te maken. „Nog in New York. Ze wilde zelfs proberen te regelen dat ze direct terug kon. Maar ik heb gezegd dat dat niet hoefde.”

Ik gleed weer op mijn rug en wist niet wat ik moest zeggen. Geen begin van een voorstelling kon ik me erbij maken dat mijn moeder met Kerst in Amerika zou zijn, al was het voor haar werk, en dat mijn vader me straal vergeten was en zelf maar het vliegtuig naar Singapore had genomen.

„Sam? Mijn moeder is de enige die weet dat ik twijfel aan mezelf.” Ik kon horen dat Mischa zijn adem inhield.

Nu draaide ik alleen mijn hoofd in zijn richting. „Twijfel? Wat bedoel je?” Mijn gedachten tolden en het rationele deel van mijn persoonlijkheid vermaande me te blijven nadenken, maar dat kon ik niet meer.

Mischa ademde uit, maar niet helemaal. „Nou… eh…” Daarna bleef het een minuut stil, op zijn nu snelle ademhaling na. Ik wilde hem niet dwingen en wachtte af. Toen nam het gesprek een andere wending. „Sam, vind je mij… mooi? Knap?”

Dit was voor mij het moment om een hoorbare hap lucht te nemen. Eerst de vlucht naar voren. Dat was altijd een beproefd recept geweest. „Beetje cliché, om aan de homo te vragen of een jongen knap is, vind je niet?” Onmiddellijk had ik spijt. Zelfs zonder te kijken voelde ik zijn teleurstelling. De toch al tollende gedachten maakten nu sprongen die bij een turntoernooi een tien voor de uitvoering hadden gekregen. Het eraan ten grondslag liggende idee echter… Nee, ik had geen idee. Ik wilde alleen maar eerlijk tegen hem zijn. Alles bij elkaar, alles wat er gebeurd was sinds hij gisteren binnen gekomen was, dat alles – plus de alcohol, bleef ik beweren – zorgde ervoor dat ik nu hardop zei wat enkele jaren alleen maar binnenin mijn hoofd gesproken werd.

„Ja…, Mischa ik vind je bloedmooi.” Ik draaide me helemaal op mijn zij, maar zorgde ervoor geen lichaamscontact te maken. Mijn eigen lichaam werd warm. Nu ik de Rubicon overgestoken was, moest ik verder. De dood of de gladiolen. Zelfs in het duister vonden mijn ogen de zijne en ik was verrast daar een glinstering van tranen in te zien. „Ik zal eerlijk tegen je zijn.” Nu hoorde ik dat ook mijn eigen stem een vreemde klank gekregen had. Talloze emoties vochten om voorrang – ik negeerde ze. Bijna volautomatisch sprak ik verder, nee, liep ik helemaal leeg. „Ik ben al een tijdje verliefd op je. Ik heb niet genoeg aan een vluchtige blik in school. Ik kom maar met een reden naar die supermarkt: jou zien. Ja, ik vind je prachtig. Je bent lang, slank, gespierd zonder het te overdrijven, je hebt prachtig haar, een ongelofelijk mooi gezicht, schitterende ogen…”

„Sam, houd op.”

Ik draaide me weer weg en voelde de tranen zich een weg banen. Op slag voelde ik me echt beroerd. Ik had het verknald. Hoe vaak had ik mezelf niet voorgehouden dat ik niet verliefd moest worden op onbereikbare jongens, zoals Mischa? Ik onderdrukte een snik. Ik zou niet ook nog eens gaan huilen in zijn bijzijn. Mijn stem had ik echter niet onder controle en die sloeg een paar keer over. „Ja, sorry. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik ga wel op dat luchtbed liggen en ik begrijp het als je…”

Ik werd ruw onderbroken. Een hand trok aan mijn schouder en wel zo abrupt dat ik weer op mijn zij terechtkwam. Met mijn gezicht vlak voor dat van Mischa. Voordat ik kon registreren wat ik zag en voordat ik kon bedenken wat er gebeurde, voelde ik het. Zijn zachte lippen op de mijne. Het duurde nog geen twee seconden, toen trok hij zijn hoofd weer een stukje achteruit. Zijn ogen waren nat van de tranen, net als zijn wangen. Hij huilde nog steeds eigenlijk, zonder geluid te maken of ook maar te bewegen. Die tranen bleven maar stromen en dat verwarde mij nog veel meer dan de zojuist uitgesproken woorden.

„W-weet je wie mooi is?” Zijn zachte stem beefde, de woorden trilden door de lucht mijn oren in. Ik was nog altijd in verwarring en reageerde in het geheel niet. „Jij!” Zijn hand lag nog altijd op mijn schouder en rammelde me een keer door elkaar. „Zie je dat dan niet? Je bent een prachtmens. Houd toch op over mij. Jij hebt schitterende ogen, met die mooie lange wimpers die dansen als je met je ogen knippert, die prachtige reebruine kleur… hoe vaak ik daar niet in verdronken ben… Dat prachtige bijna zwarte haar, elke dag in een iets ander model en elke dag ‘spot on’. Fantastisch fijn en mooi lijf, precies wat bij je past… Want niet alleen zie je er te mooi uit, je bent ook gewoon nog eens een geweldig… prachtmens. Ik zei het al. Altijd vriendelijk, altijd vrolijk, altijd aanwezig zonder aanwezig te zijn. Dus HOUD OP over mij, Sam! Ik weet, ik vroeg ernaar en dat had ik eigenlijk niet moeten doen. Maar…”

Als een ballon, die je opgeblazen had en losliet zonder er een knoop in te leggen, zo liep Mischa leeg. Zijn hand gleed van mijn schouder. Hij huilde nog altijd en kromp steeds verder in elkaar. Het gevoel van medelijden kreeg bij mij de overhand. Onvoorstelbaar hoe snel je van gemoedstoestand kan wisselen. Nog geen drie minuten geleden had ik aan de rand van de afgrond gestaan en nu had ik deze… lofzang over mij horen afsteken en dan ook nog door de jongen die ik aanbad. Maar ik wist beter dan direct weer honderd graden in het andere spectrum te duiken. In plaats daarvan legde ik mijn hand op zijn arm en trok hem een beetje naar me toe. Waar ik de woorden vandaan haalde, wist ik absoluut niet. „Huil maar, huil eens lekker uit. Dat kan goed opluchten, weet ik.” Dat wist ik inderdaad, want dat had ik regelmatig gedaan. Alleen nooit in de armen van een knappe jongen.

Langzaam bedaarde hij en ten slotte lagen wij weer naast elkaar op onze rug. Tussen ons in hadden we elkaars hand vastgepakt en onze vingers verstrengeld. Af en toe knepen we even, zonder iets te zeggen. Terwijl mijn gedachten alle kanten op vlogen, met meer vragen dan er antwoorden waren, was het nota bene Mischa die begon.

„Sam…” Zijn stem was vaster, ook vastberadener. „Ik heb altijd zo’n groot respect voor je gehad… Dat je ervoor uitkwam dat je… h-homo bent.” Toch een kleine aarzeling bij dat klotenwoord. „Ik wil dat je iets weet.” Mischa draaide zijn hoofd. „Ik heb me ervoor geschaamd dat ik die eerste weken op school niets heb gedaan. Sorry daarvoor, hoewel er geen excuses voor bestaan. Ik was bang…”

Mijn gedachten dwaalden terug naar die weken. Nadat ik thuis tegen mijn ouders had gezegd dat ik op jongens viel en niet lang daarna ook mijn zussen het verteld had, voelde ik me dusdanig onoverwinnelijk dat ik ook bij bepaalde klasgenoten uit de kast kwam.

**

Dat was precies aan het begin van het schooljaar waarin Mischa naar de havo was gegaan. De reactie was wisselend, om het maar eufemistisch te zeggen. Niet direct, maar binnen een week wist de hele school het. Er waren een paar eikels die het nodig vonden om me het leven zuur te maken. Met een groepje om me heen gaan staan, of de trap op en me dan onverwacht een duw geven. Altijd met het onvermijdelijk homofobe commentaar. De rector had nota bene in een toespraak tegenover de hele school benadrukt dat homofobie niet getolereerd zou worden. De overgrote meerderheid zweeg daarna en deed in ieder geval alsof er niets aan de hand was. Ook mijn directe klasgenoten reageerden neutraal en in sommige gevallen zelfs positief. Het was dat achterbakse, gemene gedoe van een paar… ik bleef het eikels noemen.

Tot het moment, zo’n vier weken nadat ik ‘uitgekomen’ was, dat er weer zo’n groepje enkelvoudig hersencelligen om me heen stond bij de kapstokken, vlak voor de tweede bel. Ik was laat geweest en daarom was de garderobe al bijna helemaal verlaten. Ik had niet in de gaten gehad wat er gebeurde, totdat ik een harde stem hoorde: „Laat Sam eens met rust!” Uit het niets verschenen vier jongens uit de vijfde klas. Vier jongens die aan rugby, boksen, judo en gewichtheffen deden, althans zo zagen ze eruit. Ik kende ze niet, had ze hooguit eerder zien rondlopen. „Als je niet tegen homo’s kunt, dan reis je maar honderd jaar terug in de tijd. Of je verhuist naar Pakistan of zo. Maar je blijft van Sam af en je laat hem met rust!” Meer werd er niet gezegd. Het was ook meer dan genoeg. Mijn belagers dropen af, mijn redders knikten een keer vriendelijk naar me en dat was het. Daarna heb ik op school nooit meer ergens last van gehad.

**

Ik vroeg niet waarom Mischa bang was geweest. Het enige dat ik deed, was nog een keer in zijn hand knijpen en met een glimlach zeggen dat het goed was. Ik was nooit in elkaar geslagen, opgewacht, in de openbaarheid voor schut gezet… nee, eigenlijk was het wel meegevallen.

„Daarom weet ik niet waarom ik zo bang ben…”

Ik leek wel een kerstkalkoen, zo bleef ik draaien. Nu manoeuvreerde ik me weer op mijn zij, mijn gezicht vlakbij het zijne. „Je zei dat je twijfelt aan jezelf. Dat alleen je moeder dat weet. En nu ik, maar wees niet bang voor mij. Van mij hoort niemand iets. Maar waaraan twijfel je? Denk je dat je ook homo bent?”

Dat was ook voor mijn doen behoorlijk direct en misschien was dat precies wat Mischa nodig had. Of niet… zo bleek snel.

Hij trok zich weer een beetje terug. „Dat weet ik dus niet.” Zachte snik. „Ik weet het gewoon niet, Sam.” Dat klonk wanhopig. „Hoe wist jij het?”

Dat vond ik een redelijke vraag en ik vertelde in een paar zinnen hoe ik erachter kwam dat ik eigenlijk alleen maar naar jongens keek, daar ook opgewonden van kon raken en dat meisjes me in dat opzicht niets deden.

„Trek je jezelf wel eens af?”

„Sam!”

Ik voelde hoe zijn lichaam warmer werd. „Nou sorry. Maar…?” Ik wist dat ik hem aan de praat moest houden. Hij twijfelde. Dat kon. Daar zou ik hem alle ruimte voor willen geven. Maar ik wilde wel dat die twijfel enigszins gekanaliseerd werd.

„Ja, natuurlijk.” Mischa siste bijna.

„En waar denk je dan aan?” Ik had beet en liet niet los.

Het bleek echter een brug te ver. Mischa bleef stil. Na misschien twintig seconden zei hij uiteindelijk: „Hier wil ik het niet over hebben.”

Ai, dat was duidelijk. Dan moest ik ook niet verder duwen. „Oké,” zei ik zo nonchalant mogelijk en ik voelde wederom hoe verrast hij daardoor was. „Dan gaan we slapen. Welterusten!” Ik draaide van hem af en lag nu weer op mijn rug, net als hij.

Een kwartier lang luisterde ik naar zijn ademhaling, die verried dat hij nog niet sliep. Een kwartier lang spookte mijn eigen geschiedenis door mijn hoofd. Een kwartier lang hielden allerlei vragen me uit mijn slaap.

„Sam?”

„Hmm?” Misschien was ik toch al verder in slaap gevallen dan ik dacht. In ieder geval was ik nu weer klaarwakker.

„Niemand… eh… niemand weet het dus… van mij. Behalve mijn moeder… en jij nu. Verder mag ook niemand het weten, zeker mijn vader niet, want ik weet echt niet hoe die gaat reageren. En mijn klasgenoten, en de jongens van voetbal, en…”

Ik legde een vinger op zijn lippen. „Volgens mij weet niemand het. Ook ik en je moeder niet. Want jij weet het niet. Daar moet je eerst rustig en op je eigen manier achter komen.” Zachtjes slaakte ik een zucht. „Van mij hoort niemand iets.” Dat had ik al gezegd, maar het leek mij goed het te herhalen.

Ik kon Mischa voelen ontspannen. „Je bent een goed mens, zoals ik al gezegd heb, Sam. Ik meen het. Ik ben zo blij dat ik het tegen je gezegd heb. Ik voel me zo goed nu… Sam… mag ik… wil je…”

Hij hoefde het niet te vragen. Ik boog me over hem heen en plaatste mijn lippen zachtjes op de zijne. Mijn ogen sloten zich als vanzelf en ik weet zeker dat ook de zijne dicht waren. Voorzichtig nam ik zijn bovenlip in mijn mond en ik zoog zachtjes. Ik proefde de meest zoete nectar, godendrank. Mischa kreunde en dat vatte ik op als teken om nog even verder te experimenteren. Ik drong mijn tong een stukje naar buiten en likte zachtjes aan zijn lippen. Als de Rode Zee voor Mozes weken zijn lippen uiteen. Zachtjes, voorzichtig, als bang om porselein te breken, dansten de puntjes van onze tongen voorzichtig om en tegen elkaar. In minder dan geen tijd werd ik keihard. Omdat we zo dicht tegen elkaar lagen, voelde ik dat Mischa hetzelfde probleem had. Nou ja, probleem… Dat was het niet.

Waarschijnlijk duurde die zoen nog geen minuut. Wie hem verbrak, weet ik ook niet meer. Wel herinner ik me levendig de gelukzalige blik in Mischa’s ogen, die ik op minder dan tien centimeter waarnam. Ja, dit was goed zo.

Met een zachte kreun liet ik me in mijn eigen kussen terugzakken. „Als dat een nachtzoen was,” hijgde Mischa naast me, „dan wil ik er nog wel een.”

„Je kunt er zoveel krijgen als je wilt.” Mijn eigen ademhaling was ook zwaar. „Ik zal op je wachten tot je eruit bent. Uit jezelf bent. Tot die tijd ben ik er voor je, wil ik met je praten, wil ik je vragen beantwoorden en als jij het ook wilt… wil ik je zoenen.” Als magneten vlogen onze monden op elkaar.

De schittering van de sterren aan de kersthemel was hooguit prozaïsch. Zij verbleekte bij de schittering in onze ogen, in onze lichamen, in onze zielen.


LA FIN

Henk
Berichten: 4
Geregistreerd: vrijdag 01 augustus 2014 02:57
Woonplaats: Groningen
Ontvangen Bedankjes: 6 keer
 

Plaats een reactie

Terug naar Verschillende auteurs

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast


cron